Carolijn Visser: Argentijnse avonden (Nederland, 2012): 252 blz: Uitgeverij Augustus
"Argentijnse
avonden" is de biografie van Carolijn Visser over de Rotterdammer Rinus van Mastrigt en zijn
dochters Ida en Miep.
Rinus vertrok in november 1937 op 24-jarige
leeftijd voor een fietstocht naar Zuid-Oost Azië. Hij kwam aan in
Malakka, werd ziek en de familie van zijn verloofde vond dat zij hem op
moest zoeken (ze kon hem toch niet helemaal alleen in de vreemde dood
laten gaan?). Rinus knapte op en trouwde met Ida. Ze kregen samen twee
kinderen: Ida en Miep.
Toen kwam de oorlog en werd Rinus gevangengenomen
en kwam hij in Japan in een Jappenkamp terecht. Toen Rinus vrijkwam
bleek zijn vrouw het met andere mannen te hebben aangelegd. Ze
scheidden, Rinus stuurde zijn twee dochters vooruit naar zijn ouders in
Rotterdam en kwam zelf later ook naar Nederland.
Daar kon hij niet
aarden en besloot hij om te emigreren naar Argentinië. Na een paar jaar
daar te hebben gewoond liet hij zijn dochters overkomen.
Het grootste
deel van het boek is gewijd aan het leven van Rinus en zijn dochters in
Argentinië.
Het boek geeft een prachtig beeld van de leefwereld van een
geëmigreerd gezin en van de besloten Nederlandse gemeenschap van een
klein stadje in Argentinië. Het boek begint en eindigt met een bezoek
van de koninklijke familie aan het stadje in 2006.
Het boek is gebaseerd
op documenten in het bezit van dochter Ida. Met dit boek blijkt
Carolijn Visser opnieuw een van de beste Nederlandstalige schrijvers.
Citaten:
- Rinus had ook weinig zin zijn ouders op de hoogte te stellen van het treurige nieuws. Hij vond dat hij gefaald had en wilde hen niet belasten met zijn zorgen. Hij had de dominee al eerder een brief laten sturen aan Ida. Zij had moeten beloven te zwijgen tegen de Van Mastrigts. Ida's moeder had gezegd dat ze naar Singapore moest gaan. Ida, die net drieëntwintig was geworden, zag enorm op tegen zo'n verre reis in haar eentje. Ze was nog nooit buiten Nederland geweest. "Je kunt Rinus daar niet alleen laten sterven," zei de kostersvrouw en ze schraapte het geld voor de reis bij elkaar. Op 15 augustus, de dag dat Rinus opnieuw onder het mes zou gaan, ging Ida in Rotterdam aan boord. Ze zou een maand onderweg zijn.
- Hij schreef niet dat hij behandeld werd aan een grote wond aan zijn been, het gevolg van ondervoeding. Rinus werd hierdoor ingedeeld bij de eerste groep die geëvacueerd werd met het Amerikaanse Rode Kruis-schip Sanctuary. "Wat eten betreft is het hier een lustoord. We kunnen zoveel krijgen als we willen. Vlees, eieren, melk, tomaten, groenten, sinaasappelen, boter, aardappelen. Buiten hetgeen de keuken verstrekt, krijgen we dagelijks nog 3 flesjes bier, 3 stukken chocola, een pakje koekjes, sigaren, sigaretten. Verder kun je in de cantines de hele dag door koffie, thee, cola enzo drinken, waarbij je weer koekjes krijgt, ook weer zoveel als je wilt hebben, er is nergens gebrek aan. Wat hebben die Amerikanen het goed voor elkaar."
