Andrew Robinson: Satyajit Ray: The Inner Eye (Groot-Brittannië, 1989): 364 blz: Uitgeverij I.B. Tauris
Satyajit Ray. Wie, zullen jullie zeggen. Ik vermoed dat verreweg de
meeste Nederlanders nog nooit van deze man hebben gehoord. Toch wordt
Satyajit Ray door filmcritici en filmliefhebbers van over de hele
wereld, beschouwd als een van de belangrijkste regisseurs ooit.
Satyajit Ray, was geboren in Calcutta in 1921 en stierf ook daar in 1992, op 70-jarige leeftijd. Tussen 1955 (Pather Panchali, Song of the Little Road) en 1992 (Agantuk, The Stranger) heeft hij in totaal 37 films gemaakt, waarvan ik er inmiddels 22 in huis heb en heb gezien. Zelf beschouw ik het oeuvre van Ray, als het meest interessante oeuvre van een filmmaker dat ik ken.
Ray wordt in de eerste plaats geroemd als filmmaker, maar hij was op meerdere terreinen zeer begaafd. Hij was een van bekendste Bengaalse schrijvers en voor de meeste van zijn films schreef hij zelf het script. Hij redigeerde een tijdschrift voor kinderen waarbij hij alles deed: hij schreef de teksten, maakte de illustraties en maakte zelfs de kruiswoordpuzzels.
Ook was hij een zeer begaafd componist. Voor zijn eerste films liet hij de muziek componeren door bekende musici als Ravi Shankar en Ali Akbar Khan. Hij was niet heel erg tevreden over die samenwerking en bedacht dat hij het zelf beter kon. Voor het overgrote deel van zijn films componeerde hij zelf de muziek. Wie de muziek van zijn latere films beluistert, moet hem gelijk geven, hij kon het zelf inderdaad beter.
Hij was opgeleid voor grafisch vormgever. De illustraties die hij heeft gemaakt voor boekomslagen worden wereldwijd geroemd. Ook bemoeide hij zich met het ontwerpen van decors en kostuums.
Voor een wereldberoemde artiest, had hij weinig pretenties. Hij woonde samen met zijn vrouw en zijn enige zoon in een gehuurde flat in Calcutta en leefde vrij eenvoudig. Omdat hij spaarzaam met zijn middelen omging kon hij vrij goedkoop films maken, zonder enige concessies te doen aan zijn artistieke vrijheid. Al met al heeft dit een groot aantal prachtige films opgeleverd.
Ik heb bovenstaand stukje geschreven na mijn lezing van de biografie van Andrew Robinson in 2019. Destijds had ik uitgebreid aandachtstreepjes in mijn exemplaar gezet en ook een aantal mogelijke citaten genummerd. Het was nu wel heel makkelijk om de juiste citaten bij deze bespreking te vinden.
Satyajit Ray, was geboren in Calcutta in 1921 en stierf ook daar in 1992, op 70-jarige leeftijd. Tussen 1955 (Pather Panchali, Song of the Little Road) en 1992 (Agantuk, The Stranger) heeft hij in totaal 37 films gemaakt, waarvan ik er inmiddels 22 in huis heb en heb gezien. Zelf beschouw ik het oeuvre van Ray, als het meest interessante oeuvre van een filmmaker dat ik ken.
Ray wordt in de eerste plaats geroemd als filmmaker, maar hij was op meerdere terreinen zeer begaafd. Hij was een van bekendste Bengaalse schrijvers en voor de meeste van zijn films schreef hij zelf het script. Hij redigeerde een tijdschrift voor kinderen waarbij hij alles deed: hij schreef de teksten, maakte de illustraties en maakte zelfs de kruiswoordpuzzels.
Ook was hij een zeer begaafd componist. Voor zijn eerste films liet hij de muziek componeren door bekende musici als Ravi Shankar en Ali Akbar Khan. Hij was niet heel erg tevreden over die samenwerking en bedacht dat hij het zelf beter kon. Voor het overgrote deel van zijn films componeerde hij zelf de muziek. Wie de muziek van zijn latere films beluistert, moet hem gelijk geven, hij kon het zelf inderdaad beter.
Hij was opgeleid voor grafisch vormgever. De illustraties die hij heeft gemaakt voor boekomslagen worden wereldwijd geroemd. Ook bemoeide hij zich met het ontwerpen van decors en kostuums.
Voor een wereldberoemde artiest, had hij weinig pretenties. Hij woonde samen met zijn vrouw en zijn enige zoon in een gehuurde flat in Calcutta en leefde vrij eenvoudig. Omdat hij spaarzaam met zijn middelen omging kon hij vrij goedkoop films maken, zonder enige concessies te doen aan zijn artistieke vrijheid. Al met al heeft dit een groot aantal prachtige films opgeleverd.
Ik heb bovenstaand stukje geschreven na mijn lezing van de biografie van Andrew Robinson in 2019. Destijds had ik uitgebreid aandachtstreepjes in mijn exemplaar gezet en ook een aantal mogelijke citaten genummerd. Het was nu wel heel makkelijk om de juiste citaten bij deze bespreking te vinden.
In
vergelijking met de biografie van Marie Seton die ik een paar dagen
terug heb besproken is die van Andrew Robinson geschreven in een Engels
dat een stuk moeizamer leest. Robinson schrijft wel zeer onderhoudend en
zijn besprekingen van de films van Ray zijn veel uitgebreider. Ik denk
dat ik de voorkeur geef aan de biografie van Andrew Robinson. Ik vraag
mij nu wel af wanneer ik de films van Satyajit Ray weer eens ga
bekijken, ze zijn geweldig!
Satyajit Ray is niet een filmmaker die je op een of twee films moet
beoordelen. Het is iemand van wie je een aantal films gezien moet hebben
om de omvang van zijn genialiteit te beseffen. Het helpt ook erg als je
geïnteresseerd bent in vreemde culturen, in dit geval de Indiase
cultuur. Waarschijnlijk is er geen andere regisseur te bedenken die zijn
eigen cultuur zo alomvattend in beeld heeft gebracht. Ik denk ook dat
het zo is, dat je als je een film van Ray goed vindt, je ze
waarschijnlijk allemaal goed vindt, en dat als je een film vindt
tegenvallen, je ze waarschijnlijk allemaal vindt tegenvallen.
Citaten:
- Watching Ray's films again as a body of work reminded me, once more, of his incredible range - of period, setting, social class, tone and genre. No other film-maker, apart maybe from Kurosawa (though his depiction of women is notably inferior to Ray's), has encompassed a whole culture; and no other film-maker, full stop, has covered such a range, from pure farce to high tragedy and from musical fantasies to detective stories. Satyajit Ray, whatever some superficial or ignorant critics may say, is not primarily the maker of the Apu Trilogy. I fear that his range may never be fully understood, given that the films describe Bengal, which (unlike Japan) is of little political, economic or cultural importance to the world - and in a language unknown even to most Indians.
-
Apart from some months during his childhood and about six months in
Europe in 1950, Ray's life has been spent in Calcutta. As he later
remarked to me, "I don't feel very creative when I'm abroad somehow. In
need to be in my chair in Calcutta."
-
You can feel Ray's powers of observation acting upon you in a manner
that goes a long way to explaining the psychological intensity of his
films, "the pleasure of recognising the familiar pin-pointed by art".
-
But I have yet to meet anyone with a genuine feeling for a subject that
interests Ray who did not enjoy talking to him about it - whether it
was cinema, music, painting, literature, a new scientific theory,
cricket, the fast-changing face of Calcutta, someone he admires, or any
of a host of other things, often quite unexpected.
- Considering Ray's love of music of all kinds, which he believed to be greater than his love of cinema, and given that he has composed most of the background scores for his films along with many songs, it seems odd that Satyajit learnt no musical instrument in his youth, Indian or western.
- One of Ray's cardinal principles was to apply himself only to that at which he was naturally gifted; he felt that the Bengalis, in the name of security and respectability, were much too inclined to encourage round pegs to try to fit themselves into square holes.
- In fact Ray's whole sensibility, when he left Presidency College, was tuned to the West - its literature, paintings, music and films. They were what excited him the most.
-
"Death or suffering, if on a vast enough scale seem almost meaningless,
like the stars or the waves of the sea. A single person's dying, even
of a person one doesn't know, can shock one more than that of millions.
And death by famine, anyway in a big Indian city, may from a casual
glance scarcely noticed at first."
-
... Ray had analysed the failure of Indian directors to grasp the
nature of the medium, and concluded with a resounding manifesto: "The
raw material of cinema is life itself. It is incredible that a country
that has inspired so much painting and music and poetry should fail to
move the film-maker. He has only to keep his eyes open, and his ears.
Let him do so."
-
I would make my film exactly as De Sica has made his: working with
non-professional actors, using modest resources, and shooting on actual
locations.
-
No amount of technical polish can make up for artificiality of theme
and dishonesty of treatment. The Indian film-maker must turn to life, to
reality. De Sica, and not De Mille, should be his ideal.


















