Posts tonen met het label Centraal-Amerika. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Centraal-Amerika. Alle posts tonen

maandag 30 september 2024

Carolijn Visser: Een tuin in de tropen

Carolijn Visser: Een tuin in de tropen (Nederland, 2005): 62 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
In "Een tuin in de tropen" wordt beschreven hoe een vrouw van in de vijftig terugkeert naar Costa Rica waar ze vroeger een aantal jaren heeft gewoond met haar toenmalige echtgenoot. Ze kan zich herinneren hoe ze daar een enorme tuin had waar ze van alles liet groeien.

Je zou het boekje kunnen afdoen als een slap verhaaltje. Inhoudelijk is het inderdaad misschien niet zo bijzonder, maar de ingetogen trefzekere stijl maakt het tot een novelle die zeer prettig is om te lezen. Heel anders dan de andere boeken van Carolijn Visser maar zeker de moeite waard.
 
Citaten:
- Het was nog donker toen ik wakker schrok van een schorre stem. "Estoy aqui! Estoy aqui! Ik ben hier!" Ik knipte het licht naast mijn hoofd aan, maar er was niemand in mijn kamer. Buiten voor het raam werd geroepen, ik kon de aftershave van een man ruiken. Luiken werden opengetrokken, vrachtwagens draaiden de straat in.
 Ik stond op en zag in de bundel van een koplamp hoe jonge mannen dozen en kratten uitlaadden. Het was marktdag vandaag. Of misschien was het hier wel altijd markt.

- Mijn man, mijn twee zoons en onze voortdurend wisselende knechten hadden altijd zoveel honger dat die niet te stillen leek. Ik gaf ze rijst en bonen, maar ook zelf gekweekte groenten. Vijf verschillende soorten hete pepers had ik in de tuin staan, uien, paprika's, avocado's. Ik koesterde mijn moestuin. Fruitbomen had ik ook, bananen, mango's en papaya's met hun stammen en bladeren van fluweel.

- Ik had geen spijt dat ik hem verlaten had. Maar het tropische schiereiland waar we hadden gewoond was de afgelopen tien jaar geen dag uit mijn gedachten geweest. Zou het waar zijn dat je meer kunt houden van een bepaalde plek dan van een man?

- In Australië had ik bijna een jaar lang met Bruce in een eenzaam huis vlak bij zee gewoond. Ik bracht mijn dagen door zoals op de finca met wassen, koken en mijn groentetuin. Bruce had me geholpen die aan te leggen. In het midden een hoog bed met verschillende soorten sla, komkommers en pompoenen. Daaromheen kleinere bedden met kruiden, en een heleboel verschillende pepertjes. Daar maakte ik sambal van die ik op een wekelijkse markt verkocht.

- Volgens Marcus hadden computers één groot voordeel. Als je geen trek in ze had, kon je de stekker eruit trekken. Was dat bij mensen ook maar zo!

- Ik dacht dat hij wel los zou komen als ik geduldig wachtte en veel voor hem overhad. Want mensen zijn net planten volgens mij, je hebt er die overal gedijen en geen zorg nodig hebben: paardenbloemen zeg maar. Een man als Bruce was meer een cactus, die bloeit alleen onder bijzondere omstandigheden. Maar als je steeds maar aandacht geeft en je ziet niet eens een knop ontstaan, word je moedeloos.

Patrick:
- "En bij volle maan ga ik op krokodillenjacht." In zijn tuin had hij een kajak liggen waarmee hij bij springtij de rivier op voer. De krokodillen dreven daar rond in zulke aantallen dat je ze voor het uitzoeken had. Als hij er een geschoten had, legde hij hem over de punt van zijn kajak en zo peddelde hij naar huis. De volgende dag stond er krokodil op het menu van het plaatselijke restaurant.

