Lieve Joris: Mali blues (België, 1996): 313 blz: Uitgeverij Meulenhoff
"Mali
blues" bevat vier verhalen. Het eerste verhaal "Amadou" is al eerder
als een apart boekje uitgegeven en heb ik een paar dagen geleden
besproken. Het tweede verhaal "Sidi Boîte" beschrijft een reis per auto
over de woestijnweg door Mauritanië. In het derde verhaal "De man van
Sokolo" bezoekt Lieve Joris de vader van een Malinese vriend uit
Amsterdam. Het laatste en titelverhaal vertelt over een lang verblijf
van Lieve Joris bij de Malinese muzikant Boubacar Traoré, bijgenaamd Kar. Het is een prachtige bundel.
- "Zou hier een toilet zijn?"
"Jazeker, maar ik vrees het ergste."
Abdallah brengt me naar een ommuurd gat, met een roestig autoportier als deur.
"Niks aan de hand," zeg ik als ik terugkom en Sass zuinig zie kijken.
Maar hij lijkt niet overtuigd. "Leer mij de Mauretaanse toiletten kennen!"
- Zijn zelfverzekerdheid intrigeerde me. Wat had hem zo anders gemaakt? De vraag leek hem niet te verbazen. "Het komt door mijn vader, geloof ik." Die was meteoroloog en had veel gereisd, niet alleen in Afrika maar ook in Europa. Hij leerde zijn kinderen onafhankelijk te zijn. In het zwembad van hun huis in Bamako stond geen water en ze werden nooit met de auto naar school gebracht: het zwembad en de auto hoorden bij zijn werk en waren dus tijdelijk, legde hun vader uit. Hij wilde niet dat zijn kinderen aan zulk ongewis comfort gewend raakten.
-
Ik begin deze buurt in de schaduw van de berg al aardig te kennen. Daar
woont de Soninké zakenman met zijn vier vrouwen, verderop zit het meisje
dat plastic emmers en zelfs kalebassen verstelt met naald en draad.
Veel mensen hebben winkeltjes voor hun huis. Ze bakken bananen en
oliebollen voor passanten of hebben een etalage - een houten
uitstalbak met sigaretten, lucifers en kauwgom. Ambulante kleermakers
doorkruisen de buurt met een naaimachine op hun hoofd en knippen met hun
schaar om de aandacht te trekken. Het is het uur voor zonsondergang en
de hele buurt is gespannen. De speelgoedman loopt behangen als een
kerstboom langs de huizen en piept met een gifgroene plastic krokodil om
kinderen te lokken.
- "Een oude Afrikaan die sterft is een bibliotheek die in vlammen opgaat," heeft Hampâté Bâ eens gezegd.
- Zoals altijd weer verwondert het me hoe makkelijk Afrikanen materiële verschillen aanvaarden. Hier zitten wij, met een taxi-brousse met hopeloos versleten banden, en daar schuift een surrealistische praalwagen met vermogende blanken voorbij, en niemand die er wat van zegt. Blanken hebben nu eenmaal alles.
- Ik dacht dat ik klaar was. Nog één keer wilde ik een blik werpen op dit landschap. Maar sinds vanmiddag weet ik het niet meer. Boubacar Traoré. Maandenlang al luister ik naar zijn droevige muziek. Zo verschillend van de Zaïrese popmuziek die over dit continent spoelt dat ik bijna verbaasd was dat hij zijn weg naar een Engelse platenmaatschappij had weten te vinden.
- Ik zou verder willen vragen, maar hij praat eroverheen. In Parijs woonde hij in een foyer - pension met andere Afrikaanse immigranten. De Zaïrezen onder hen weigerden stelselmatig een metrokaartje te kopen. Ze zeiden dat al het staal van de Franse treinen uit Zaïre kwam - waarom zouden zij dan betalen!
- Omdat hij van zijn muziek niet kon leven, heeft hij allerlei baantjes gehad. Hij is niet vervreemd van de onderkant van de samenleving, zoals veel intellectuelen in dit land. Hij koopt alles in kleine winkeltjes in de buurt van zijn huis. Twee sigaretten, een piepklein zakje Nescafé, vijftig gram melkpoeder, twee kaarsen. De hete oortjes van zijn pannen pakt hij beet met opgevouwen reclamefolders van Radio Nederland die een journalist hem ooit stuurde. Als hij een kaars aansteekt, doet hij er suiker op. Dan brandt ze langer.
- Als hij nog een vliegtuig hoort, fronst hij zijn wenkbrauwen. "Dat is niet op tijd. Zeker een wouya-wouya vliegtuig uit Mauretanië." Wouya-wouya - het is zijn gevleugelde uitdrukking voor alles wat niet deugt.
-
"... Want de blanke had gelijk: geen zwarte heeft ooit een fabriek
ontworpen, zelfs geen doosje lucifers." Hij lacht. "Modibo Keita zei dat
we onze eigen lucifers zouden maken, eh bien, dat hebben we
geweten! Als je die aanstak, moest je de brandweer roepen!
Takala-lucifers - geen Malinees vergeet die naam. Je moest ze een flink
eind van je afhouden als je een sigaret wilde opsteken, anders stond je
haar in brand. Soms ontvlamden ze spontaan in je broekzak. Hoeveel
huizen er niet zijn afgebrand door Takala-lucifers! Het werd zo erg dat
je niet meer in een taxi mocht stappen als je ze bij je had. Er kwamen
ook Malinese sigaretten op de markt waar je ontzettend van moest
hoesten. Liberté heetten ze, maar ze waren al vlug beter bekend onder de
naam ezelsstront."
- De afstand Bamako-Bayes is minder dan vijfhonderd kilometer. Een Franse TGV doet daar volgens Kar twee uur over, maar met deze wouya-wouya dieseltrein arriveren we met enig geluk binnen tien uur, want hij rijdt in een sukkelgangetje en stopt om de haverklap. Telkens als we een stationnetje naderen, zien we vrouwen uit de omliggende heuvels naar beneden rennen, manden met koopwaar op het hoofd. Bezweet defileren ze langs de wagons met mango's, bananen en sandwiches. Enkele minuten, en dan is het magische moment van de dag voorbij. Kar speurt het perron af naar mogelijke koopjes. Tevreden hijst hij een grote zak maniok naar binnen; dat hebben ze in Kayes niet.
- "Wie in Kayes een ijskast heeft, is rijk," zegt Kar terwijl hij de inhoud van de ijskast inspecteert, "want die kan frisdrank en ijswater verkopen."
- Ik luister, ik laat hem praten. Sinds ik tien jaar geleden voor het eerst in Afrika was, heb ik verhalen gehoord over mensen die zichzelf in krokodillen, apen of kakkerlakken veranderen en er 's nachts op uit trekken om hun dorpsgenoten de stuipen op het lijf te jagen.
- Een uitspraak van V.S. Naipaul hamert almaar door mijn hoofd: "Ze zijn anders dan wij, ze geloven in magie." Indertijd hoorde ik die woorden met enige scepsis aan, nu zijn ze me bijna tot troost.
- Zodra het begint te regenen in Lafiabougou zie je niemand meer op straat, want de mensen hebben geen regenjassen en ook geen schoenen. Ze wachten tot het droog is en banjeren dan met plastic slippers door de modder.
-
Mamou ging naar een maraboet. Die zorgde ervoor dat ze haar
schoonmoeder langzaam maar zeker in haar macht kreeg. "Een maraboet die
erop toeziet dat het goed met je gaat, is heel moeilijk te vinden, maar
kwaad aanrichten, dat kan de eerste de beste!"