Posts tonen met het label Mali. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mali. Alle posts tonen

woensdag 20 november 2024

Lieve Joris: Mijn Afrikaanse telefooncel

Lieve Joris: Mijn Afrikaanse telefooncel (België, 2010): 158 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
"Mijn Afrikaanse telefooncel" is alweer het twaalfde boek van Lieve Joris dat ik heb herlezen en besproken. Het is een dun boekje, het telt 11 verhalen uit de periode van 1982 tot 1998, die allen gaan over gebieden waar Lieve Joris het meest mee heeft, natuurlijk Afrika en verder ook het Midden-Oosten en Oost-Europa. Het mooiste verhaal van het boek, vind ik dat over haar bezoek aan Ryszard Kapuściński in Polen. Binnen het oeuvre van Lieve Joris is "Mijn Afrikaanse telefooncel" een tussendoortje, wel prima te lezen natuurlijk.
 
Citaten:
- Langs de hoofdstraat van Kokry, tegenover de markt en ingeklemd tussen twee winkeltjes, lag Bina's telefooncel: een lemen raamloos vertrek met een ijzeren deur waarboven een pas geverfd bord hing. Cabine téléphonique Lieve. Bina lachte om mijn verbazing. Ik was naar Markala gekomen om hem te troosten toen hij terneergeslagen was, ik was met hem naar de hoofdstad gereisd toen hij zijn eerste aanbetaling ging doen - Rose en hij hadden besloten dat de telefooncel mijn naam zou dragen.
 
- "Natuurlijk heeft hij gelijk, maar is dit soms een normaal land? Als ik in Oeganda woonde, zou ik graag belasting betalen, want daar zijn de wegen geasfalteerd, daar weet je waar je geld naartoe gaat. Je zou een Oegandese ambtenaar trouwens niet durven om te kopen, want misschien werkt hij wel voor de staatsveiligheidsdienst en president Museveni is geen doetje. Maar de Congolese douane wordt nog steeds niet betaald, dus als ik met honderd vaten benzine uit Kenia kom, registreert de douane er tien en maken we een deal over de rest van de invoerrechten, volgens het adagium van Mobutu: Koyiba ndambo, kotika ndambo. Steel een deel, laat een deel." Salumu lachte schamper. "Zolang de staat niets voor mij doet, doe ik alles zigzag. Als handelaar komt dat me goed uit, maar voor het land is het natuurlijk slecht."

- Voorzichtig liep ik naast hen door de duisternis, vloekend op mijn zaklamp, die al aardig aan het afrikaniseren was: ze deed het alleen nog als ik er flink op sloeg.

- Salumu keek hen peinzend na. Vissers waren net zulke sloebers als diamantdelvers, zei hij: altijd arm en altijd dronken. Zij werkten, maar een ander ging er met het geld vandoor. "Het zijn baantjes voor bedriegers. Ik lieg tegen de jongen die diamanten voor me zoekt, de Libanees die mijn diamanten opkoopt liegt tegen mij, en wordt op zijn beurt bedrogen door de Belg in Antwerpen aan wie hij zijn diamanten verkoopt."

- Tegen de avond naderden we Bunia. Plotseling keek Tshekende verrast uit zijn raam. Er rolde een wiel voorbij, met alles erop en eraan. God is goed, dacht hij een fractie van een seconde, een wiel, dat is precies wat ik nodig heb, daar is hier al maanden een schrijnend gebrek aan. Het volgende moment kwamen we met een schok tot stilstand. Het was ons eigen linkervoorwiel dat de straat op was gerold. Mijn hoofd suisde van verbazing. Ik begreep niet hoe zoiets mogelijk was, maar niemand keek ervan op. Sommige passagiers stapten uit en liepen naar voren om de schade op te nemen.

- De volgende dagen loop ik soms door het kleine Bombay dat Rashids landgenoten in Dar es Salaam geschapen hebben. Er hangt een doordringende geur van kruiden, Zaïrese popmuziek schettert dwars door de zangerige Indiase liedjes heen. De Indiërs hebben er hun eigen moskeeën, ziekenhuizen en restaurants, zoals in veel Afrikaanse steden. Ze behoren tot een bevolkingsgroep die door het hele continent opgejaagd wordt. Het gaat hun te goed, ze wekken jaloezie op. Amin verdreef hen uit Oeganda, Mobutu kortwiekte hen in Zaïre. Maar hun veerkracht is legendarisch: ze gaan niet weg, verhuizen hoogstens van het ene land naar het andere. Vaak beginnen ze na enige tijd op dezelfde plaats opnieuw.

