Céline
(tekst) & Tardi (tekeningen): Reis naar het einde van de nacht
(Frankrijk, 1932): 381 blz: Vertaald door E.Y. Kummer (1968): Uitgeverij
van Oorschot
"Reis
naar het einde van de nacht", de roman waarmee Louis-Ferdinand Céline
in 1932 debuteerde is een absoluut meesterwerk, daarover kan wat mij
betreft geen twijfel bestaan. Mijn exemplaar van dit boek, een 19e
geïllustreerde druk uit 2004, bevat bovendien prachtige tekeningen van
Jacques Tardi, mijn favoriete striptekenaar. Nooit voordat ik in 2011
dit boek las voor de eerste keer en nooit sindsdien heb ik de
uitzichtloosheid van het leven zo treffend beschreven gezien. Dit boek
is een rauw boek, het grijpt je bij de keel om je niet meer los te
laten.
Citaten bij deel 4: arts in Frankrijk (blz 186-380):
- Toen ik eindelijk die vijf of zes jaar academische ellende achter de rug had, bezat ik m'n mooie snorkende titel. Daarna heb ik maar 's geprobeerd wortel te gaan schieten in de buitenwijken, meer mijn genre, in Garenne-Rancy, vlak buiten Parijs, onmiddellijk na de porte Brancion.
- Maandenlang heb ik hier en daar geld moeten lenen. De mensen bij mij in de buurt waren zo arm en zo wantrouwend dat 't buiten donker moest zijn voordat ze er toe kwamen me te laten roepen, mij, de arts die toch echt niet duur was. Zo ben ik heel wat nachten stikdonkere binnenplaatsjes overgestoken om tien en vijftien francs op te halen.
- Bébert had me zien aankomen. Ik was de dokter die op de hoek woonde, waar de bus stopt. Hij zag er vaal uit, Bébert, bijna groen zelfs, net een appel die nooit rijp zal worden. Hij krabde zich, en toen ik 'm dat zag doen kreeg ik ook zin om te krabben. Want ik had inderdaad ook vlooien, ik liep ze 's nachts op bij m'n patiënten. Ze springen graag in je overjas omdat 't de warmste en vochtigste plek is die ze op dat ogenblik kunnen vinden. Dat leren ze je allemaal op de universiteit.
- Aan zieken geen gebrek, maar je had er niet veel die konden of wilden betalen. Niets zo ondankbaar als het doktersvak. Als je bij rijke patiënten om geld komt, heb je veel weg van een lakei, bij arme patiënten voel je je gewoon een dief. "Honorarium?" Wat een woord! Ze hebben niet eens genoeg poen om te vreten en naar de bioscoop te gaan, moet je ze dan ook nog 's geld afnemen om je "honorarium" bij elkaar te krijgen? Vooral als ze net liggen te kreperen. Dat is niet eenvoudig. Je laat 't sloffen. Je wordt vriendelijk. En dan ben je verloren.
- Alles is een kwestie van wennen. Sommige goed geharde laboratoriumhulpen zouden, zonder een spier te vertrekken, in een doodkist waarin het nog volop aan het rotten was, hun potje gekookt hebben, zo weinig last hadden ze nog van al die bedorven resten en weeë stank.
- Ik ontdekte waarachtig bij mezelf dat ik veel liever Bébert in het leven wilde houden dan een volwassene. Als een volwassene 't aflegt, ben je er nooit helemaal rouwig om, dat is tenminste weer een schoft minder op de wereld, denk je dan, maar met een kind weet je dat nog niet zo zeker. Dat moet de toekomst nog uitmaken.
- De vroedvrouw kijkt verlangend uit naar het ogenblik dat ik tot aan m'n strot in de blubber zit, 'm dan moet smeren en haar de honderd francs laat opstrijken. Maar ze kan de pest krijgen, die vroedvrouw! En m'n huur dan?
- Heb je ooit iemand in de hel zien afdalen om er de plaats van een ander in te nemen? Nooit toch. Je ziet hem een ander naar beneden sturen. Zo is 't nou eenmaal.
- Rijke mensen hoeven voor een hap eten iemand niet zelf om zeep te brengen. Ze laten anderen voor zich werken, zoals dat heet. Ze doen zelf geen kwaad, die rijken. Ze betalen. Men doet alles om ze het naar hun zin te maken en iedereen is erg tevreden. Zij hebben mooie vrouwen, terwijl die van de arme drommels lelijk zijn. Dat is het resultaat van eeuwen, en dan praten we nog niet eens over hun toiletten. Mooie schatjes, goed gevoed, lekker schoon. Dat is nou alles wat er bereikt is sinds de wereld bestaat.
- De patiënten die ik daar had, waren vooral mensen die tegen de stad aan woonden; het was een soort dorp dat zich nooit helemaal los had kunnen wrikken uit de modder, klem tussen de vuilnisbelten en omringd door weggetjes, waar te rijpe snotmeiden spijbelend langs de schuttingen zwierven en van de ene geile ouwe vent na de andere twintig sous, frites en gonorroe cadeau kregen.
- Ik had langzamerhand de slechte gewoonte afgeleerd om mijn patiënten gezondheid te beloven. Het vooruitzicht dat ze gezond zouden worden kon ze geen groot plezier doen. Als het nou echt niet anders kan, dan ben je gezond. Het enige dat je kunt doen is werken, als je gezond bent, en wat koop je daarvoor? Terwijl een staatspensioen, hoe minuscuul ook, doodgewoon goddelijk is.
- Maar de bioscoop, die nieuwe kleine loonslaaf van onze dromen, die kun je kopen, die kun je voor een of twee uur betalen, net als een hoer.
- Dat is alles wat je van het leven overgehouden hebt. Deze kleine, wrange wroeging, de rest heb je onderweg met min of meer succes uitgekotst, met heel veel moeite en inspanning. Je bent niets anders meer dan een oude lantaarn vol herinneringen op de hoek van een straat waar al bijna niemand meer langs komt.
- We hadden wel met elkaar kunnen opschieten, op onze manier ... Indertijd wisten we precies wat we aan elkaar hadden, die schoondochter en ik ... Dat had een hele tijd geduurd ... Maar nu was ze voor mij niet diep genoeg gezonken, ze kon niet verder naar beneden ... Ze had daar de kennis en de kracht niet voor. In het leven ga je niet naar boven, maar naar beneden. Dat kon ze niet meer. Ze kon niet dieper afdalen tot waar ik me bevond ... Voor haar was er te véél nacht om me heen.
- Dus je komt niet? Ga je liever de bajes in? Prima! ... Interesseert 't je geen sodemieter dat ik je aangeef? ... Dat ik van je hou? ... Dat interesseert je ook geen sodemieter, hè? ... En ook niet wat er van mij terechtkomt? ... Feitelijk heb je aan alles schijt, nietwaar? Zeg 't maar?