Carolijn Visser: Oom Brian de pitbullwerper (Nederland, 2009): 271 blz: Uitgeverij Augustus
In
"Oom Brian de pitbullwerper" zijn korte verhalen gebundeld van Carolijn
Visser, die eerder verschenen zijn in de NRC en in andere bladen, maar
nooit eerder in boekvorm. De verhalen geven tezamen een aardig beeld van
Carolijns reizen en de mensen die ze onderweg heeft ontmoet. Niet het
boek van Carolijn om mee te beginnen, maar een must voor iedere
liefhebber van haar werk.
- In 1981, toen ik in mijn eentje door China trok, sprak ik geen woord Chinees. Ik was als een blinde die op de tast de weg moest vinden. In elke stad was maar één hotel dat buitenlanders mocht toelaten. En dan nog: de receptionist zei altijd dat het vol was, ook al logeerde er geen enkele gast. Ze wilden niet lastiggevallen worden en bovendien waren ze erop ingesteld groepen te ontvangen. Aan alleenreizenden hadden ze een broertje dood. Het kon uren duren voordat er eindelijk iemand voor me uit sjokte naar een kamer die in de meeste gevallen op een gevangeniscel leek. Eén keer trof ik een tot de rand gevulde po aan onder mijn bed. Toen ik een personeelslid daarop wees zei ze: "Daar ga ik niet over."
- Toen ik meer geld kon uitgeven zorgde ik ervoor dat mijn kamer altijd wel een raam had. En, vreemd genoeg, al snel was dat niet genoeg. Dat raam moest een uitzicht hebben, over glooiende velden, een straat, een interessante buurt of over een turkoois gekleurde zee. Steeds meer eisen ging ik stellen. Ik wilde een badkamer bij de hand, een restaurant in de buurt, vriendelijk personeel.
- "Tegenwoordig wonen veel Australische mannen overdag in de garage," legde mijn echtgenoot uit. Vroeger brachten ze vrijwel al hun vrije tijd in de pub door, maar sinds de politie automobilisten streng op alcohol controleert, kunnen ze daar moeilijk komen, er is niet altijd een pub dicht in de buurt. De garage is een redelijk alternatief. Bezoekende vrienden lopen direct door, ze weten waar ze hun mate kunnen vinden. Tot opluchting van de vrouw des huizes, want die heeft liever geen manvolk over de vloer. De strijd der seksen wordt in Australië nog steeds met veel vuur gestreden.
-
Toen ik terugkeerde naar de bokstent heerste daar een merkwaardige
stilte. Naast de Kenworth trof ik Wayne op een veldbed met een vrijwel
onherkenbaar gezicht en lippen die niet meer wilden sluiten. Michael en
vier Aboriginals keken moederlijk op hem neer. "Hij wilde het zelf,"
pleitten ze zichzelf vrij. "We konden hem niet tegenhouden." "Heb je al
je tanden nog?" vroeg ik. Braaf opende Wayne zijn mond. "Die andere
kerel was veertig kilo zwaarder en twintig jaar jonger," probeerde hij
zijn eer te redden. "Waarom heb je het dan in hemelsnaam gedaan?" wilde
ik weten. "Ik kon niet anders," bracht Wayne met moeite uit, blikken
werpend naar de mannen om ons heen. Toen begreep ik het. Hij was het
verplicht geweest aan zijn stam.
- Sinds zijn laatste mededeling is het gezicht van Da Wei verstard. Als bevroren kijkt hij naar buiten. "Mijn moeder ..." mompelt hij, zoekend naar de juiste Engelse woorden, "mijn moeder was oogarts. Op een dag tijdens de Culturele Revolutie kwam een groep middelbare scholieren naar ons huis. Klasgenoten van mijn zus. Ze namen mijn moeder mee en sloegen haar dood."
"Wat?" reageer ik geschokt.
"Ze sloegen haar dood," herhaalt Da Wei toonloos.
"Klasgenoten van je zus?"
Hij knikt.
"En kom je die nog wel eens tegen?"
Hij knikt weer. "Soms."
"En wat zeg je dan tegen hen?"
"Niet veel."
Als Carolijn een keer denkt dat ze haar Chinese gastvrouw tot last is geweest, denkt ze aan de keren dat ze zelf bezoek had:
- En wat te denken van het stel dat een paar weken bij mij op de grond sliep in de tijd dat ik slechts één kamer tot mijn beschikking had? Zodra het licht uitging klonk er een vreselijk gesmak, geslurp en gesabbel op van de matras naast mijn bed. Het leek alsof ze een schaap geroosterd hadden en dat met een hongerig gezelschap aan het verslinden waren. Elke nacht weer! Zelfs als ik luidruchtig langs hen naar de wc stampte, werd het niet rustig.
- Tegenwoordig hebben logés digitale foto- en filmcamera's bij zich, mobiele telefoons, blackberry's, iPods en usb-sticks. Alles moet voortdurend geladen, gedownload en ingelogd worden. Iedereen is steeds zijn codes kwijt, gebruiksaanwijzingen zijn thuis blijven liggen, aansluitingen passen niet. De gastvrouw weet vast de oplossing wel!
- De eerste keer dat ik China bezocht was in 1981, toen vrijwel alle Chinezen nog in blauwe of groene maopakken waren gekleed. Ik sprak geen woord Chinees, ik kon geen enkel karakter lezen en voelde me een blinde die op de tast de weg moest vinden in dat land.
Elk restaurant
was staatseigendom in die tijd, en leek meer op een kantine. Ze waren
maar een paar uur per dag geopend en altijd overvol. De enige manier om
aan de beurt te komen was om je op te stellen achter een gelukkige die
al zat te schranzen. Je ademde in de nek van iemand die rustig zijn
noedels met stokjes naar binnen werkte, zijn bier dronk, boerde, of een
wind liet. Als je eindelijk kon plaatsnemen was het wiebelige krukje nog
warm en moest je eerst wachten tot het slagveld van afgekloven botjes
en vette kringen was op geruimd.
-
Na zijn opleiding hoopt Faeng voor een internationale
ontwikkelingsorganisatie te gaan werken. "En je nicht heeft gezegd dat
ze na hun pensionering misschien wel in Laos willen komen wonen," zegt
Faeng. "Ja," zeg ik, "dat is het plan." Ik kan mijn ogen niet afhouden
van de maanverlichte rivier en zeg: "Dat vind ik nou het mooie van deze
geglobaliseerde tijd waarin we leven." Faeng denkt dat ik het internet
bedoel, of het mobiele telefoonverkeer, maar ik dacht aan de bijzondere
band die zomaar kan groeien tussen twee Amsterdamse vrouwen en een
ex-monnik aan de oever van de Mekong.
- De oude, spichtige kokkin lijkt meerdere armen te hebben, als een hindoeïstische godin. In razende vaart heeft ze oranje gekleurde kruidenpasta en garnalen aangebakken. Nu strooit ze noedels in haar grote wok en mikt er een plens donkere saus achteraan, het vuur draait ze op tot verzengende hoogte. Twee eieren vliegen door de lucht, de schalen breken op de rand, de inhoud belandt midden in het gerecht. Taugé, lenteuitjes en drie scheuten van het een of ander volgen. Een assistente staat al klaar met een plastic bord, op de bodem ligt een stuk bananenblad gevlijd. Dan barst een regenbui los, druppels roffelen op het zinken dak. De kokkin hoort niets, ziet niets, is alweer halverwege de volgende bestelling.