- De eigenaar van Hôtel de la Poste liet me de dakkamer zonder veel enthousiasme zien. Een bed en een stoel stonden er, meer niet. Het waaide er vervaarlijk, zei hij, wijzend naar de glazen deur die door een windstoot aan diggelen was gegaan. Maar ik stond al weg te dromen voor het raam, dat een grandioos uitzicht bood op de rivier de Senegal. Het terras keek uit over de daken van Saint-Louis en in de verte glinsterde de Atlantische Oceaan.
 Diezelfde dag nog sleepte het hotelpersoneel een bureau naar boven. De Libanese winkelier om de hoek leende me een ijskast, vrienden gaven me een gasstel, van een Mauritiaans tapijt en kussens maakte ik een zithoek, een vriendin bracht me een stel kleurrijke panen waarmee ik mijn meubeltjes bedekte. Ik liet een poster inlijsten van de Malinese zanger Boubacar Traoré, over wie ik aan het schrijven was, en hing die aan de kale muur. Mijn kamer was klaar.

- Het hele centrum van Warschau is vol oude vrouwen, gewapend met boodschappentassen. "Dat is het echte einde van de oorlog," zegt Kapuściński. De meesten hebben geen enkel familielid meer. Ze zijn hier na de oorlog neergestreken en gaan niet weg. "Dit is een land van weduwen, want Poolse mannen sterven doorgaans rond hun vijfenvijftigste aan een hartaanval." Altijd als hij bij de dokter komt zit de wachtkamer vol vrouwen, zij zorgen beter voor zichzelf.

- Zelf woont hij met zijn vrouw in een flat aan de rand van de stad. Tijdens de staat van beleg zag hij de oude mensen in zijn buurt opleven. Ze kregen een nieuwe functie: zij waren de enigen die tijd hadden om in de rij te staan. Tegen betaling deden ze boodschappen voor de hele buurt. Zij wisten waar en wanneer er vlees zou aankomen, waar je lampen kon krijgen, een tv of wasmachine. "Zij zijn vóór deze regering," zegt hij, "want die heeft hun leven weer zin gegeven."

- "... Laatst vroegen ze op de radio aan een jong meisje waarom ze een kind wilde. "Omdat dat het enige is dat ik kan krijgen," zei ze"

- Op een avond gaan we naar een restaurant. Het is pas zes uur, maar de ober komt vertellen dat ze gaan sluiten. Problemen met de elektriciteit. Op weg naar de auto maak ik er een opmerking over. Hoe kan zoiets gebeuren? Ineens valt hij uit, gekweld. Die westerlingen altijd met hun stomme vragen! Waarom zijn er niet genoeg taxi's, waarom komen de treinen niet op tijd, waarom is er geen toiletpapier? Voor alles moet hij zich verontschuldigen.

- Eén keer bleef Kapuściński drie jaar achter elkaar in Afrika. "Weet je wat mijn vader zei toen ik terugkwam?" Hij kijkt me van terzijde aan. ""Warm daar, hè?" Verder niets, geen woord."

- Nu en dan vraagt Kapuściński naar zijn eigen boeken. Van sommige heeft hij zelf geen enkel exemplaar meer. Maar hij vindt er geen. "Een goed boek zie je hier nooit in de etalage liggen," zegt hij, "mensen horen er alleen maar over, een boekhandelaar reserveert het voor zijn beste klanten." toen zijn eerste boek in 1962 uitkwam was hij doodongelukkig, want het lag in stapels op de toonbank.

- In een winkel zijn we getuige van een felle discussie. Een klant vraagt of er vulpennen zijn. De winkelierster valt uit. Ooit waren er vulpennen, zegt ze. Zodra mensen hoorden dat ze aangekomen waren, stonden ze vanaf vijf uur 's ochtends in de rij. Sommigen kochten er vijf, anderen tien. In één ochtend waren alle pennen op. Sindsdien komt iedereen om vulpennen vragen. "Ik bestel ze nooit meer," zegt de vrouw, "want ze sturen er altijd te weinig. Ik krijg er alleen maar gedonder mee."

