maandag 28 november 2016

Gerard Monnink: Met fiets en tent naar de Orient

Gerard Monnink: Met fiets en tent naar de Orient (Nederland, 1936? ): 231 blz: Uitgeverij Holland Uitgeversmaatschappij

Zelf heb ik in 1988 een fietstocht gemaakt van Zeist naar Istanbul. Zoals iedereen die een dergelijk grote fietstocht heeft gemaakt heb ik wel het een en ander meegemaakt tijdens deze tocht.

Vergeleken met de tocht die Gerard Monnink beschrijft beschouw ik mijn eigen tocht als een veredelde vakantiefietstocht. De tijden waren ook anders: terwijl ik de beschikking had over een lichtgewicht fiets en een lichtgewicht kampeeruitrusting moesten Gerard en zijn vriend Toon Damhuis het doen met een veel zwaardere fiest en bepakking. Bovendien reisden ze vrijwel zonder geld op zak en waren de wegen veel slechter dan tegenwoordig.

De talloze avonturen die de twee fietsreizigers meemaken worden in geuren en kleuren verteld. We maken kennis met slechte wegen, onherbergzame gebieden, wilde honden, ratten en luizen. Aan het einde van het boek in Palestina komen Gerard en Toon Sefania tegen, de latere vrouw van Gerard.

Helaas zijn de foto's die bij het boek zijn afgedrukt nogal wazig. Gerard heeft het regelmatig over de grote fotografische kwaliteiten van zijn vriend en dan vallen deze veelal onscherpe foto's toch wat tegen.

Lees hier wat collegablogger Koen de Jager van dit boek vond.

Een aantal wat langere citaten:

De kennismaking van Gerard met Toon:
"Neem me niet kwalijk", zeg ik "bent u Damhuis?" "Ja, dat ben ik" "Ik zou graag eens kennis met u willen maken, mijn naam is Monnink" "Aangenaam", en op zijn handdruk ga ik door: "De kwestie is namelijk dat ik al veel van uw reizen heb gehoord. Nu wilde ik zelf ook eens een grote fietstocht maken. Een tent meenemen om onderweg te kamperen, zelf eten koken, etc. En nu wilde ik eigenlijk vragen of u idee hebt om mee te gaan." Even glijden zijn blauwe kijkers langs mij heen. "Hm, waar wilde je dan naar toe?" "Nou, een wat excentrieke tocht" en ietwat verlegen ga ik verder: "een lange reis helemaal naar Palestina." Een ogenblik slechts denkt hij na. Dan volgt in zijn sappig Twents dialect: "Ja, dan konk wa metgaon." Alsof het een reisje van een paar dagen gold! "Wanneer wilde je vertrekken?" "Aanstaande zaterdag liefst", stamelde ik perplex." Goed-dan ben ik hier wel. Daar kun je van op aan."

Onderweg:
Als er een auto passeerde, waren we minutenlang in een stofwolk gehuld en de struiken en bomen langs de weg waren eveneens met een grijze laag bedekt. Voor onze bodies, waarop de zon onbarmhartig brandde, betekende dit een ware krachtproef, evenals voor onze banden.
Maar onverstoorbaar peddelde mijn metgezel verder, de ene helling op, de andere af, even stilhoudend soms voor een dronk water en dan weer voort!  Toen ik een ogenblikje naast Damhuis kwam, schoot ik onwillekeurig in de lach: Ontzettend, zijn gehele gezicht was bijna onherkenbaar met een grijsgrauwe laag bedekt! Verbaasd keek hij me aan: "Waarom lach je?" "Om je gezicht, helemaal met stof bedekt, ha, ha, ha!" "Ja, je kunt goed lachen", antwoordde hij, "maar wacht even, hier is een spiegeltje, -óók een aardige schoorsteenveger." Ik moet een heel ontzet gezicht getrokken hebben, want nu was Damhuis aan de beurt om te schateren!

Pech:
De geweldige schok deed onze voorwielen pal stilstaan ... Beiden kropen we weer overeind en betastten onze armen en benen. Nee, niets gebroken, alleen een paar kleine ontvellingen en schrammen aan onze handen en aan de neus van mijn vriend. Verder waren we geheel met klei en modder bedekt ... Bij een andere gelegenheid zouden we zeker hartelijk gelachen hebben om deze onvrijwillige kleidoop. Maar nu voelden we ons te miserabel en daarbij kwam de angst om onze karretjes. Bezorgd inspecteerde mijn vriend zijn vehikel ... Nee, niets aan kapot ... Maar toen ik weer op mijn Veeno wilde stappen, schuurde 't voorwiel langs de vork en met ontzetting constateerden we, dat de vooras gebroken was. Bedremmeld stonden we bij onze fietsen. We hadden zo vertrouwd op de onverwoestbaarheid van onze karretjes, dat we dit nauwelijks konden geloven ... "En dat," hoorde ik mijn vriend somber mompelen, "terwijl we niet eens een reserve-as bij ons hebben. Ja, alle beroerdigheid scheen zich hier in dit wilde stuk Balkan op te stapelen." 'n Grote kans bovendien, dat er in dit nest hieronder geen fietsas te vinden is ...Misschien kènnen ze hier wel geen fietsen", ging hij bemoedigend verder, terwijl we voorzichtig naar beneden schoven.

Luizen:
Toen we tenslotte klaar waren, moest ik toch eerst even kijken, waar dat jeukerige gevoel nu eigenlijk vandaan kwam, dat me de hele dag al gehinderd had. Ik trok mijn pullover en mijn hemd uit en... tot mijn ontzetting ontdekte ik de oorzaak... Luizen, grote, griezelige beesten... Vol afschuw toonde ik het mijn vriend. "Wel verd..., mij heeft ook al een hele tijd, de "de pokkel" (rug) gejeukt, om je de waarheid te zeggen", viel hij uit en snel trok hij zijn kleren uit... "Zie je wel... compleet onder de luizen... Die hebben we natuurlijk in deze oude bedden hier opgelopen..., dat is absoluut zeker. En daar hebben we nog voor betaald ook!" Dat was het begin van de Oriënt! "Onmiddellijk ander ondergoed aan!" riep ik vol afschuw. Maar Toon hield me tegen, met de woorden: "Ben je nou helemaal gek geworden?! Als je nu direct ander ondergoed aandoet, bederf je dat ook helemaal en kom je d'r nooit weer af. De enige manier is, de spullen vanavond in het hotel te wassen met kokend water en veel zeep. Want ik ken ze, ik heb ze op een vroegere reis ook al eens gehad", voegde hij er verklarend aan toe... "Luizen... praat me niet van luizen... Drie maal per dag krijgen die krengen jongen en s'avonds zijn ze alweer drachtig."


Ik had het boek al een keer eerder gelezen, maar was bij herlezing verbaasd over hoe goed geschreven ik het vond. Zonder meer een van de mooiste verslagen van een grote fietstocht die ik ken.


 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen