Posts tonen met het label Literatuurstudie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Literatuurstudie. Alle posts tonen

donderdag 28 mei 2026

Gerrit Jan Zwier: Antropologen te velde.

Gerrit Jan Zwier: Antropologen te velde: De confrontatie van de etnograaf met vreemde volken en met zichzelf (Nederland, 1980): 120 blz: Uitgeverij Ambo 
 
 
 
Ongeveer 30 jaar geleden las ik 3 boeken met boekbesprekingen van Gerrit Jan Zwier alsmede zijn reisverhaal "Europese reizen". Die eerste 3 boeken heb ik de afgelopen dagen herlezen. Nu, bij herlezing, vind ik zijn boeken veel beter dan ik mij herinnerde.  
 
Inhoudelijk is "Antropologen te velde" een erg sterk boek. Het is een literatuurstudie over de persoonlijke lotgevallen van antropologen tijdens hun veldwerken. Gerrit Jan Zwier schrijft met duidelijke kennis van zaken, hij is onderhoudend, informatief en bondig en hij geeft veel mooie citaten die organisch in zijn tekst zijn verweven. Helaas ben ik niet zo enthousiast over zijn stijl. Hij mist de glasheldere stijl die de boeken van Lieve Joris en Carolijn Visser zo aangenaam om te lezen maakt. Verder vind ik hem te stellig en mist hij de lichtheid van toon, waar ik zo van houd.
 
Citaten:
- De veldwerkperiode biedt echter al aanknopingspunten genoeg voor introspectie en reflectie. Via de omweg van een andere cultuur wordt de distantie geschapen die nodig lijkt te zijn om jezelf als individu en als cultureel bepaald wezen beter te leren kennen. De hartekreten en zuchten van antropologen te velde, alsmede hun triomfen en nederlagen, vormen het onderwerp van dit boek.
 
- Op het praktische vlak moet er van alles en nog wat geregeld worden. Voor een medische check-up, inentingen, het op peil houden van de lichamelijke conditie en het aanleggen van een huisapotheekje behoort tijd te worden uitgetrokken, evenals voor taalstudie en het sleutelen aan een uitgekiende en hanteerbare uitrusting. Het is niet verstandig een paar notitieboekjes, twee potloden en een enkel fototoestelletje mee te nemen en dan te denken dat het belangrijkste onderdeel van de bagage - de middelen waarmee observaties vastgelegd worden - voldoende verzorgd is. Williams adviseert de veldwerker om een kantoorboekhandel aan kistjes van metaal en fiberglas, carbonsets, fiches in allerhande maten, paperclips, schriften, typemachines, anti-papierkever-papier, elastiekjes, punaises, anti-inktkever-inkt, plastic hoesjes en doosjes, rubber ringen, weckflessen, mini-hangmappenkastjes van bamboe, een portable donkere kamer enzovoort mee te nemen.
 
- Een andere lekkernij van de Yanomamö bezit het drietal eigenschappen dat wij na enig nadenken als kenmerkend voor een walgelijke maaltijd zouden opnoemen: deze is bleekwit, zacht en het leeft. Maden, in dit geval, zo dik als muizen. De kronkelende kop wordt er bijna afgebeten en de ingewanden worden meegetrokken. Een deel wordt geroosterd en smaakt, volgens een door de wol geverfde missionaris, naar bacon. "Maar alles wat boven een rokerig vuur wordt gehouden smaakt naar bacon," stelt Chagnon vast.
 
- Bij de Tiv zag Laura Bohannan hoe de pannen, vóór het eten, door geiten werden schoongelikt en Middleton vond het geen verbetering dat dit werkje bij de Lugbara door vrouwentongen werd opgeknapt. 
 
- Veel en lekker eten blijkt een favoriete manier te zijn om frustraties af te reageren. Met name Amerikanen zijn dol op pindakaas. Helaas verwacht de opdringerige omgeving  dat voedsel met hen gedeeld zal worden. Daar had Chagnon het volgende op gevonden: hij maakte de Yanomamö wijs dat hij poep op zijn brood smeerde, met het (gehoopte) resultaat dat ze hem met zijn walgelijke beleg alleen lieten.
 
- In zijn boek over de Siriono-Indianen, die een nomadisch bestaan leiden in de moerassen en wouden van Oost-Bolivia, geeft Holmberg een beeld van het dierlijke gespuis der aarde: "Wanneer de nacht valt, dalen allerlei soorten muskieten, te samen met muggen en motten, bij duizendtallen op ons neer. Overdag, als deze pest zich in moeras en woud heeft teruggetrokken, wordt haar plaats overgenomen door talloze variëteiten van horzels en wespen. (...) De beet van sommige mieren veroorzaakt tijdelijke verlammingen. Naast mieren, muskieten en vliegen lopen er schorpioenen en spinnen rond, wier steken en beten ook verlammingen tot gevolg hebben, en vliegt er een bijesoort rond  die wordt aangetrokken door het zweet van de reiziger. Ook teken mogen niet onvermeld blijven: in het droge seizoen laten die zich soms per honderdtal op een passant neervallen. (...) Men is voortdurend het slachtoffer van een harig soort huidworm. Deze wordt op de volgende manier verwijderd: een met tabakssap besmeurd strootje wordt in het gat in de huid gestoken - het beest steekt daarop zijn kop naar buiten, deze wordt gepakt en de worm wordt uit het gat getrokken."
 
- Samen met een paar Bosjesmannen bracht de Amerikaanse antropoloog Richard Lee een bezoek aan de kraal van naburige Bantoe-dorpen. Hij wilde hen, uit dankbaarheid voor hun medewerking, op de dikste os trakteren die er in de buurt te vinden was. Zijn metgezellen bleken echter geen oog te hebben voor de vlezigheid van het door hem aangewezen dier. Nee, zij gaven de voorkeur aan een scharminkel dat, naar hun zeggen, veel begeerlijker was dan de keuze van Lee. Aldus geschiedde. Pas veel later drong het tot hem door dat het in de egalitaire samenleving van de Bosjesmannen geen pas geeft om je publiekelijk te beroemen op de superieure kwaliteiten van de meegebrachte jachtbuit.
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.