- Meer dan twintig jaar hadden we elkaar niet gesproken, maar in nog geen seconde had Google haar voor me opgespoord. Deense Susan. In het midden van de jaren zeventig maakten we een reis van zes maanden door de Verenigde Staten. "Ik moet binnenkort in Amsterdam zijn," mailt ze terug. Op het moment dat ze mijn woonkamer binnenstapt, zijn we weer twintig en on the road. De hele middag zitten we gebogen over een kaart van Amerika. Op Long Island logeerden we bij een tante van Susan, in Connecticut bij een neef. "Jij had overal familie," zeg ik. "En oom Henry dan?" vraagt ze. God ja, oom Henry.
- Ik had eerder overwogen ergens anders te gaan logeren nadat een van de meisjes verteld had over een gewapende overval op de hotelgasten kortgeleden, alleen moest ik dan eerst betalen en ik was weliswaar met honderden dollars op zak naar Puerto Cabezas gekomen, maar daar was vrijwel niets meer van over. Mensen die ik kende uit de tijd dat ik hier woonde hadden mij geld gevraagd voor medicijnen, medische behandelingen, een opleiding, en schooluniformpjes voor hun kinderen. In het Nicaraguaanse stadje was geen pinautomaat.
- Ik ken Kenny uit de tijd dat hij in een krot woonde en in een uitgeholde boomstam de zee op ging om te vissen. Op een dag vond hij een kist cocaïne. Dat komt vaak voor aan deze kust: straatarme Miskito-indianen vissen regelmatig een hoeveelheid drugs op uit zee die ze voor honderd- of tweehonderdduizend dollar aan een handelaar kunnen verkopen. Het bijzonderste van de hele zaak is dat het Miskito's lukt zo'n bedrag in een maand te verbrassen. Weken achter elkaar wordt er gedronken, gefeest en gewinkeld. Daarna gaat iedereen weer vissen met z'n kayuko en water halen bij de put alsof er niets is gebeurd. Maar Kenny heeft een sloep met een motor aan het avontuur overgehouden. En een huis van cement.
-
Café Coca Cola is voor mij een vertrouwde huiskamer in den vreemde. Het
zijn meest mannen die hier komen, maar als vrouw word ik buitengewoon
beleefd bejegend. Het is señora voor, señora na. Hoeden worden gelicht.
Als, zoals dat wel eens gaat, de vraag zich opdringt: waarom leeft een
mens? kan ik die in Coca Cola moeiteloos beantwoorden: om hier koffie te
drinken. Desgewenst kan daarna de tijd gerekt worden tot de soep van de
dag gereed is.
-
Ze had verteld over de vorige winter, toen een storm het ijs op de
Oostzee in stukken had geslagen en de veerpont niet meer uit kon varen.
Twee jonge Russische vertegenwoordigers zaten voor onbepaalde tijd op
het eiland gevangen. Nadat ze onderdak hadden gevonden en drank hadden
ingeslagen kwamen ze in het restaurant informeren of er meisjes op het
eiland waren. "Dat soort meisjes komt van het vasteland en is hier
alleen in de zomer," had de serveerster geantwoord. "Maar we hebben
geld," drongen de mannen aan. "Geld heeft op dit eiland geen enkele
waarde," had de serveerster het gesprek besloten.
- Later, bij een biertje naast de aalbesstruiken, hebben we het over het begin, toen hij Ests ging leren in Tartu, de universiteitsstad in het zuiden. "Het lukte mij anders niet informatie te verzamelen voor mijn onderzoek, vrijwel geen enkele Est sprak Engels in die tijd. Het lokaal waar ik les kreeg was onverwarmd, daar was geen geld voor. We zaten met onze jassen aan rond een oliekachel." Met bevriende Estse studenten ging hij soms iets drinken in de bierkelder van Tartu. "Je kon er knoflookbrood en schnitzel bij krijgen, dan had je het wel gehad." Onvoorstelbaar karig was alles in Estland in die tijd, toch zijn het herinneringen van niet meer dan anderhalf decennium terug.
Over Zeeland:
- De moderne tijd tijd dient zich aan met een kracht die sterker lijkt dan het water ooit is geweest.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten