Marcel Proust: Op zoek naar de verloren tijd: Deel 7: De tijd hervonden (Frankrijk, 1927): 403 blz: Vertaald door Thérèse Cornips (1999): Uitgeverij de Bezige Bij
Na twee zwakkere delen is Proust in "De tijd hervonden", het zevende en laatste deel van zijn romancyclus "Op zoek naar de verloren tijd", weer bijna op zijn best. We zijn een flink aantal jaren verder (20-25?), de Eerste Wereldoorlog is uitgebroken en Frankrijk is voor een groot deel bezet. De verteller wordt verzorgd in een kliniek en gaat allang niet meer naar de bijeenkomsten van de high society en werkt gestaag aan zijn oeuvre.
Dan komt hij op een matinee tijdens de oorlog. Hij ziet er vele bekenden terug, nu oud en krakkemikkig geworden. Een flink aantal bekenden zijn intussen overleden.
Het laatste deel van "De tijd hervonden" bevat beschouwingen over het schrijverschap die veel wetenswaardigs bevatten. "De tijd hervonden" is een waardige afsluiting van een zeer indrukwekkende romancyclus. Voor de lezer die niet terugschrikt voor een flinke inspanning.
Citaten:
- De hele dag, in die wat al te landelijke behuizing die alleen maar een oord leek voor een middagslaapje tussen twee wandeltochten of tijdens een stortbui, een van die huizen waar iedere salon op een prieel lijkt, en waar, op het behangsel van de kamers, in de ene de tuinrozen, in de andere de boomvogels mee naar binnen zijn gekomen en je gezelschap houden - dat wil zeggen, los van elkaar - want het was oud behangsel waar iedere roos afzonderlijk genoeg op stond om als zij levend was geweest geplukt te kunnen worden, iedere vogel in een kooi te zetten en tam te maken zou zijn geweest, niet te vergelijken met die weidse wandbekledingen in de kamers van nu, waar, op een zilveren ondergrond, alle appelbomen van Normandië zich in Japanse stijl zijn gaan aftekenen om de uren die je in bed doorbrengt te begoochelen, - de hele dag bracht ik door in mijn kamer die uitzag op het mooie lover van het park en de seringen bij de ingang, op het groen gebladerte van de hoge bomen langs het water, glinsterend van zon, en op het bos van Méséglise.
- Zoals een landmeter die de dingen van hun merkbare eigenschappen ontdoet en niet dan hun lineaire substraat ziet, ontging mij wat de mensen vertelden, want wat mij interesseerde was niet wat zij wilden zeggen maar de manier waarop zij het zeiden, voor zover die iets verried over hun karakter of hun dwaze kanten; of liever, het was een object dat altijd meer in het bijzonder het oogmerk van mijn onderzoeking was geweest omdat het mij een specifiek genoegen verschafte, het punt van overeenkomst tussen de ene mens en de andere.
- Een generaal is als een schrijver die een bepaald stuk, een bepaald boek wil gaan maken, en die het boek zelf, met de onverwachte wegen die het nu eens opent, dan weer laat doodlopen, in hoge mate van het vooropgezette plan laat afwijken.
- De logica van de hartstocht, al dient die het stelligste recht, is nooit onweerlegbaar voor wie niet die hartstocht voelt.
- ... en het siert hem, dat hij schreef dat de kathedraal van Reims ons minder aan het hart ging dan het leven van onze soldaten. Een uitspraak waardoor het iets vrij belachelijks krijgt dat onze kranten zich kwaad maakten op de Duitse generaal die daar het bevel voerde en die zei dat de kathedraal van Reims hem minder waard was dan het leven van een Duits soldaat.
- Hij bleef maar mensen uit zijn familie of uit zijn wereld opsommen die er niet meer waren, niet zozeer, leek het, met de droefheid dat zij niet meer leefden als wel met de voldoening hen te overleven.
- ... immers om welke morele redenen hij het ook doen zou, de kunstenaar die een uur werken laat varen voor een uur praten met een vriend weet dat hij iets werkelijks opoffert voor iets dat niet bestaat.
