Lieve Joris: Zangeres op Zanzibar (België, 1992): 174 blz: Uitgeverij Meulenhoff
"Zangeres
op Zanzibar" bevat 8 verhalen, waarvan "Met V.S. Naipaul op Trinidad"
veruit het langste en het meest indrukwekkende is.
Voor
haar ontmoeting met de beroemde schrijver vroeg Lieve Joris zich af of
hij haar wel te woord wilde staan, Naipaul was notoir ontoegankelijk.
Als oudere man zal Naipaul zich gevleid hebben gevoeld door de aandacht
van zijn knappe bewonderaarster en ze trokken een aantal dagen samen op.
Het verhaal geeft een beeld van Naipaul zoals we hem kennen, foeterend
op de medemens, en is tegelijk een liefdevol portret. Alle citaten
hieronder komen uit dit verhaal. De andere 7 verhalen uit "Zangeres op
Zanzibar" zijn ook goed geschreven, maar maken niet zo veel indruk.
- Een smalle man maakt zich los uit de schaduw op de veranda. Hij draagt een groene sweater en een beige katoenen broek; kleine handen met kortgeknipte nagels, een donkere, zachte huid. Hij is zo anders dan ik hem ken van recente foto's, zoveel meer ontspannen, dat ik spontaan zeg: "U ziet er goed uit!" Hij glimlacht. "En waarom zou ik er niet goed uitzien?"
- "... Materiële rijkdom wordt tegenwoordig afgemeten aan het aantal keren per week dat je dronken kan worden, en aan het volume dat uit je geluidsinstallatie dendert."
- "Mijn observatievermogen is een familiekarakteristiek," zegt Naipaul, "ik herkende het pas nog bij mijn zuster Savi. Ze beschreef een dikke Indiase man op de manier waarop een schrijver dat zou doen: de zachtheid van zijn huid, en daaronder iets slaps, dat alles naar beneden hangt. Intensieve observatie - dat hebben wij van onze vader geërfd. Als ik mensen ontmoet, zie ik meteen hun zwakke kanten: gemeenheid, grofheid, ijdelheid, altijd de slechte kanten eerst."
- Het uur van de muggen is aangebroken - in de verte luidt een gestage reggae-dreun de avond in. "Zullen we ophouden?" Naipaul is opgestaan en kijkt uit over het veld achter Kamla's huis.
"Een deel van dat land is van mij, ik zou er een huis kunnen bouwen."
"Denkt u daar weleens over?"
"Ik weet het niet. Als men achtenvijftig is, maakt men geen plannen meer." Hij staat naast me, klein, kwetsbaar ineens. "Voor jou is het anders, jij hebt nog twintig mooie jaren voor je." Dan draait hij zich abrupt om. "Zullen we naar binnen gaan?"
- Paula's moeder verkocht vroeger marihuana, vertelt hij - dat rookten de Indiërs als ze van hun werk op de suikerplantage thuiskwamen. Veel beter dan al dat drinken wat hem betreft. "Indiërs kunnen niet tegen drank. Als ik dat zeg, roepen ze dat ik een racist ben, maar het is gewoon waar."
- Naipaul blijkt licht ontstemd. In Guyana kwam hij afgelopen week de Nederlandse ambassadeur in Suriname tegen die hem vroeg of hij niet naar Suriname wilde komen. "Nee, dank u wel, ik vertrouw de militairen daar niet," zei hij. De man bezwoer hem dat alles rustig was. En vanochtend blijkt dat er een nieuwe militaire coup is gepleegd! "Zie je hoe slecht die ambassadeurs geïnformeed zijn?"
-
"Kijk eens wat daarbuiten gebeurt," Naipaul tuurt door de open deur
naar de veranda waar de andere eters bij elkaar zitten. Ik zie niets
bijzonders - een hoop chaotische drukte, zoals altijd op
familiebijeenkomsten.
"Hoor je het niet? Let eens goed op."
"Wat dan?"
"Iedereen praat, maar niemand luistert."
Hij heeft gelijk.
"Ik ben een luisteraar," zegt hij, "en jij, wat ben jij?"
-
Het begint nog harder te regenen. "Gaat het, Roshni?" vraagt Naipaul
als een van de ruitewissers het laat afweten. "Wat als die andere het
ook begeeft?" zijn stem klinkt bezorgd. "Spijtig dat we niet in India
zijn, dan zouden we een mannetje kunnen huren om hem met de hand te
bedienen!" Ik kijk achterom - hij zit te grinniken, zijn haren verwaaid,
zijn gezicht nat van de regen.
-
In zijn stem klinkt genegenheid. Zij zijn de oudsten; toen hun vader
stierf, nam zij de zorg van het gezin op zich. Zijn veeleisendheid
speelt haar soms parten. "Hij zit de hele tijd te denken en ik moet
meedenken!" hij bestormt haar met vragen; Wie maken er meer lawaai op
Trinidad, de zwarten of de Indiërs? Wie zouden er het meest lezen, de
Indiërs, de zwarten of de Chinezen?
- Ik heb The Killings of Trinidad, Naipauls essay over deze zaak, enkele avonden geleden opnieuw gelezen. Sinds ik hem heb ontmoet, heeft het lezen van zijn werk er een aangename dimensie bij gekregen: ik hoor zijn stem op de achtergrond.
- Hij zou het bijvoorbeeld moeilijk hebben gevonden om fictie te maken van zijn laatste India-reis. Het idee van een samenleving in verandering, de politieke spanningen, de onmogelijkheden - hij zou een hoop verloren hebben als hij het had gefictionaliseerd. Het wonderlijke van de verhalen lag juist in de waarheid.
- "... Maar de blanken maakten van de zwarte man een eeuwig slachtoffer. Hij was nooit de man die een slechte regering aan het bewind bracht, die geld stal of zich overgaf aan rassenrellen, zoals hier in het Caribisch gebied gebeurde. Geen zwarte schrijver heeft ooit over Guyana geschreven, wist je dat? Niemand heeft geschreven over de coup-poging op Trinidad. Zwarte auteurs schrijven niet over de rotzooi waarin dit gebied zich bevindt, ze hebben nog steeds de mond vol van de koloniale onderdrukking in het verleden."
- Toen coup-leider Abu Bakr jaren geleden op overheidsgrond een commune oprichtte, durfde de regering in Trinidad niets te doen. Ze waren bang om hem als zwarte tegen de haren in te strijken. Na de coup-poging werd een deel van de commune vernield, maar de moskee durfde niemand aan te raken. "Angst en bijgeloof!" snuift Naipaul, "ze hadden die moskee met de grond gelijk moeten maken!" Hij werpt een blik in de richting van de zwijgzame Pooran. "Vind je niet, Pooran? Laat Allah maar zien wat voor wraak hij kan nemen!"
- "Zie je die krotten? Geen zin voor esthetiek, Pooran, ze vinden het niet erg om de dingen lelijk te maken." Soms werpt hij me na zo'n uithaal een vlugge schalkse blik toe.
- "Kijk daar, Pooran, een man die een dozijn bananen verkoopt!" De zwarte verkoper die zich achter een tafeltje met bananen heeft opgesteld, werpt een verwachtingsvolle blik in onze richting. "Een hele man voor een dozijn bananen uit zijn achtertuin. En de bananen hangen hier op mondhoogte, hij hoeft niet eens moeite te doen om ze te plukken!"
- Met mijn zakmes maken we de blikjes open en drinken ze, geleund tegen de auto, op. "Zag je die winkelier, Pooran? Het was niet makkelijk om iets van hem los te krijgen, hè? Kan je je voorstellen wat er gebeurd zou zijn als daar een Indiër had gestaan? Die had ons wel twintig dingen aangesmeerd: nootjes, sandwiches, van alles! Zwarten hebben geen idee van zakendoen, ze denken dat het voldoende is om een winkel te openen, dat de rest dan vanzelf komt."
-
We kijken naar hetzelfde, maar zien verschillende dingen. Hij ziet
kinderen op blote voeten, ik volg de zelfgemaakte papieren vlieger die
de kinderen hebben opgelaten. Ik zie een idyllisch huisje aan het
strand, hij wijst met een vies gezicht naar het houten toilet.
-
Net als Pooran, die al enkele keren zwakjes heeft geprotesteerd tegen
Naipauls uitvallen door te zeggen dat de mensen in deze contreien het
moeilijk hebben, voel ik dat ik niet langer mijn mond kan houden, dat ik
iets moet zeggen, nu.
Het
is niet makkelijk om de juiste toon te vinden. Ik hoor mezelf hakkelen
en stotteren. Hoe kan hij dit landschap en wat erin gebeurt los zien van
elkaar?
"Wat
wil je precies zeggen?" Naipaul kijkt uit het raam, ogenschijnlijk
rustig, maar ik zie hoe hij zijn handen in elkaar klemt.
Ik mompel dat er toch ook andere manieren zijn om naar dit landschap te kijken, dat ...
"Ik begrijp je niet goed, ik hou ook van dit landschap."
"Maar de mensen die erin leven, die aanvaardt u niet ..."
"Wees eens wat duidelijker." Al zijn stekels staan overeind, hij is klaar om uit te halen.
"Ik probeer met uw ogen naar de dingen te kijken,"zeg ik, "dat is alles. Ik probeer te begrijpen waarom het u stoort."
"Oh, I see."
Het
is voorbij. Opgelucht haal ik adem en ik voel hoe ook Naipaul zich
ontspant. Maar hij heeft mijn gedachten wel degelijk geraden.
- Het was een slecht huwelijk, later ging ze er met een zwarte man vandoor. "Want de zwarte is als een gier, als hij iets langs de weg ziet liggen, vliegt hij eropaf," zal Naipaul me vertellen.
- Zijn ogen schieten heen en weer; niets ontgaat hem. Soms komt hij me iets in het oor fluisteren. "Zag je de bruidegom? Rather fat, eh? Doet iets met computers, zeggen ze. Een buschauffeur als je het mij vraagt."
- "Je kon in die tijd bij een zichzelf respecterende Indiase familie echt niet aankomen met een mister Cuffie!" Zwarte mannen zorgen niet voor hun familie, zegt hij, daarom zijn zoveel Indiërs bang voor gemengde huwelijken. "Wat vind jij, Pooran?"
- En zag ik de vrouw in de rode jurk die tegenover ons stond toen we op de veranda zaten? Ik herinner me haar vagelijk - ze sloeg nogal ostentatief grote hoeveelheden whisky naar binnen. Tot voor kort woonde ze in Canada, vertelt Naipaul, waar ze rondbazuinde dat ze uit een adellijke Indiase familie stamde. "Adellijke familie! Wij Indiërs waren een stelletje boeren, anders waren we honderdvijftig jaar geleden heus niet naar Trinidad gekomen. Just a bunch of peasants, really!"
Het verhaal over Naipaul krijgt van mij 5 sterren.