J.M. Coetzee: Portret van een jongeman (Zuid-Afrika, 2002): 208 blz: Vertaald door Peter Bergsma (2002): Uitgeverij Cossee
"Portret
van een jongeman" is het tweede deel van de autobiografische trilogie
van J.M. Coetzee. In het eerste deel "Jongensjaren" hebben we gezien hoe
John opgroeide in de provincie in Zuid-Afrika.
In
het begin van "Portret van een jongeman" woont John inmiddels in
Kaapstad en studeert hij wiskunde aan de universiteit. Wiskunde studeren
is voor John een middel, hij wil als wiskundige zijn geld verdienen en
vervolgens een groot dichter worden.
Na
de universiteit houdt John het voor gezien in Zuid-Afrika en reist hij
af naar Londen. Daar vindt hij werk als computerprogrammeur. Het boek
gaat enerzijds over het werk dat John doet en anderzijds over zijn
liefdesleven. Op beide terreinen beschrijft hij zichzelf met de nodige
zelfspot, wat het boek in ieder geval voor mij, zeer aangenaam maakt om
te lezen. Net als in het eerste deel gebruikt Coetzee korte zinnen en
uiterst korte alinea's.
Citaten:
-
Maar hij kan niet eeuwig alleen blijven wonen. Het eropna houden van
een minnares hoort bij het leven van een kunstenaar: ook al slaagt hij
erin de huwelijksval te omzeilen, wat hij zeker zal doen, hij zal een
manier moeten vinden om met vrouwen samen te leven. Kunst kan niet met
ontbering alleen worden gevoed, met verlangen, eenzaamheid. Er moet ook
intimiteit, hartstocht, liefde zijn.
-
Er zijn twee, misschien drie plaatsen op de wereld waar het leven
werkelijk intens kan worden geleefd: Londen, Parijs, misschien Wenen.
Parijs komt op de eerste plaats: stad van de liefde, stad van de kunst.
Maar om in Parijs te wonen moet je op zo'n chique school hebben gezeten
waar ze Frans geven. Wat Wenen betreft, Wenen is voor joden die hun
geboorterecht weer komen opeisen: logisch positivisme, twaalftonige
muziek, psychoanalyse. Blijft over Londen, waar Zuid-Afrikanen geen
papieren op zak hoeven te hebben en waar de mensen Engels spreken.
-
De kranten staan vol advertenties voor computerprogrammeurs. Een graad
in de wiskunde wordt aanbevolen maar niet geëist. Hij heeft van
computerprogrammeren gehoord, maar wat het precies inhoudt is hem niet
duidelijk. Hij heeft nog nooit een computer gezien, behalve in
stripverhalen, waar computers worden voorgesteld als doosachtige
gevallen die rollen papier uitspugen. Voor zover hij weet zijn er geen
computers in Zuid-Afrika.
- Na het gesprek krijgt hij een IQ-test. Hij heeft IQ-tests altijd leuk gevonden, heeft er altijd goed bij gescoord. Hij is over het algemeen beter in tests, tentamens, examens, dan in het echte leven.
-
Er zijn nog meer opzichten, zo blijkt, waarin proza anders is dan
poëzie. In poëzie kan de handeling overal en nergens plaatsvinden: het
maakt niet uit of de eenzame vissersvrouwen in Kalkbaai of Portugal of
Maine wonen. Proza, daarentegen, lijkt hardnekkig om een specifieke
achtergrond te zeuren.
-
Fransen zijn het beschaafdste volk ter wereld. Alle schrijvers die hij
hoogacht zijn doorkneed in de Franse cultuur; de meesten beschouwen
Frankrijk als hun geestelijke thuis - Frankrijk en, tot op zekere
hoogte, Italië, al schijnt Italië zware tijden door te maken. Al sinds
zijn vijftiende, toen hij een postwissel van vijf pond en tien shilling
naar het Pelham Institute stuurde en in ruil een grammaticaboek ontving
plus een reeks oefenbladen om in te vullen en ter beoordeling aan het
Instituut te retourneren, probeert hij Frans te leren.
-
Want hij heeft geen aanleg voor liegen of bedriegen of regels aan zijn
laars lappen, net zoals hij geen aanleg heeft voor plezier maken of
opvallende kleding. Hij heeft alleen maar talent voor ellende, doffe,
eerlijke ellende. Als deze stad ellende niet beloont, wat heeft hij hier
dan te zoeken?
-
Net zoals hij aan de ene kant op afstand verliefd is geworden op
Ingeborg Bachman en aan de andere op Anna Karina, zo zal, vermoedt hij,
zijn aanstaande hem uit zijn werken moeten leren kennen, verliefd moeten
worden op zijn kunst voordat ze zo dwaas is om op hemzelf verliefd te
worden.
-
Wat heb je als minnaar, als schrijver, meer nodig dan een soort
stompzinnige, ongevoelige koppigheid, gepaard aan de bereidheid om de
ene mislukking na de andere te incasseren?
Wat
hem mankeert is dat hij niet bereid is om een mislukking te incasseren.
Hij wil een tien of een uitmuntend of een score van honderd procent
voor elke poging die hij onderneemt, met een dik Uitstekend! in de kantlijn.