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

dinsdag 17 september 2024

Carolijn Visser: De kapers van Miskitia

Carolijn Visser: De kapers van Miskitia (Nederland, 1997): 249 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
"De kapers van Miskitia" is het verslag van een lang verblijf van Carolijn en haar Australische echtgenoot Wayne in Nicaragua. Het grootste deel van de tijd verbleven ze tussen de Miskita-indianen die in kleine dorpjes aan de kust leven. Een geweldig reisverslag!
 
Citaten:
- Hotel PEREZ was een blauw houten gebouw aan de ongeplaveide hoofdstraat van Puerto Cabezas. Op de begane grond werd tweedehandskleding uit de Verenigde Staten verkocht; ropa Americana werd dat genoemd. Grauwgewassen hemden, blouses en jurken hingen aan grote rekken binnen in het stoffige halfduister. 's Morgens werden de houten deuren geopend, ramen had de winkel niet. Het hotel was keurig onderhouden en geverfd, maar door die treurige handel beneden kreeg het een armoedig aanzien. Mevrouw Perez had me verteld dat het zinloos was nieuwe spullen aan te bieden, niemand in Puerto Cabezas had geld.

- Onder de toehoorders bevond zich een groot aantal internationalistas, buitenlandse supporters van het sandinistische regime; veel Nederlanders, maar ook Zweden, Duitsers en Amerikanen. Je hoorde ze trots vertellen dat een van de sandinistische kopstukken iets tegen ze had gezegd of dat een of andere commandante hun een lift had aangeboden in zijn militaire jeep. Dat waren gebeurtenissen, kreeg je de indruk, die ze hun hele leven niet zouden vergeten.

- Ik knikte, want ik kende wel meer mensen die leefden met de bijbel. In Puerto Cabezas was ik bevriend geraakt met Peter, uit Californië, en zijn Britse vrouw Emma. Ze woonden vlak bij hotel Perez en waren lid van een evangelische kerk. Er waren meer Amerikaanse evangelisten neergestreken in het stadje. Ik trok met ze op, maar over religie sprak ik niet met ze. Dat was ik van huis uit zo gewend. Mijn ouders hadden geen geloof, maar onze buren, in Zeeland, waren streng in de leer. Op zondag, als wij in bikini in de tuin zaten te zonnen, gingen zij in het zwart gekleed ter kerke, de vrouwen en de meisjes met hoeden op. Op de dag des Heren groetten wij elkaar niet, dat was stilzwijgend zo afgesproken. Die dag brachten wij door op verschillende planeten. Ik vond dat niet erg, 's maandags mocht ik weer bij ze spelen.

- Ook al waren de sandinisten officieel niet meer aan de macht, ze waren nog steeds op hun post. De verschillende instanties waar buitenlandse hulp werd ontvangen en gedistribueerd waren nog immer in handen van vooraanstaande partijleden. Het plaatselijke radiostation Caribe en de enige krant van Puerto, Autonomia, werden geleid door sandinisten. Zo kon je doorgaan: de twee supermarkten waren eigendom van sandinisten, net als het machtigste houtvestersbedrijf, het grootste restaurant, het mooiste café en de vrachtwagens die de verbinding onderhielden met Waspam.
 Er bestond zelfs een speciale term voor deze roverij: de mensen spraken over vóór en na de piñata, Een piñata is een snoepzak die op kinderfeestjes wordt opgehangen. Jongens en meisjes prikken er met stokken gaten in en mogen de zuurtjes die eruit vallen van de grond grabbelen.

- Drinkwater bewaarde ik in aparte flessen, ik had het behandeld met een desinfecterend middel, anders kon je er ziek van worden. In Puerto heersten allerlei soorten darmkwalen. Eigenlijk moest ik het water eerst koken, maar dat was wel heel veel werk.

- Op een zondagochtend was ik naar de markt geweest. Zeven dagen in de week waren daar vrouwen te vinden met manden verse vis. Ik had een paar kilo makreel gekocht en liep terug naar huis. Op de hoek van onze straat stonden twee jongetjes me op te wachten. "Señora," riepen ze opgewonden, "er is iets vreselijks gebeurd, kom kijken, kom kijken," ze draafden voor me uit. Ik kende ze wel, die twee kleine schooiertjes, ze slenterden vaak langs. Bij de poort haalde ik ze in. "Un ladron," een dief, riep de kleinste.