-
Die februariavond, toen de meisjes voor het eerst over de lange trap
naar boven kwamen geklauterd, hadden de Van Mastrigts hen verbijsterd
opgenomen. Waren dit hun kleinkinderen? Ze hadden geen schoenen aan! Hun
blote voeten, hun gezichten en hun handen zagen zwart van het vuil. Al
die weken aan boord hadden ze zich niet gewassen. Hun haar, waar in
Batavia nog zulke mooie strikken in hadden gezeten, was de hele reis
ongekamd gebleven en zat nu om het hoofd geklit. De meisjes waren
uitgehongerd en vielen aan op de boterhammen die hun grootmoeder haastig
voor hen smeerde. Gulzig klokten ze glazen melk naar binnen. Jan, een
jongere broer van Rinus, ging meteen water verwarmen en zette een teil
in de woonkamer. Samen met zijn moeder schrobde hij de meisjes schoon.
Ze hadden vast luis, veronderstelde vader Van Mastrigt. Hij haalde een
luizenkam en DDT-poeder uit de winkel. De kleren van de meisjes gingen
de potkachel in, want daar zou wel ongedierte in zitten, dat moesten ze
niet in huis hebben. Ida'tje en Miep kregen elk een nachtpon aan van een
van de zusters van Rinus; die sleepten over de grond achter hen aan,
maar zo hadden ze in ieder geval iets schoons aan.
- Cor, de jongere broer van Rinus, begreep het wel. Die zou later over dit vertrek en over de fietstocht naar Indië zeggen: "Rinus was een genie. Dat was eigenlijk het probleem. Hij kon alles, maar hier kon hij zijn ei niet kwijt. Nederland was gewoon te klein voor hem."
Toen Rinus in Argentinië aankwam:
- Buenos Aires telde toen al ruim drie miljoen inwoners. Trams, autobussen en zwarte automobielen denderden langs de hotelkamer die Rinus deelde met een andere passagier van de Alphard. Geïmponeerd dwaalden de twee mannen door het luxueuze warenhuis Harrods. Deze Argentijnse dependance verkocht alles wat in de beroemde Londense zaak ook te krijgen was. De winkel omvatte acht verdiepingen met cederhouten vloeren. Klanten werden in de entreehal van zwart-wit marmer verwelkomd door het huisorkest. Er was een draaimolen voor de kinderen. Het aanbod van meubels, porselein en kleding overweldigde de twee Nederlanders, die tot voor kort alleen spullen op de bon hadden kunnen kopen. Argentinië was vrijwel de hele oorlog neutraal gebleven en had met de hele wereld goede zaken gedaan. Het land floreerde.
-
Wat Miep niet aan Rinus had verteld was dat ze ook haar moeder wilde
bezoeken. Via het Rode Kruis had ze haar adres achterhaald. Ze heette nu
Ida Broere en woonde in Vianen. Op een avond reed oom Cor Miep erheen.
Cor bleef in de auto zitten. Miep belde aan.
Een
man deed open en Miep stapte naar binnen. In de woonkamer trof ze een
vrouw aan tafel. "Ik ben je dochter," zei Miep. "Ik ben gekomen om je te
zeggen hoe erg ik het vind dat je mij in de steek hebt gelaten als
kind. Mijn hele leven heb ik daaronder geleden. Ik heb nu veel problemen
en die zijn allemaal te wijten aan jou."
Na
die woorden draaide ze zich om, liep het huis uit, opende het portier
van de auto en ging weer naast haar oom Cor zitten. "Ik heb gezegd wat
ik te zeggen had," zei ze. "We kunnen gaan."
-
"... In heel Latijns-Amerika is het een janboel. In de tweeëntwintig
jaar dat ik nu in Argentinië ben zijn er tien presidenten geweest en
niet één daarvan is op een normale manier aan de macht gekomen of
vertrokken."
-
Jet van der Velde, twintig jaar lang domineesvrouw te Tres Arroyos, zou
later over de man-vrouwverhouding binnen de kolonie zeggen: "Om te
beginnen staat de man natuurlijk ver bóven de vrouw, dat is in de Bijbel
te lezen. Vervolgens is het belangrijkste in het leven van de man zijn
liefde voor God. Dat is een exclusief contact met het hogere. Die liefde
voor God komt voor hem ook op de tweede, de derde en de vierde plaats.
Dan pas volgt de liefde die hij voelt voor vrouw en kinderen. Die is van
een lagere orde en om daar uiting aan te geven is ongepast."