zaterdag 8 juli 2017

Wiecher Hulst: Een vriend aan het Tobameer

Wiecher Hulst: Een vriend aan het Tobameer (Nederland, 1995): 296 blz: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Een vriend aan het Tobameer by Wiecher HulstWiecher Hulst heeft tussen 1972 en 1992 tien lange reizen door Indonesië gemaakt.

Altijd begonnen die reizen bij het Toba-meer in Sumatra, waar zijn vriend Messin woonde. Uren-, dagen- en wekenlang had hij met Messin koffie lurkend zitten praten over Indonesië. Messin was een bodemloos vat vol hilarische anekdotes, die hem zeer veel over Indonesië hadden geleerd.

Hij wilde hem weer opzoeken, maar nu was hij overleden. Hulst maakt opnieuw een lange reis door Indonesië, maar het land is niet meer hetzelfde nu zijn oude vriend er niet meer is. Bij alles wat hij meemaakt vraagt hij zich af: "Wat zou Messin hier van vinden?".

Ik ben zelf in 1992 in Indonesië geweest, en ik vind de observaties van Hulst zeer treffend. Hulst is in mijn ogen niet zo'n goed stilist als bijvoorbeeld Carolijn Visser of Lieve Joris, maar weet wel goed een verhaal te vertellen. Ik heb een stapeltje boeken over Indonesië gelezen en dit vond ik een van de betere.

Hier weer een aantal citaten om een indruk te geven:
- Piet begon te lachen. "Je hebt gelijk. Wij zeggen altijd: een ambtenaar is net een machine. Als hij niet gesmeerd wordt, is er geen beweging in te krijgen. Ja toch?"

- "Bij ons blijven de kinderen altijd voor hun ouders zorgen," zei Noor, terwijl ze in een enorme pan met sayur lodeh roerde. "Anders dan bij jullie in Holland. Daar stoppen de kinderen hun ouders in tehuizen als zij oud worden en verzorgd moeten worden. Wij hebben dat zelf gezien toen wij zeven jaar geleden in Holland waren. Wah! Vreselijk toch! Jullie zijn wel rijker dan wij, maar ook eenzamer. Onze kinderen doen ons niet weg, al worden we helemaal gaga en kunnen wij alleen nog maar kwaken als een eend of kreunen als een tokeh! Hahaha!"

- Ik had het langzamerhand moeten weten, maar elke keer verraste het me weer: westerlingen worden in Indonesië gezien als een onuitputtelijke bron van geld, en vroeg of laat moeten ze eraan geloven.

- Pak Delisman behandelde het verschil tussen vroeger en nu. "Vroeger was iedereen hier arm," zei hij. "De verschillen waren niet groot. Maar nu zijn er een paar hele rijke mensen en de armen zijn nog steeds arm, of juist nog armer dan vroeger. Dat komt omdat alleen de rijke boeren leningen krijgen om werktuigen te kopen. Zij worden dus steeds rijker. Maar wij arme boeren moeten voor onszelf zorgen, oom! Dus het verschil wordt steeds groter."

- Pas een half uur later lieten ze me doorlopen, na gedetailleerde informatie te hebben ingewonnen over mijn huwelijkse staat en het aantal kinderen dat ik ter wereld had weten te brengen. Ik doorstond de ondervraging deze keer zonder problemen.
"Twee kinderen, boe."
"Aduh! Waarom zijn zij niet meegekomen?"
"Zij zitten nog op school, boe."
"Oooh ja. En uw vrouw, waar is zij?"
"Die moet op ze passen, boe, want ze zijn nog klein."
Ik begon mij al aardig aan te passen aan de nationale gewoonte om in plaats van de waarheid een aanvaardbaar verhaal te vertellen, waar geen mens aanstoot aan kon nemen. "Een Nederlander liegt niet, maar een Indonesiër grieft niet. Die ontziet je gevoelens," had een oude koloniaal mij ooit verteld. Vooruit dan maar.

- Ik begon last van mijn bronchiën te krijgen en vroeg de passagiers achter en naast mij om met roken op te houden. Ze zeiden vriendelijk "O ya pak", en rookten onverstoorbaar verder. Dat was de Indonesische manier om op onwelkome boodschappen te reageren: niks van aantrekken, maar blijven glimlachen. Heel wat vriendelijker dan de Amsterdamse methode om in zo'n geval "Krijg de pleuris, slijmerd" te roepen, maar het effect was hetzelfde: ik bleef in de rook zitten.

- "Dat is het succes van de Nieuwe Orde," zei Pram (Pramoedya Ananta Toer), die de telefoon weer had neergelegd. "Onderdanigheid, kruiperigheid en angst, dat is het moderne Indonesië."

- De vulkaan trilde en sidderde onder mijn voeten. Uit al zijn poriën stegen uiterst onwelriekende dampen op, die hem hadden overdekt met een groenachtig vulkanisch slijm. Ik voelde mij een mier die zich een weg baande naar de top van een enorme verse paardedrol, waar hij elk moment in kon wegzakken.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen