Lieve Joris: Mijn Afrikaanse telefooncel (België, 2010): 158 blz: Uitgeverij Augustus
"Mijn
Afrikaanse telefooncel" is alweer het twaalfde boek van Lieve Joris dat
ik heb herlezen en besproken. Het is een dun boekje, het telt 11
verhalen uit de periode van 1982 tot 1998, die allen gaan over gebieden
waar Lieve Joris het meest mee heeft, natuurlijk Afrika en verder ook
het Midden-Oosten en Oost-Europa. Het mooiste verhaal van het boek, vind
ik dat over haar bezoek aan Ryszard Kapuściński in Polen. Binnen het
oeuvre van Lieve Joris is "Mijn Afrikaanse telefooncel" een
tussendoortje, wel prima te lezen natuurlijk.
- Langs de hoofdstraat van Kokry, tegenover de markt en ingeklemd tussen twee winkeltjes, lag Bina's telefooncel: een lemen raamloos vertrek met een ijzeren deur waarboven een pas geverfd bord hing. Cabine téléphonique Lieve. Bina lachte om mijn verbazing. Ik was naar Markala gekomen om hem te troosten toen hij terneergeslagen was, ik was met hem naar de hoofdstad gereisd toen hij zijn eerste aanbetaling ging doen - Rose en hij hadden besloten dat de telefooncel mijn naam zou dragen.
-
"Natuurlijk heeft hij gelijk, maar is dit soms een normaal land? Als ik
in Oeganda woonde, zou ik graag belasting betalen, want daar zijn de
wegen geasfalteerd, daar weet je waar je geld naartoe gaat. Je zou een
Oegandese ambtenaar trouwens niet durven om te kopen, want misschien
werkt hij wel voor de staatsveiligheidsdienst en president Museveni is
geen doetje. Maar de Congolese douane wordt nog steeds niet betaald, dus
als ik met honderd vaten benzine uit Kenia kom, registreert de douane
er tien en maken we een deal over de rest van de invoerrechten, volgens
het adagium van Mobutu: Koyiba ndambo, kotika ndambo. Steel een
deel, laat een deel." Salumu lachte schamper. "Zolang de staat niets
voor mij doet, doe ik alles zigzag. Als handelaar komt dat me goed uit,
maar voor het land is het natuurlijk slecht."
-
Voorzichtig liep ik naast hen door de duisternis, vloekend op mijn
zaklamp, die al aardig aan het afrikaniseren was: ze deed het alleen nog
als ik er flink op sloeg.
-
Salumu keek hen peinzend na. Vissers waren net zulke sloebers als
diamantdelvers, zei hij: altijd arm en altijd dronken. Zij werkten, maar
een ander ging er met het geld vandoor. "Het zijn baantjes voor
bedriegers. Ik lieg tegen de jongen die diamanten voor me zoekt, de
Libanees die mijn diamanten opkoopt liegt tegen mij, en wordt op zijn
beurt bedrogen door de Belg in Antwerpen aan wie hij zijn diamanten
verkoopt."
- Tegen de avond naderden we Bunia. Plotseling keek Tshekende verrast uit zijn raam. Er rolde een wiel voorbij, met alles erop en eraan. God is goed, dacht hij een fractie van een seconde, een wiel, dat is precies wat ik nodig heb, daar is hier al maanden een schrijnend gebrek aan. Het volgende moment kwamen we met een schok tot stilstand. Het was ons eigen linkervoorwiel dat de straat op was gerold. Mijn hoofd suisde van verbazing. Ik begreep niet hoe zoiets mogelijk was, maar niemand keek ervan op. Sommige passagiers stapten uit en liepen naar voren om de schade op te nemen.
- De volgende dagen loop ik soms door het kleine Bombay dat Rashids landgenoten in Dar es Salaam geschapen hebben. Er hangt een doordringende geur van kruiden, Zaïrese popmuziek schettert dwars door de zangerige Indiase liedjes heen. De Indiërs hebben er hun eigen moskeeën, ziekenhuizen en restaurants, zoals in veel Afrikaanse steden. Ze behoren tot een bevolkingsgroep die door het hele continent opgejaagd wordt. Het gaat hun te goed, ze wekken jaloezie op. Amin verdreef hen uit Oeganda, Mobutu kortwiekte hen in Zaïre. Maar hun veerkracht is legendarisch: ze gaan niet weg, verhuizen hoogstens van het ene land naar het andere. Vaak beginnen ze na enige tijd op dezelfde plaats opnieuw.
- De eigenaar van Hôtel de la Poste liet me de dakkamer zonder veel enthousiasme zien. Een bed en een stoel stonden er, meer niet. Het waaide er vervaarlijk, zei hij, wijzend naar de glazen deur die door een windstoot aan diggelen was gegaan. Maar ik stond al weg te dromen voor het raam, dat een grandioos uitzicht bood op de rivier de Senegal. Het terras keek uit over de daken van Saint-Louis en in de verte glinsterde de Atlantische Oceaan.
