Ik heb altijd een grondige hekel gehad aan vergaderen. Gelukkig verkeer ik al jaren in de gelukkige omstandigheid dat ik nooit meer een vergadering hoef bij te wonen. De laatste vergadering die ik heb bijgewoond was vermoedelijk een huisvergadering van de studentenflat waar ik woonde in 2001. Dat was niet bepaald een pretje, ik moest van verschillende huisgenoten aanhoren hoe slecht ik wel functioneerde.
Totdat ik ging studeren hoefde ik nooit te vergaderen. Vergaderen was iets wat de leraren deden en de paar leerlingen die in de leerlingenraad zaten. Ik heb nooit enige behoefte gevoeld me daarvoor aan te melden.
Toen ik ging studeren raakte vergaderen in de mode. Ik had huisvergaderingen van de studentenflat in Zeist waar ik woonde, vergaderingen van de zure regengroep van Milieudefensie waar ik lid van was, vergaderingen van de alpinistenclub, vergaderingen met medestudenten over de voortgang van werkgroepen en later toen ik ziek werd vergaderingen van Anoiksis, de patiëntenvereniging voor mensen met een aanleg voor psychosen.
In het begin nam ik het vergaderen erg serieus, ik probeerde goed op te letten en relevante vragen te stellen. Al gauw merkte ik dat op de meeste vergaderingen vooral oeverloos gezwamd werd en verminderde mijn belangstelling. Als het niet echt nodig was dat ik aanwezig was dan sloeg ik de meeste vergaderingen over. Ik denk dat ik na 1994 alleen nog maar huisvergaderingen heb bijgewoond, en dat met veel tegenzin.
Over het algemeen denk ik dat er aan vergaderen een te groot belang wordt gehecht en vooral dat er eindeloos veel tijd mee verspild wordt. Ik zou graag willen eindigen met een citaat uit het boekenweekgeschenk van Wim Kan uit 1983:
- Het vergaderen uitsluitend in eigen vrije tijd, zou vermoedelijk een einde maken aan het vergaderen.
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.