- Het was alsof ik in een ouderwets bruin café in Berlijn of Amsterdam was binnengestapt. Miskito-indianen voelden geen behoefte om sociale problemen in kaart te brengen en daar oplossingen voor te bedenken. Mijn Australische levensgezel evenmin. Het ontbrak ook hem ten enenmale aan dat ijkpunt in de toekomst dat Duitsers en Nederlanders zo duidelijk voor zich zien: een rechtvaardige wereld.

- ... Linda mengde zich in het gesprek. "Daarom mag ik nooit naar de kerk!" Wolfgang lachte: "Welnee, ik zeg alleen altijd: als je iets voor je medemens wilt doen, ga dan eten koken voor de armen." Maar er waren nog een heleboel andere redenen om naar de kerk te gaan, vond Linda. "Als je mensen wilt ontmoeten of een reden zoekt om je op te doffen, ga dan naar de disco," ried Wolfgang.

- "Kom," zei Wolfgang, "het regent niet meer zo hard als eerst." We hadden de bescherming van de hut nauwelijks verlaten of een nieuwe plensbui diende zich aan. "Maakt niet uit." Hij stapte vastberaden de modder in. Ik verdween tot mijn knieën in het moeras. Zouden hier slangen zitten? vroeg ik me af. Ik had gehoord dat slangen altijd de tweede persoon in een rij bijten. Door de eerste passant worden ze verrast, de tweede pakken ze. We kwamen bij het riviertje, dat uit zijn oevers was getreden. Wolfgang stond al tot zijn middel in het water. Hij gebaarde me te volgen. Ik voelde glibberige dingen onder mijn laarzen en speurde de stroom af naar waterslangen.

- De laatste keer dat de jongen met Wolfgang in Puerto was, had hij een meisje ontmoet in de disco, een creoolse. Hij schreef haar in het Engels. "Je bent zo mooi als een slanke cipres," las hij voor. "Hier groeien geen cipressen," corrigeerde Wolfgang hem. "Ze weet niet wat dat is. Maak er maar caoba van, dat is ook een mooie boom." Geconcentreerd bracht de jongen de verbetering aan. "De laatste regels zijn heel mooi," zei hij: "Ik mis je verschrikkelijk. Zonder jou ben ik als een tijger zonder tijgerin, als een auto zonder wielen." Tevreden likte hij de envelop dicht.

- Wayne had met zijn bemanning afgesproken hoe er gehandeld zou worden in geval van een cocaïnevangst; als buitenlandse scheepseigenaar wilde hij absoluut geen drugs aan boord, hij zou voor jaren de gevangenis in draaien. Maar de cocaïne laten drijven was ook gevaarlijk. Hij knikte naar de mannen in de kuip. "Als ik geen toestemming zou geven om het spul mee te nemen, zou ik overboord gaan, met een kogel door mijn hoofd." Daarom was er een compromis gesloten: de cocaïne zou met de Creole Princess onmiddellijk aan land worden gebracht en daar worden verborgen. Later konden de mannen het met een ander schip ophalen.

Carolijn aan het vissen:
- Ik voelde iets bewegen en inspecteerde mijn haak; de garnaal was verdwenen. Joseph legde uit dat ik mijn draad voortdurend gespannen moest houden en onmiddellijk moest handelen als ik iets voelde. Zo hield je contact met je prooi. Een lichte beroering. Ik gaf een ruk en haalde een geelstaart boven. Voor het eerst van mijn leven had ik een vis gevangen. Meedogenloos wrong ik de haak uit zijn bek.