- De impressie is voor de schrijver wat het experiment voor de geleerde is, met dit verschil dat bij de geleerde het werk van het verstand van tevoren geschiedt en bij de schrijver achteraf.
- Een werk waar theorieën in staan is als een voorwerp waaraan men het prijskaartje heeft laten hangen.
- ... besefte ik dat een groot schrijver dat essentiële boek, het enige ware boek, niet, in de gangbare betekenis, hoeft te bedenken aangezien het al in ieder van ons bestaat, maar het moet vertalen. De plicht en de taak van een schrijver zijn die van een vertaler.
- Want het instinctieve leven van het publiek ligt dichter bij het talent van een groot schrijver dat niets anders is dan een scrupuleus, in een aan al het andere opgelegde stilte beluisterd instinct, een geperfectioneerd en begrepen instinct, dan de woordenkraam en de wisselende maatstaven van de officiële beoordelaars.
- ... want stijl is voor de schrijver net zoals kleur voor de schilder een kwestie niet van techniek maar van zienswijze.
- De literator benijdt de schilder, hij zou graag schetsen, notities maken, hij is verloren als hij het doet. Maar wanneer hij schrijft is er van zijn personages geen gebaar, geen tic, geen stembuiging, of ze werden hem ingegeven door zijn geheugen, is er geen verzonnen naam of hij kan er zestig namen achter laten schuilgaan van personages die hij heeft gezien, en van wie de een model heeft gestaan voor de grijns, de ander voor de monocle, die en die voor de driftbui, die en die voor het flatteuze bewegen van de arm, enz.
- De schrijver zegt louter uit gewoonte, overgenomen van de onoprechte taal van voorwoorden en opdrachten: "mijn lezer". In werkelijkheid is iedere lezer wanneer hij leest de lezer van zichzelf. Het werk van de schrijver is niets anders dan een soort optisch instrument dat hij de lezer aanbiedt teneinde hem in staat te stellen te onderkennen wat hij zonder het boek misschien niet bij zichzelf zou hebben waargenomen. Het herkennen in zichzelf, door de lezer, van wat het boek zegt, bewijst de waarheid ervan, en vice versa, althans tot op zekere hoogte, aangezien het verschil in beider tekst vaak te wijten is, niet aan de auteur, maar aan de lezer.
- Trouwens de herinneringen die wij aan elkaar bewaren zijn, zelfs in de liefde, niet dezelfde. Ik had meegemaakt dat Albertine zich haarscherp een bepaalde uitlating van mij herinnerde die ik in de begintijd van onze ontmoetingen gedaan had en die ik volkomen was vergeten. Aan een ander feit, voorgoed in mijn hoofd geklonken als een steen, had zij geen enkele heugenis.
- Zelfs bij mij thuis zou ik in mijn werktijden geen mensen op bezoek laten komen, want de plicht om mijn oeuvre te schrijven ging boven de plicht om beleefd, of zelfs om een goed mens te zijn.
- ... iedereen wierp heimelijk op de persoon naast zich de verstolen blik die men aan deftige maaltijden, wanneer men een nieuw voorwerp voor zich heeft liggen, kreeftvorkje of suikerrasp, zonder te weten waar het toe dient en hoe je het hanteert, op een deskundiger disgenoot vestigt die er, zo hoopt men, eerst gebruik van zal maken en je zo de kans zal geven hem na te doen.
- Trouwens, aangezien in een boek de (al dan niet menselijke) eigenheden zijn opgebouwd uit velerlei indrukken die, ontleend aan menig jong meisje, menige kerk, menige sonate, gebruikt worden om er één sonate, één kerk, één meisje van te maken, zou ik mijn boek niet schrijven op de manier waarop Françoise dat door M. de Norpois geapprecieerde rundvlees in gelei stoofde, een gelei verrijkt door zoveel toegevoegde, welgekozen stukken vlees?
- En de herschepping door het geheugen van indrukken die vervolgens doorgrond, verhelderd, in equivalenten van het verstand omgezet moesten worden, was dat niet een van de voorwaarden, welhaast de essentie zelf van het kunstwerk zoals ik het mij daarnet in de bibliotheek had ingedacht?
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.