Frank van Rijn: De knipoog van het nijlpaard: Op de fiets dwars door Afrika (Nederland, 1992): 171 blz: Uitgeverij Pirola
Na
"Zuid-Amerika op de fiets" en "Op de fiets door Sahara en Sahel" is "De
knipoog van het nijlpaard" het derde boek van wereldfietser Frank van
Rijn. Deze eerste drie boeken zijn uitgegeven door uitgeverij Pirola.
Frank van Rijn was daar niet helemaal tevreden over en is voor zijn
latere boeken overgestapt naar uitgeverij Elmar waar hij nog steeds zijn
boeken publiceert.
De tocht die Frank van Rijn in dit boek beschrijft duurde van september 1991 tot mei 1992 en liep dwars door Afrika van Dar es Salaam in Tanzania naar Dakar in Senegal. Met zijn tocht ondersteunde Frank het werk van de Nederlandse Stichting voor Leprabestrijding die toen 25 jaar bestond. Onderweg bezocht hij enkele lepracentra.
Opnieuw een zeer onderhoudend tussendoortje!
- Een veelkleurige, rijkelijk van deuken voorziene bus stuift langs. Weer valt me op dat "vol" in Afrika een vergrotende trap kent. Deze bus zit, zoals alle bussen die ik in Tanzania gezien heb, "voller". Het voertuig puilt uit van de mensen en het dak is afgeladen met bagage, waaronder een aantal fietsen. Merkwaardig dat je je in zo'n rijdend sardineblik wringt als je zoiets moois en practisch als een fiets hebt. Met plezier en een klein beetje leedvermaak kijk ik de schommelende bus na, mij gelukkig prijzend, niet alleen met het bezit van een fiets, maar ook met het besef van de juiste waarde van dit vervoermiddel.
- Wachten is vervelend, maar als je je erop ingesteld hebt, valt het soms wel mee. Vooral hier in de natuur, met in het rond die schilderachtige baobabs, is het niet zo'n miserabel gebeuren als bijvoorbeeld op een postkantoor als je wilt telefoneren of op een immigratiekantoor voor een stempeltje in je paspoort.
- Tegen de avond, juist als ik door het dorpje Mulemba kom, ontmoet ik een groep van vier Britse fietsers. Na de bij zo'n ontmoeting gebruikelijke collegiale begroeting, nemen we plaats in een van de simpele eethuisjes langs de weg. De eigenaar van het etablissement komt snel met de spijskaart aangelopen. Ik bestel rijst met bonen, maar dat blijkt er vandaag niet te zijn. Een van de Britten vraagt gebakken eieren, maar die zijn er ook niet. Een ander bestelt vis met aardappelen, maar we zien reeds aan het gezicht van de eigenaar dat daar al evenmin op gerekend moet worden.
"Wat is er dan wel?" vraagt een van ons.
"Vandaag alleen gekookte bananen met cassave", is het antwoord.
"Dan kies ik gekookte bananen met cassave", zeg ik en dat lijkt de anderen zulk een goed idee dat zij dat ook bestellen.
- Als er vier auto's op een dag langskomen, is het veel, maar de hoeveelheid stof die zo'n auto opwerpt, is enorm, vooral als het een vrachtwagen is. Een minuut lang zit ik dan in een soort rode mist die de wereld aan het zicht onttrekt en die de fiets en mijzelf bedekt. Als ik op een avond de luxe van een douche geniet, lijkt het wel alsof er een varken geslacht wordt, zo kleurt het wegspoelende water in de douchebak rood.
- "Is er koude Coca-Cola?", vraag ik bij het enige winkeltje van het dorp, maar je kunt hier net zo goed om een sorbet met kersen en slagroom vragen.
"If you are further in the bush than Coca-Cola, you are really in the bush", heb ik wel eens horen zeggen. Wel, dan ben ik nu dus "really in the bush".
- Daar ontmoette ik de manager van het hotel, een Fransman die met een Nederlandse getrouwd is. Hij nodigde mij uit in het hotel te logeren. Zo luxe als het daar is, heb ik het nog maar zelden meegemaakt: televisie op de kamer, airconditioning, telefoon en een badkamer met een hete douche. Het is als een sprookje. De airconditioning heb ik meteen uitgezet, want ik ben niet in Afrika om kou te lijden. De televisie heb ik nog niet aangehad, want daar is toch zelden iets interessants op te zien. Het warme water heb ik niet nodig, want het "koude" is warm genoeg en als het 40 graden Celsius in de schaduw is, heb ik toch niet zo'n behoefte aan een hete douche. Maar het gaat om het idee dat ik over al die luxe beschik.
- Een eind verderop zie ik een karretje rijden. Het wordt getrokken door een ezel en er lopen vier mannen bij.
"Bonjour", groet ik.
"Bonjour", klinkt het in viervoud. Zouden deze mannen Frans spreken?
"Bonjour" kunnen produceren is daar nog geen garantie voor. Ik ken "bonjour" in een stuk of vijfentwintig talen, maar daarmee houdt mijn kennis voor het merendeel van die vijfentwintig talen op.
-
De volgende ochtend blijkt het keienpad, waar ik gisteren nogal moeite
mee had, eigenlijk best goed te zijn, maar dat komt omdat ik nu geen
race tegen de zon hoef te maken. Als je haast hebt op zo'n weg, is hij
slecht, maar als je het rustig aan doet, is hij goed.
- "Ben je Peace Corps Volunteer?", vraag ik in het Engels. De man antwoordt bevestigend. Amerikanen en vooral de vrijwilligers van Peace Corps, de indertijd door Kennedy opgerichte organisatie voor ontwikkelingssamenwerking, zijn altijd uitermate voorzichtig met water. Ik heb er een ontmoet die het water eerst kookte, het vervolgens filterde en er tenslotte nog zoveel waterzuiveringstabletten ingooide, dat ik de chemicaliën door acht scheppen suiker in de thee heen proefde.
-
Het is aangenaam weer eens gezelschap te hebben en te kunnen praten
over de dingen die ik om mij heen zie. Als ik alleen ben, praat ik soms
ook wel over die dingen, maar dan alleen tegen mezelf, van wie ik
meestal voorspelbare antwoorden krijg en die zijn niet altijd even
interessant.
- Veel Afrikanen houden van pillen en schijnen er een rotsvast vertrouwen in te hebben, ook al zijn de tabletten tegen andere kwalen bedoeld. Een pil is een pil, daar moet je niet moeilijk over doen.
"Neem ze niet allemaal tegelijk in", roep ik hem nog na, "want dan voel je je straks nog beroerder". Je moet hier oppassen voor de misvatting dat als één pil werkt, twee pillen tweemaal zo goed werken en tien pillen tienmaal zo goed.