Diezelfde dag nog sleepte het hotelpersoneel een bureau naar boven. De Libanese winkelier om de hoek leende me een ijskast, vrienden gaven me een gasstel, van een Mauritiaans tapijt en kussens maakte ik een zithoek, een vriendin bracht me een stel kleurrijke panen waarmee ik mijn meubeltjes bedekte. Ik liet een poster inlijsten van de Malinese zanger Boubacar Traoré, over wie ik aan het schrijven was, en hing die aan de kale muur. Mijn kamer was klaar.
- Het hele centrum van Warschau is vol oude vrouwen, gewapend met boodschappentassen. "Dat is het echte einde van de oorlog," zegt Kapuściński. De meesten hebben geen enkel familielid meer. Ze zijn hier na de oorlog neergestreken en gaan niet weg. "Dit is een land van weduwen, want Poolse mannen sterven doorgaans rond hun vijfenvijftigste aan een hartaanval." Altijd als hij bij de dokter komt zit de wachtkamer vol vrouwen, zij zorgen beter voor zichzelf.
- Zelf woont hij met zijn vrouw in een flat aan de rand van de stad. Tijdens de staat van beleg zag hij de oude mensen in zijn buurt opleven. Ze kregen een nieuwe functie: zij waren de enigen die tijd hadden om in de rij te staan. Tegen betaling deden ze boodschappen voor de hele buurt. Zij wisten waar en wanneer er vlees zou aankomen, waar je lampen kon krijgen, een tv of wasmachine. "Zij zijn vóór deze regering," zegt hij, "want die heeft hun leven weer zin gegeven."
- "... Laatst vroegen ze op de radio aan een jong meisje waarom ze een kind wilde. "Omdat dat het enige is dat ik kan krijgen," zei ze"
-
Op een avond gaan we naar een restaurant. Het is pas zes uur, maar de
ober komt vertellen dat ze gaan sluiten. Problemen met de elektriciteit.
Op weg naar de auto maak ik er een opmerking over. Hoe kan zoiets
gebeuren? Ineens valt hij uit, gekweld. Die westerlingen altijd met hun
stomme vragen! Waarom zijn er niet genoeg taxi's, waarom komen de
treinen niet op tijd, waarom is er geen toiletpapier? Voor alles moet
hij zich verontschuldigen.
-
Eén keer bleef Kapuściński drie jaar achter elkaar in Afrika. "Weet je
wat mijn vader zei toen ik terugkwam?" Hij kijkt me van terzijde aan.
""Warm daar, hè?" Verder niets, geen woord."
-
Nu en dan vraagt Kapuściński naar zijn eigen boeken. Van sommige heeft
hij zelf geen enkel exemplaar meer. Maar hij vindt er geen. "Een goed
boek zie je hier nooit in de etalage liggen," zegt hij, "mensen horen er
alleen maar over, een boekhandelaar reserveert het voor zijn beste
klanten." toen zijn eerste boek in 1962 uitkwam was hij doodongelukkig,
want het lag in stapels op de toonbank.
- In een winkel zijn we getuige van een felle discussie. Een klant vraagt of er vulpennen zijn. De winkelierster valt uit. Ooit waren er vulpennen, zegt ze. Zodra mensen hoorden dat ze aangekomen waren, stonden ze vanaf vijf uur 's ochtends in de rij. Sommigen kochten er vijf, anderen tien. In één ochtend waren alle pennen op. Sindsdien komt iedereen om vulpennen vragen. "Ik bestel ze nooit meer," zegt de vrouw, "want ze sturen er altijd te weinig. Ik krijg er alleen maar gedonder mee."
- "... Een volk kan niet eeuwig vechten," zegt hij, "het moet nu en dan op adem kunnen komen. Dit is een tijd van rust, een tijd om je huis op te knappen, een gezin te stichten, te discussiëren, koffie te drinken in een café." Een flauwe glimlach glijdt over zijn lippen als hij eraan toevoegt: "Een tijd om vulpennen te kopen."
- Szabolcs is al met zijn tweedehandskleren naar het familiecentrum getrokken dat hij hier heeft opgezet. "Voor de Hongaarse intellectueel zijn er twee wegen," zei hij vanochtend met een bitter lachje, "de ene is de alcohol, de andere loopt dood."
-
Hij sympathiseert met een van de nieuwe oppositiepartijen in de
hoofdstad, vertrouwt hij me toe. Zijn vader is een fanatieke communist,
van hem heeft hij geleerd hoe het niet moet. "Als we tegenwoordig met
elkaar praten, is het alsof er twee tv-stations tegelijk aanstaan."