- Op de voorste bank pakten Claudia en Tomás elkaars hand. Hazel wierp me een samenzweerderige blik toe. Wolfgang onderschepte die, hij lachte: "Een mens kan het beste altijd verliefd zijn, dan functioneren we beter." Hazel hief verwonderd haar gezicht. Miskita-vrouwen hebben niet zo'n hoge pet op van de liefde. "Wij houden van een man die ons te eten geeft," had ze me eerder uitgelegd.

- Cristino trok nog maar eens een fles open en stak op luide toon een verhaal af. Verschillende passagiers draaiden zich om en keken me aan. Had hij het over mij? Ik zag angst in de ogen van de domineesvrouw. "Wat zegt hij?" vroeg ik Hazel ongerust. "Dat zal ik je later vertellen," weerde ze af. "Nee," zei ik, "ik wil het nu weten." Hazel zocht naar Engelse woorden. "Hij zegt dat hij verschillende wapens aan boord heeft en jou kan verkrachten en ontvoeren als hij daar zin in heeft." "Wat?" vroeg ik geschokt. Hazel keek peinzend voor zich uit. "Ik weet niet of het waar is van die wapens," zei ze praktisch.

- ... maar onderweg bleef Hazel weer karig met haar vertalingen. Ik schepte moed toen we naast elkaar liepen over een modderig pad en zei: "Zou je me misschien wat vaker kunnen uitleggen waar iedereen het over heeft? Anders sta ik overal zo buiten." Ze keek me verbaasd aan. "Ja, natuurlijk,"zei ze, maar ze deed het niet. Ze vond, geloof ik, dat iedereen alleen hoefde te doen waar hij zin in had. Soms vond ze het leuk om te vertalen, andere momenten deed ze liever iets anders. Dat ik haar betaalde om mijn tolk te zijn, was niet van belang. We waren allemaal gelijk, was haar uitgangspunt.
 
- Ik schommelde in de mahoniehouten stoel, in de ban van de verhalen van de dominee. Hoe was het mogelijk, vroeg ik me af, dat iemand hier op een calvinistische manier orde had willen scheppen? In dit land, waar elk jaar orkanen overheen raasden, waar voortdurend coups dreigden, waar het gewoon was dat een man vijftien kinderen maakte bij zes verschillende vrouwen. Waar iemand rustig vijf dagen aan één stuk dronken kon zijn.
 
 
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

maandag 16 september 2024

Carolijn Visser: Het goud van Bonanza

Carolijn Visser: Het goud van Bonanza (Nederland, 1996): 54 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
"Het goud van Bonanza" is door Carolijn Visser geschreven in opdracht van het CPNB (Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek). De meeste boeken die in opdracht van het CPNB zijn geschreven, zijn op zijn best erg matig. "Het goud van Bonanza", over een bezoek van Carolijn Visser aan een goudmijn in Nicaragua, is uitstekend geschreven. Met een lengte van slechts 50 bladzijden, vind ik het een beter boek dan alle boekenweekgeschenken die ik de laatste 30 jaar heb gelezen.
 
Citaten:
- Een stoet van revolutionaire toeristen trok voorbij aan het Managuaanse adres waar ik dertien jaar geleden logeerde. De Nederlanders in het pension droegen T-shirts waarop "Viva Sandino" stond te lezen. Een kraker uit Tilburg combineerde dat met een camouflagebroek en een stoppelbaard; het grootste compliment dat je hem kon geven was dat hij op Che Guevara leek. 
 In de kamer naast mij woonde een Noorse dichter, in de volgende een punk uit Zürich. Hij werd opgevolgd door een Zweedse feministische fotografe die de kracht van haar revolutionaire zusters kwam vastleggen. Vrijwel alle pensiongasten waren gekomen met een opdracht: er werd dag in dag uit gefilmd, geschreven en gedicht voor het thuisfront, dat niet te verzadigen leek.
 Overal in de stad klonk wapengekletter, de televisie vertoonde voortdurend militaire parades. De juntaleden doorkruisten Managua begeleid door jeeps vol bewapende soldaten. Ook op de universiteit hing een militaire sfeer. De studenten leerden marcheren en op de campus stond een metalen beeld dat een man met een machinegeweer voorstelde. Ik zag een Amsterdamse haar hand op zijn schouder leggen toen ze poseerde voor een foto: de Nicaraguaanse burgeroorlog was een vakantiedoel geworden.

