Paul van den Hoven, een goede vriend van mij, en medeoprichter en mede-eigenaar van antiquariaat Aleph in Utrecht heeft voor mijn vriendenboek een prachtig voorwoord geschreven:
Wat Erik en mij bindt – naast onze liefde voor de drie B's: de films
van Bergman, Buurman en Buurman – is onze verhouding tot de poëzie: ik
houd er heel veel van, en Erik heeft er helemaal niets mee. Poëzie,
anders dan proza, had er ook niet kunnen zijn, dat is het enige
verschil tussen die twee. Ook Erik had er niet kunnen zijn, en misschien
houdt hij om die reden wel niet van poëzie, zoals hij ook niet houdt
van films waarin voortdurend doden vallen, of weer opstaan. Om van dat
nauwelijks bestaande te kunnen houden, moet je er zelf uiteraard wel
zijn. De laatste tijd gaat het gelukkig beter met mijn vriend – mede
door zijn instelling van de gastmaaltijd – maar al heel lang sleept Erik
de mogelijkheid van een niet-bestaan als een schaduw achter zich aan.
Erik
houdt van concreetheid en realisme. Van romans. Uit poëzie rijzen geen
karakters op, slechts zelf-confrontatie en verlangens naar vergetelheid,
en als ik meen Erik al eens eerder te hebben ontmoet, dan kom ik uit op
Pierre Bezoechov, op een roman dus – toevallig ook een van Erik's
lievelingsboeken. In dat boek van Tolstoj vallen voortdurend doden, maar
ze staan niet meer op. Geen spoken. Groot, gul, goedmoedig, eerlijk, en
geneigd, al bewegend door het leven, mensen aan te trekken en
voorwerpen om te stoten. Pierre Bezoechov heeft zijn licht vooruit
geworpen, en in dat licht zie ik Erik. En zoals je terugkeert naar een
bepaalde romanfiguur, zo blijf je een goede vriend opzoeken. Tegenover
het bedreigde bestaan, staat iets onvergankelijks –maar om dit te zien
heb je beide nodig, en in ieder afzonderlijk zie je allebei.
Ik
ben blij dat Erik er is, en met de dagen waarop hij instemt met deze
uitspraak maakt hij me nog blijer. Misschien had ik hem wel nooit
ontmoet, noch gemogen, indien hij alle dagen van de week blij zou zijn.
Hij was iemand anders geweest, iemand met wie ik hoogstwaarschijnlijk
minder uitbundig had kunnen lachen. Wij hebben ongeveer hetzelfde, hoge
eettempo, ook dat bindt ons. Eten & praten combineren wij
bezwaarlijk, maar terwijl Erik zijn lachende gezicht achter een berg
aardappelen tevoorschijn eet, wil ik nog wel eens een woord inslikken om
bijvoorbeeld een tomaatje uit te spreken. Soms ontwaar ik bij het
weggaan, in een papierbak op de gang, het lege, piramidale omhulsel van
een Toblerone die mij vanwege een hongerklop in de vroege middag
klaarblijkelijk werd onthouden. Ik zwijg en Erik lacht. Ik word als een
farao onthaald, maar er zijn grenzen aan de vriendschap.
Poëzie
kun je laten zitten, voor proza moét je gaan zitten, dat is het enige
verschil. Omwille van al dat roman-lezen, neemt Erik vaak te lang een
zittende houding aan. Na twee maaltijden bij hem thuis lopen we dan ook
voor de derde naar Frans en zijn vrouw, die de lekkerste Indonesische
gerechten van Utrecht serveren. Omdat ik liever geen reclame maak,
vermeld ik hier alleen naam en adres: Eethuis Kolintang, Hondsrug 6.
Ik
kan goed citeren. Deze uitspraak moet eigenlijk tussen
aanhalingstekens, want hij komt van Erik, die hem misschien weer van
iemand anders heeft. Maar hij heeft gelijk: meer dan de helft van zijn
stukken zijn gevuld met zeer goed gekozen citaten. De uitspraak getuigt
van een goed inzicht, in literatuur en in hemzelf, en bovenal van
bescheidenheid. Bescheidenheid is weten wat je waard bent. Ik citeer
mijzelf.
Wanneer over tien jaar deel twee verschijnt en
Erik niet meer geïntroduceerd hoeft te worden, zal ik, mocht het mij
zijn vergund, naar achteren verhuizen voor het nawoord. Niet om daar het
laatste woord te nemen, maar om Erik te feliciteren met de voortzetting
van een oude & goede gewoonte, zij het leven of schrijven.
Met hartelijke groet en aanbeveling,
Paul van den Hoven
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.