Carolijn Visser & Sasza Malko: "En nog steeds hebben wij twee vaderlanden": Op avontuur in Nederlands-Indië (Nederland, 1988): 163 blz: Uitgeverij Meulenhoff
Halverwege
de jaren 80 woonden er in bejaardenhuizen en verzorgingstehuizen nog
veel oudere mensen die voor de Tweede Wereldoorlog in het toenmalige
Nederlands-Indië hadden gewoond en gewerkt. Carolijn Visser en Sasza
Malko wilden hun verhalen over de "tempoe doeloe" optekenen voordat het
te laat was.
De
losse verhalen in ""En nog steeds hebben wij twee vaderlanden"" maakten
op mij niet heel veel indruk, maar met zijn allen geven ze een
uitstekend tijdsbeeld van hoe het leven was in Nederlands-Indië voor de
Tweede Wereldoorlog. In het boek staat niet vermeld hoe de taakverdeling
was tussen Carolijn en Sasza. Omdat Carolijns naam als eerste vermeld
staat, vermoed ik dat zij verantwoordelijk is voor de uitgeschreven
teksten en dat ze samen de interviews hebben gedaan. Of mijn conclusie
juist is kunnen alleen de twee auteurs vertellen.
- Tijdens onze gesprekken over Nederlands-Indië hebben we vooral gevraagd naar herinneringen aan het straatbeeld, de kleuren, de gerechten, de kleine voorvallen en grote gebeurtenissen die tezamen wat men noemt het "dagelijks leven" vormen.
Een rubberplanter:
-
Iedere assistent was verantwoordelijk voor zo'n zevenhonderd hectaren
rubberbomen. Daarop werkten de koelies, meestal gecontracteerde Javanen,
die voor vijf, zes jaar naar Sumatra kwamen. Ze kregen vrije
huisvesting, medische verzorging, twee keer per maand voldoende rijst en
olie, bovendien verdienden ze geld. Dat werd twee keer per maand
uitbetaald, op hari gadji, de dag van het salaris. Daarna was er een vrije dag, hari besar, de grote dag. De Europeanen kregen verder nog twee vrije zondagen, dus vier vrije dagen per maand.
-
We vervoerden ook koelies uit Shanghai, Hongkong en Singapore. Zij
gingen op de cultuurondernemingen werken. Dat waren de werkkrachten op
Sumatra omdat de bevolking daar er niets voor voelde om dat werk te
doen. Ze lieten hun vrouwen een stukje grond bewerken en wat rijst
planten. Die mensen zijn het gelukkigst af van de hele wereld. Het is er
nooit koud, een huis bouwen ze van bamboe. Ze hadden het goede
principe, het heerlijke principe: waarom zou je werken om geld te
verdienen? Je werkt alleen als je niet voldoende hebt om in leven te
blijven ... Die mensen waren zeer verstandig!
Een zoon van een goudbaggeraar:
-
Een soort blokhutten waren het, de huizen waar we in woonden. Elk gezin
had een vrij grote tuin, met afrastering rondom. We hadden papayabomen,
bananen, honderden ananasplanten, pinda's in de grond die we zelf
kweekten. Groenten werden wekelijks aangevoerd uit hogere, koudere
gebieden, driehonderdvijftig kilometer ver weg. Andere dingen, zoals
rijst, bonen, boter in blik en melk haalden we in de bedrijfstoko.
-
Ik stond ook op de loonlijst van de maatschappij, ik werd wel een
beetje betaald. Nou ja, de Nederlander werd in beloning natuurlijk
altijd ver boven de Indonesiër gesteld. Als een Nederlandse boekhouder
driehonderd gulden in de maand verdiende dan kreeg zijn eerste assistent
misschien twintig gulden. Zo'n verschil. Laten we eerlijk zijn: het was
zo dat een Nederlander in Indonesië zat om er financieel behoorlijk
beter van te worden.
- Brood heb ik ook iedere dag zelf gebakken, dat deden alle Europeanen zelf. Je vond het een beetje eng om dat aan de bediende over te laten, ook omdat het zo nauw en precies met gist moest gebeuren. Dat was geen gewone gist maar een kweek, je moest het bijhouden. Bij een stukje deeg van de vorige dag deed je water van gekookte aardappelen en een eetlepel suiker. Als het helemaal mis ging, moest je wat deeg gaan halen bij een van de anderen, of je moest wachten tot de boot kwam.
De echtgenote van een resident:
- Op het eilandje Dammar was een missiefeest. Dat bij de binnenkomst van mijn man met de twee dames de plusminus vijfhonderd aanwezigen opstonden en het Wilhelmus - in het Maleis - begonnen te zingen, was waarlijk indrukwekkend. Zo ver van Nederland ons volkslied te horen.
- Die avond was er een groot feest. We zaten in een kring, ik zat naast de controleur. Toen kwam de vrouw van de radjah naar mij toe met een prachtig blad met alle benodigdheden voor het sirihpruimen. Ik had nog net genoeg tijd om aan de controleur te vragen: wat moet ik nu doen? Hij fluisterde snel: "Aannemen, buigen en teruggeven." Dat heb ik gedaan en toen begreep ze dat je als Nederlander niet pruimde.
De vrouw van een jong echtpaar:
-
Ik was zeventien toen ik Kees leerde kennen en daarna werd het helemaal
fantastisch. We zaten op dezelfde sportclub en hij was daar de grote
voetballer, een echte sportheld. Maar zijn auto, een schitterende
Chevrolet two-seater, vond ik in het begin nog leuker dan hemzelf. Stel
je voor: ik was de enige in de klas die een vriendje had met een auto en
wat voor een auto!
Een HBS-leerlinge:
-
In de klas waren we allemaal gelijk, onderwijs was het criterium. Wel
hadden de Indonesische kinderen het moeilijk, die leefden in twee
werelden. Ik had een vriendinnetje, Asmara, haar vader had in Nederland
voor kinderarts gestudeerd. Op school verkeerde ze in een totaal
Westerse wereld, thuis waren ze helemaal Indonesisch. Dan verkleedde ze
zich in een kebaja en haar vader had alles voor het zeggen.
-
Op een gegeven moment kwam onze Engelse grootvader logeren. Opa ging
met ons naar het zwembad en kwam verslagen thuis. Hij gaf onze moeder
een standje, nou! "Weet je dat je dochters daar gemengd zwemmen, en dat
daar jongelui zijn met alleen maar een zwembroek aan?" Je moest die
zwembroeken van toen zien: van hier tot hier, toch waren we decadent
volgens opa. Het was dus een confrontatie tussen een Engelsman en een
Pruisische en we moesten zeggen dat de Pruisische het won met haar
gezond verstand.
Een vrouwelijke ambtenaar:
-
's Morgens ging mijn vader naar zijn werk toe met een oude tweezits
Hillman van voor de Eerste Wereldoorlog. Nog met carbidlampen. De auto
moest aangezwengeld worden en mijn moeder moest iets nippelen. Zo bracht
vader ons naar school en waren daardoor overal bekend. Later hoorde ik
van mensen die halverwege op de weg naar Batavia woonden dat hun moeder
altijd riep: vooruit, je moet naar school, de kaaskoppen zijn al langs
geweest. De kaaskoppen, dat waren wij. Ik was toen hoogblond en die
haren wapperden altijd in de wind als ik achter in wat je noemt de
kattebak zat.
-
De mensen hier willen altijd weten over de Stille Kracht in Indië. Maar
die stille kracht daar is niet anders dan de stille kracht hier, het
komt hier precies zo voor. Overal wordt gedaan aan de beïnvloeding van
de geest van anderen. Maar ja, op Java werkte de natuur mee. De
ongerepte, prachtige, mysterieuze natuur, hier is alles van plastic.
Daar was je tussen de bomen, bij de bomen. We hadden een schommel die
ging echt hemelhoog. Je ging naar de sawa's om lotusbloemen te plukken
op zondagmorgen, je ging naar de kampongs. Tot en met mijn twaalfde heb
ik op blote voeten gelopen. Ik stond in contact met de aarde, nu nog
loop ik het liefst zonder schoenen, zonder knellende dingen.
Een Chinees:
-
Wij in onze familie hadden een andere levenswijze dan de doorsnee
Chinezen die in onze wijk woonden. Mijn vader dronk bijvoorbeeld bier en
brandy en serveerde allerlei sterke drankjes aan zijn Hollandse
relaties, rode wijn aan meneer pastoor. Om succesvol zaken te doen met
Europeanen moest je drank serveren en als je er tegen kon meedrinken.
Een vrouwelijke zendingsarts:
-
Het waren volkomen gescheiden werelden; je kon heel vervelend zijn
tegen je bedienden of je kon heel vriendelijk zijn, maar het waren
mensen van wie je heel weinig wist. Om een voorbeeld te noemen: de
kwestie van opleiding van Indonesische artsen, die speelde al vanaf het
eind van de vorige eeuw. De tegenstand van Nederlandse artsen kunt u
zich niet voorstellen. En weet u waarom? Je kunt toch geen Javaanse arts
aan het ziekbed van je vrouw vertrouwen, dat was het motief. In 1912
werd dat nog in het artsenblad geschreven, die datum weet ik nog
toevallig.
Een missionaris:
- Toch duurde het jaren voordat je leerde hoe je je moest gedragen. Laat ik een sprekend voorbeeld geven: Ik gaf zangles in de meisjesklas bij de zusters. Daarin zat een meisje dat de boel verstoorde en mij gruwelijk irriteerde. Ik ging op z'n Hollands te werk. Ik zei: "Hier!" En ik zette haar in de hoek. Ze zei niks. Veertien dagen later komt mijn was terug, het was gewassen bij de zusters waar dat meisje ook woonde. Alles zag er netjes uit, maar toen ik mijn habijt uitpakte was dat helemaal in repen gesneden. Ik wist meteen dat zij dat gedaan had en dat ik fout was geweest. Je mag nooit iemand publiekelijk laten afgaan.
- ... Aangezien ik in de kampong zou overnachten en ik alle tijd had, heb ik mijn geduld kunnen bewaren. Eerst moest er vergaderd worden. Ook heb ik meermalen hondevlees gegeten, al wist ik het dikwijls niet vanwege de vele kruiden en sterke peper. Maar toen een andere pastoor mijn werk overnam en men hem vroeg of hij graag hondevlees had, voor de Bataks een specialiteit, was zijn antwoord nee. "Maar uw voorganger was er gek op," zeiden zij.
- De Bataks vergeven ons Europeanen veel, indachtig hun spreekwoord: "Ander land, ander gras, ander volk, andere gebruiken".
-
Dat Hollanderdom bevatte voor de Bataks toen al wat begeerlijk was:
rijkdom, wetenschap, standing, kortom al wat vooruitgang brengt. Toen er
op mijn erf een school/kerk werd gebouwd, had een viertal kinderen van
nog geen tien jaar hun lijf met kalk vol gesmeerd. Zo kwamen ze bij mij
op de pastorie. En wat zongen ze?! Na bontar do hami na mora do hami, nunga maju: "Wij zijn blank, wij zijn rijk, wij zijn welvarend geworden".