- Violeta Chamorro [destijds de presidente van Nicaragua] heeft in het desolate centrum borden met teksten laten opstellen: "Met z'n allen moeten we werken aan de opbouw van het land", "Kinderen zijn de toekomst van Nicaragua". Geen uitspraken die westerse intellectuelen op de been zullen brengen. De sandinistische leuzen, destijds in zwart en rood op alle muren aangebracht, waren door een beter en bloeddorstiger tekstschrijver bedacht: "Vaderland of dood! Alle wapens aan het volk."

- ... In het openbaar durfde niemand een woord van kritiek te spuien omdat je dan gearresteerd kon worden. Gloria had een broodfabriek en dertig mensen in dienst. Ik vond haar een goede representante van de groeiende oppositie in het land en schreef een verhaal over haar in een Nederlandse krant. Dat ontketende een lawine van ingezonden brieven. Hoe kon de kwaliteitskrant zoiets plaatsen? Collega's wezen me terecht: de sandinistische revolutie bekritiseer je niet; denk aan je toekomst.

- In de stoffige achterbuurt waar ik terechtkom zijn de winkels beveiligd met tralies alsof er zich binnen geen rijst maar goud bevindt; de klanten worden bediend door een loket van staal. Het huis van buseigenaar Baltadano wordt omheind door een hoog hek waarachter motoronderdelen liggen opgetast. "Ze zijn nog onderweg," roept iemand van binnen, "kom vanmiddag maar terug." Ik neem een kamer in hospedaje La Flor, een krot met een mooie naam, en wacht tot de martelende hitte van de dag is overgedreven.

In een vliegtuig:
- Wanneer ik me heb vastgegespt in mijn stoel sla ik tot mijn verbazing bezwerend een kruis, net zoals de vrouw naast mij.
 
- Na een veilige landing zegt mijn buurvrouw dat we het "dank zij God" overleefd hebben en dat beaam ik; als ik vaker aan zulk gevaar werd blootgesteld, zou ik zeker gelovig worden.

- Lacayo concludeert kwaad: "Mijn voormalige sandinistische vrienden hebben nu de economische macht in handen. Ze hebben veel geld en heel veel bezittingen. Het is onmogelijk om dat aan te tonen, want alles staat op naam van familie, vrienden en loyale werknemers."

- Het is al uren donker. Als ik aanstalten maak om te vertrekken zegt Walter Smit: "Je bent van harte welkom hier te logeren." Dat aanbod wimpel ik beleefd af, ik heb er geen behoefte aan onder één dak te slapen met een ex-militair, een berouwvolle professor en een wraakzuchtige Amerikaan.

- De mooiste straat van Bonanza heeft de vorm van een halve maan. Hier is de best gesorteerde winkel van het dorp te vinden: aan het plafond hangen kleren, op de toonbank staan pannen, er zijn tientallen laden met gereedschap en knopen. Vrijwel alles wat te koop is in Bonanza, is gemaakt in China.
 
- Als Smit naar buiten loopt drukt hij mij een papier in handen, een fotokopie van een kranteartikel: het gaat over de voormalige sandinistische manager van de mijn in Bonanza. Hij moest het veld ruimen voor Walter Smit en werd daarna directeur van een steengroeve van de staat. In het artikel wordt hij ervan beschuldigd dat hij het bedrijf "gesnoepzakt" heeft, een Nicaraguaanse uitdrukking die betekent: alles van enige waarde meenemen en verkopen. Van het bedrijf rest slechts een leeg gebouw.