- "... Een volk kan niet eeuwig vechten," zegt hij, "het moet nu en dan op adem kunnen komen. Dit is een tijd van rust, een tijd om je huis op te knappen, een gezin te stichten, te discussiëren, koffie te drinken in een café." Een flauwe glimlach glijdt over zijn lippen als hij eraan toevoegt: "Een tijd om vulpennen te kopen."

- Szabolcs is al met zijn tweedehandskleren naar het familiecentrum getrokken dat hij hier heeft opgezet. "Voor de Hongaarse intellectueel zijn er twee wegen," zei hij vanochtend met een bitter lachje, "de ene is de alcohol, de andere loopt dood."
 
- Hij sympathiseert met een van de nieuwe oppositiepartijen in de hoofdstad, vertrouwt hij me toe. Zijn vader is een fanatieke communist, van hem heeft hij geleerd hoe het niet moet. "Als we tegenwoordig met elkaar praten, is het alsof er twee tv-stations tegelijk aanstaan."
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

zaterdag 9 november 2024

Lieve Joris: Mali blues

Lieve Joris: Mali blues (België, 1996): 313 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
"Mali blues" bevat vier verhalen. Het eerste verhaal "Amadou" is al eerder als een apart boekje uitgegeven en heb ik een paar dagen geleden besproken. Het tweede verhaal "Sidi Boîte" beschrijft een reis per auto over de woestijnweg door Mauritanië. In het derde verhaal "De man van Sokolo" bezoekt Lieve Joris de vader van een Malinese vriend uit Amsterdam. Het laatste en titelverhaal vertelt over een lang verblijf van Lieve Joris bij de Malinese muzikant Boubacar Traoré, bijgenaamd Kar. Het is een prachtige bundel.
 
Citaten:
- "Zou hier een toilet zijn?" 
 "Jazeker, maar ik vrees het ergste."
 Abdallah brengt me naar een ommuurd gat, met een roestig autoportier als deur.
 "Niks aan de hand," zeg ik als ik terugkom en Sass zuinig zie kijken.
 Maar hij lijkt niet overtuigd. "Leer mij de Mauretaanse toiletten kennen!"

- Zijn zelfverzekerdheid intrigeerde me. Wat had hem zo anders gemaakt? De vraag leek hem niet te verbazen. "Het komt door mijn vader, geloof ik." Die was meteoroloog en had veel gereisd, niet alleen in Afrika maar ook in Europa. Hij leerde zijn kinderen onafhankelijk te zijn. In het zwembad van hun huis in Bamako stond geen water en ze werden nooit met de auto naar school gebracht: het zwembad en de auto hoorden bij zijn werk en waren dus tijdelijk, legde hun vader uit. Hij wilde niet dat zijn kinderen aan zulk ongewis comfort gewend raakten.
 
- Ik begin deze buurt in de schaduw van de berg al aardig te kennen. Daar woont de Soninké zakenman met zijn vier vrouwen, verderop zit het meisje dat plastic emmers en zelfs kalebassen verstelt met naald en draad. Veel mensen hebben winkeltjes voor hun huis. Ze bakken bananen en oliebollen voor passanten of hebben een etalage - een houten uitstalbak met sigaretten, lucifers en kauwgom. Ambulante kleermakers doorkruisen de buurt met een naaimachine op hun hoofd en knippen met hun schaar om de aandacht te trekken. Het is het uur voor zonsondergang en de hele buurt is gespannen. De speelgoedman loopt behangen als een kerstboom langs de huizen en piept met een gifgroene plastic krokodil om kinderen te lokken.
 
- "Een oude Afrikaan die sterft is een bibliotheek die in vlammen opgaat," heeft Hampâté Bâ eens gezegd.
 
- Zoals altijd weer verwondert het me hoe makkelijk Afrikanen materiële verschillen aanvaarden. Hier zitten wij, met een taxi-brousse met hopeloos versleten banden, en daar schuift een surrealistische praalwagen met vermogende blanken voorbij, en niemand die er wat van zegt. Blanken hebben nu eenmaal alles.

- Ik dacht dat ik klaar was. Nog één keer wilde ik een blik werpen op dit landschap. Maar sinds vanmiddag weet ik het niet meer. Boubacar Traoré. Maandenlang al luister ik naar zijn droevige muziek. Zo verschillend van de Zaïrese popmuziek die over dit continent spoelt dat ik bijna verbaasd was dat hij zijn weg naar een Engelse platenmaatschappij had weten te vinden.