- "Iedereen zoekt werk," zeg ik. "Betaalde vrije tijd," vindt Kastl, "de mensen hier weten niet wat werken is." Hij kan het weten, want Kastl kent de wereld: destijds was hij een naaste medewerker van Allende, in Mozambique werkte hij jaren voor de FAO. Nu gaat hij in Nicaragua zorgen voor "biodiversiteit" in het regenwoud en "Lebensraum" voor de indianen. Ik knik enthousiast, daar kan immers geen mens tegen zijn, al klinkt het woord Lebensraum een Nederlander niet zo sympathiek in de oren.

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

maandag 6 mei 2024

Frank van Rijn: Een duizend meter hoge kerstboom

Frank van Rijn: Een duizend meter hoge kerstboom: Mexico, Guatemala en Belize (Nederland, 2022): 232 blz: Uitgeverij Elmar
 
Een duizend meter hoge kerstboom
 
"Een duizend meter hoge kerstboom" beschrijft een fietstocht die Frank van Rijn van december 2015 tot februari 2016 maakte door Centraal-Amerika: Mexico, Guatemala en Belize, waarbij hij vooral geïnteresseerd was in de overblijfselen van de Maya-cultuur. 

Voor Franks doen was het een kort tochtje van slechts 3 maanden en nog geen 4.500 km. Met dit boek erbij heb ik alle 17 boeken van Frank van Rijn op mijn blog besproken. Het is leuk om alle stukjes achter elkaar te lezen en dan vooral de citaten die tezamen een uitstekend beeld geven van wat Frank al die jaren heeft gedaan.

Ik vind "Een duizend meter hoge kerstboom" een gemiddeld boek van Frank van Rijn. Zijn boeken zijn in de eerste plaats leuk voor mensen die zelf ook een grote fietstocht hebben gemaakt.
 
Citaten:
- Maar eigenlijk onderstreepte die afdaling zijn dreigende schuin omhoog gestoken onderarm-verhaal, want elke afdaling maakt het gemiddelde stijgingspercentage van de rest groter, oftewel in klare taal: hoe meer je daalt op een traject, waarop je een bepaald hoogteverschil moet overwinnen, hoe zwaarder je daarvoor verderop moet boeten.

- Een feest moest hier uiteraard groots en vooral met enorm veel megabels gevierd worden. En natuurlijk gold de gulden regel, die op veel plaatsen in de wereld geldt: een gezellige sfeer wordt alleen dan opgeroepen, als de luidsprekers zoveel lawaai produceren dat je beslist niet meer met elkaar kunt praten. Dat hoefde ook niet, want wat mensen bij dat soort gelegenheden tegen elkaar zeggen is toch volledig voorspelbaar en in ieder geval totaal onbelangrijk. Vuurpijlen, rotjes en ander knalwerk maakten de vreugde compleet.

- Om dergelijke onaangename bezoeken te voorkomen luidde een van mijn ongeschreven regels: "Zet je tent nooit zo dat die vanaf de weg of een zijpad te zien is". En een andere, ook niet onbelangrijke regel: "Zet de tent pas op, als de duisternis reeds grotendeels is gevallen". En dan had ik nog een derde regel, die ik slechts bij hoge uitzondering wilde overtreden: "Rijd nooit in het donker". Dat natuurlijk in de eerste plaats door het autoverkeer, maar ook in verband met eventuele wilde dieren, die dan actief worden en niet te vergeten wilde mensen, die dan ook actief kunnen worden en soms door de duisternis het verschil tussen het mijn en het dijn niet goed kunnen onderscheiden.
 
- ... want dan zou ik in conflict komen met weer een andere regel van mijzelf: "Op fietsreis fiets je alles, behalve als het echt niet anders kan".
 
- ... Ik hoopte echter dat ik de goede dingen deed. Wat ik me nog wel goed herinnerde van het vak Veiligheid was dat ik bij een mondelinge overhoring een nul scoorde. De docent gaf uit luiheid alleen maar nullen of tienen. Een nul als je zijn enige vraag verkeerd beantwoordde en een tien als je het goede antwoord gaf. Gewoon één mondelinge vraag per student per kwartaal. Daarmee was hij snel klaar en had hij geen gedoe met nakijken van proefwerkjes.

- Bij de souvenirmarkt keek ik mijn ogen weer uit naar alle aardige aandenkens, die je er kon kopen: tassen, kleedjes, leren riemen, fluiten, kleding, wandbordjes en nog veel meer leuke spulletjes die je bij thuiskomst in een kast opbergt om ze vijfentwintig jaar later bij een grote opruiming voor het eerst weer tevoorschijn te halen en dan meteen naar de kringloopwinkel te brengen, zodat anderen er ook plezier aan kunnen beleven.

   
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom. 
 

vrijdag 29 april 2022

Frank van Rijn: Vijfentwintig jaar later

Frank van Rijn: Vijfentwintig jaar later: Reizen door Afrika, Mexico, de Verenigde Staten en Centraal-Amerika (Nederland, 1995): 298 blz: Uitgeverij Elmar
 

 
In "Vijfentwintig jaar later" beschrijft Frank van Rijn drie grote fietsreizen: een door Afrika van Caïro naar Kaapstad in 1981 en 1982, een door Mexico en de Verenigde Staten in 1988 en eentje in Centraal-Amerika in 1994 en een klein tochtje naar de Tour de Madeloc in 1994, waar hij 25 jaar eerder gestrand was.
 
Ik heb alle boeken van Frank van Rijn tenminste één keer gelezen. Ik vind zijn boeken vrij gelijkmatig van kwaliteit, maar als ik één favoriet boek van hem moet noemen, dan is het ongetwijfeld "Vijfentwintig jaar later". Frank van Rijn laat zich altijd prettig citeren en ook hier vind ik de uitgezochte citaten erg hilarisch.Dit is inmiddels het vierde boek van Frank van Rijn dat ik de afgelopen week heb besproken en het zevende in totaal. Ik ga weer eens wat anders lezen, maar de andere 9 boeken van Frank van Rijn zullen ongetwijfeld ooit nog aan bod komen. 
 
Citaten:
- "Als ik naar de Tour de Madeloc kan fietsen, kan ik ook de Andes over." Dat was wat ik 25 jaar geleden dacht, gezeten aan de voet van dat steile stuk weg. Ik herinner het me nu weer duidelijk. Geheel overtuigen deed ik mezelf echter niet en bovendien had ik die toren niet gehaald. Verder realiseerde ik mij toen al erg goed dat er heel wat meer voor een wereldreis op de fiets zou komen kijken dan alleen maar fietsen. Dat fietsen was slechts een onderdeel van de reis, waarschijnlijk zelfs maar een klein onderdeel. Met wat training in combinatie met mijn fysieke doorzettingsvermogen en met een betere fiets dan dat opgelapte geval waarvan de stuurpen op afbreken stond, zou het fietsen mij geen grote problemen opleveren, daar was ik van overtuigd. Maar kon ik ook alle spullen meeslepen die ik nodig had, mijn eten klaarmaken en mijn fiets repareren als die het toch zou begeven? En hoe moest het als ik ziek zou worden onderweg? Zou ik het voedsel en het water overal wel verdragen? Zouden de leeuwen in Afrika me opvreten of de krokodillen in Zuid-Amerika? Moest ik een pistool meenemen tegen bandieten? Dat was slechts een greep uit de vele vragen die zich aan mij opdrongen en afdoende antwoorden wist ik er vooralsnog niet op te geven. Ik had zelfs nog nooit in een tent geslapen of een aardappel opgewarmd.

- Peter keek ondertussen vol bewondering toe hoe onder mijn handen zijn achterwiel weer langzaam vorm kreeg. Mijn geachte collegafietser wist veel van Shakespeare maar had van techniek en fietsenmaken weinig verstand. Ongetwijfeld zijn de werken van Shakespeare veel interessanter dan het vlechtpatroon van een wiel, maar als in Egypte het achterwiel van je fiets afgereden wordt, begin je niet zoveel met Hendrik VIII en een Midzomernachtsdroom.