- Ik zou verder willen vragen, maar hij praat eroverheen. In Parijs woonde hij in een foyer - pension met andere Afrikaanse immigranten. De Zaïrezen onder hen weigerden stelselmatig een metrokaartje te kopen. Ze zeiden dat al het staal van de Franse treinen uit Zaïre kwam - waarom zouden zij dan betalen!

- Omdat hij van zijn muziek niet kon leven, heeft hij allerlei baantjes gehad. Hij is niet vervreemd van de onderkant van de samenleving, zoals veel intellectuelen in dit land. Hij koopt alles in kleine winkeltjes in de buurt van zijn huis. Twee sigaretten, een piepklein zakje Nescafé, vijftig gram melkpoeder, twee kaarsen. De hete oortjes van zijn pannen pakt hij beet met opgevouwen reclamefolders van Radio Nederland die een journalist hem ooit stuurde. Als hij een kaars aansteekt, doet hij er suiker op. Dan brandt ze langer.

- Als hij nog een vliegtuig hoort, fronst hij zijn wenkbrauwen. "Dat is niet op tijd. Zeker een wouya-wouya vliegtuig uit Mauretanië." Wouya-wouya - het is zijn gevleugelde uitdrukking voor alles wat niet deugt.

- "... Want de blanke had gelijk: geen zwarte heeft ooit een fabriek ontworpen, zelfs geen doosje lucifers." Hij lacht. "Modibo Keita zei dat we onze eigen lucifers zouden maken, eh bien, dat hebben we geweten! Als je die aanstak, moest je de brandweer roepen! Takala-lucifers - geen Malinees vergeet die naam. Je moest ze een flink eind van je afhouden als je een sigaret wilde opsteken, anders stond je haar in brand. Soms ontvlamden ze spontaan in je broekzak. Hoeveel huizen er niet zijn afgebrand door Takala-lucifers! Het werd zo erg dat je niet meer in een taxi mocht stappen als je ze bij je had. Er kwamen ook Malinese sigaretten op de markt waar je ontzettend van moest hoesten. Liberté heetten ze, maar ze waren al vlug beter bekend onder de naam ezelsstront."

- De afstand Bamako-Bayes is minder dan vijfhonderd kilometer. Een Franse TGV doet daar volgens Kar twee uur over, maar met deze wouya-wouya dieseltrein arriveren we met enig geluk binnen tien uur, want hij rijdt in een sukkelgangetje en stopt om de haverklap. Telkens als we een stationnetje naderen, zien we vrouwen uit de omliggende heuvels naar beneden rennen, manden met koopwaar op het hoofd. Bezweet defileren ze langs de wagons met mango's, bananen en sandwiches. Enkele minuten, en dan is het magische moment van de dag voorbij. Kar speurt het perron af naar mogelijke koopjes. Tevreden hijst hij een grote zak maniok naar binnen; dat hebben ze in Kayes niet.

- "Wie in Kayes een ijskast heeft, is rijk," zegt Kar terwijl hij de inhoud van de ijskast inspecteert, "want die kan frisdrank en ijswater verkopen."

- Ik luister, ik laat hem praten. Sinds ik tien jaar geleden voor het eerst in Afrika was, heb ik verhalen gehoord over mensen die zichzelf in krokodillen, apen of kakkerlakken veranderen en er 's nachts op uit trekken om hun dorpsgenoten de stuipen op het lijf te jagen.

- Een uitspraak van V.S. Naipaul hamert almaar door mijn hoofd: "Ze zijn anders dan wij, ze geloven in magie." Indertijd hoorde ik die woorden met enige scepsis aan, nu zijn ze me bijna tot troost.

- Zodra het begint te regenen in Lafiabougou zie je niemand meer op straat, want de mensen hebben geen regenjassen en ook geen schoenen. Ze wachten tot het droog is en banjeren dan met plastic slippers door de modder.

- Mamou ging naar een maraboet. Die zorgde ervoor dat ze haar schoonmoeder langzaam maar zeker in haar macht kreeg. "Een maraboet die erop toeziet dat het goed met je gaat, is heel moeilijk te vinden, maar kwaad aanrichten, dat kan de eerste de beste!"

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.