- Om dat zuiveren van water tot een minimum te beperken, aangezien een langdurig gebruik van chemicaliën niet zo goed leek voor maag en ingewanden, had ik een speciale methode uitgedacht om te bepalen of het water drinkbaar was of niet. Daartoe vulde ik mijn anderhalve liter bidon van half doorzichtig plastic met het water van dubieuze kwaliteit. Als ik dan door de opening keek en ik kon de bodem zien, was het drinkwater. Als ik de bodem niet kon zien, moest het water gezuiverd worden.

- We kookten de bonen en probeerden om de paar minuten of ze al eetbaar waren. Na 20 minuten waren ze zo ver dat we ze konden kauwen zonder de kans te lopen er een kies op te breken. Toen ik aanstalten maakte om het water af te gieten, weerhield Peter me daarvan, met de opmerking dat het sap van de bonen ook voedzaam is. Ik verdeelde de bonen over onze borden en goot het sap erover. Dat zag er echter vrij onappetijtelijk uit. Het bruine vocht leek wel modderwater. Het wás bij nader inzien modderwater, aangezien de bonen nogal stoffig waren geweest en we ze niet goed genoeg hadden gewassen met ons Nijlwater dat ook niet geheel stofvrij was. Terwijl we op de bonen kauwden kraakte het zand tussen onze tanden.
 "Ik denk dat ik dat voedzame sap er maar afgiet" zei ik, mijn bordje scheefhoudend, waardoor er een donker gekleurde straal water in het zand stroomde.
 "Misschien is het toch niet zo voedzaam als ik aanvankelijk dacht", antwoordde Peter, zijn bord ook scheef houdend.

- 's Avonds ging ik eten in Nakuru, dat een paar kilometer van de parkingang vandaan ligt. Toen ik in het donker terugkwam bij het kampeerveldje en mijn tent opzocht, zag ik dat ik niet meer de enige toerist was. Er stond een grote, zwarte, bolvormige kampeerauto naast mijn tent. Toen ik echter een praatje met mijn nieuwe buur wilde gaan maken, viel het me op dat er geen nummerbord op de kampeerwagen zat. Nog naderkomend ontdekte ik tot mijn hevige schrik dat de auto geen kampeerwagen was, maar een grazend nijlpaard!

- Ik had namelijk van meer kanten gehoord, dat de Malawische politie een hekel had aan toeristen van het "low-budget"type. Met mijn fiets in plaats van een rugzak, mijn korte haren en mijn trainingsbroek zag ik er dus helemaal geweldig uit.

- Ik houd van redelijke kaarten en nog meer van goede kaarten, want die geven je de mogelijkheid om slechte wegen op te zoeken en dat is goed, want daar zit vaak geen of weinig verkeer op. Op slechte kaarten daarentegen kun je alleen goede wegen vinden en dat is slecht want daar zit vaak veel verkeer op. Vooral in Mexico zijn de goede wegen meestal slechter dan de slechte wegen.

Bij een overval in Guatemala:
- Ik moest hen ergens mee tegemoet komen. Daarom haalde ik het mapje uit mijn achterzak dat ik sinds ik de vorige keer overvallen was, nu precies zeven jaar geleden ergens in Afrika, altijd speciaal voor een eventuele beroving bij me droeg.
 "Wil je mijn geld?" vroeg ik, het plastic mapje ophoudend.
 "Ja, geef je geld", zei de katapultman, die duidelijk de leiding van de operatie op zich genomen had. Ik gaf hem het mapje met een verlopen paspoort, een eveneens verlopen rijbewijs, een creditcard zonder krediet, 1500 Iraanse rialen, 1200 Joegoslavische dinars, 1000 Poolse zlotys en één biljet van 50.000 Zaïrese zaires. Vol begeerte haalde de man de biljetten uit het mapje tevoorschijn. Om het spel goed te spelen en geen argwaan te wekken zei ik: "Geef me in ieder geval mijn paspoort terug. Daar hebben jullie toch niets aan."

        
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.