Carolijn Visser: Aan het einde van de regenboog: Goudzoeken in Costa Rica (Nederland, 1986): 91 blz: Uitgeverij Meulenhoff
Veel
recensenten hebben de neiging om dikke boeken hoger te waarderen dan
dunne boeken. Vroeger hield ik ook van dikke turven, maar tegenwoordig
ben ik vaker gecharmeerd van dunnere boeken.
In
"Aan het einde van de regenboog" schetst Carolijn Visser in slechts 68
tekstpagina's het leven van een gemeenschap van goudzoekers in Costa
Rica op een dusdanig knappe manier dat voor mij heel die gemeenschap tot
leven komt. Het is van omvang een bescheiden boekje, maar ik vind het
één van de mooiste boeken uit de Nederlandstalige literatuur die ik ken!
- De zon is nog maar net op als de eerste passagiers zich al verzamelen bij de aanlegsteiger van Golfito. De mannen lijken regelrecht uit het café te komen. Hun sombrero's staan scheef, hun kleren zijn smoezelig, hun gezichten zien grauw. De vrouwen zien er veel frisser uit in gekleurde jurken; zij hebben inkopen gedaan of zijn met een kind naar het ziekenhuis geweest. Er is ook een groepje minder degelijke dames dat meewil met de boot. Strakke jeans spannen zich om hun dikke billen, t-shirts laten hun schouders bloot. Giechelend praten ze over de klanten die ze aan de andere kant van het water denken te vinden.
De Arco Iris, een klein houten scheepje, wordt volgeladen met kratten bier, cola, zakken rijst en bonen, dozen met eieren, manden vol groenten en zelfs een paar biggetjes. De honger aan de overkant lijkt haast niet te stillen.
-
Een aantal dozen en kratten wordt een winkel binnengedragen die langs
de hoofdstraat ligt. De Chinees achter de toonbank heeft het geld keurig
uitgeteld klaarliggen en betaalt de mannen van de Arco Iris. In de
winkel is alles te koop wat een goudzoeker nodig kan hebben: touw,
goudpannen, schoppen, lange kapmessen, gereedschap, sterke drank,
sigaretten, rijst, bonen, zadels, rubberlaarzen; alles staat in het
gelid uitgestald op een betonnen vloer. "Hay mucho oro", er is
veel goud, zegt de Chinees afwezig. Als ik een fles whisky en een paar
rubberlaarzen afreken, zegt hij het nog een keer: "Hay mucho oro.
Maar niet iedereen weet het te vinden. En of ze iets vinden of niet,
eten moeten ze toch. Ik geloof persoonlijk meer in handel."
-
Maar dat is niet het ergste, vervolgt ze. Het vervelendste
bijverschijnsel van het goud is dat geen enkele knecht langer dan een
week voor haar blijft werken. "Ik haal ze van het vasteland, uit de
verste uithoeken, ik bied ze een loon en een huisje waar ze met hun
familie kunnen wonen. Maar wat doen ze? Binnen de kortste tijd zitten ze
in de bergen, te zoeken naar goud, in plaats van iets degelijks op te
bouwen voor hun gezin."
-
Tijdens het eten moppert ze weer over de goudzoekers op het
schiereiland. "Goudzoeken is geen werk," zegt ze, "het is gokken, en ik
heb geen respect voor gokkers."
- Op het schiereiland verspreiden nieuwtjes zich zo snel als een goudzoeker zich verplaatsen kan. Daarom is de romance van Juan Bravos binnen een week tot in de verste uithoeken bekend.
De ongekroonde koning heeft een Amerikaanse vriendin, een gringa. Alle mannen zijn stinkend jaloers, al maken ze de meest schunnige opmerkingen over Debby, de vrouw in kwestie.
- Salvador lacht verlegen om zijn theorie. "Ach nee," zegt hij dan. "Het is allemaal toeval in het leven. Neem nou mijn twee kinderen, hoe ik daaraan ben gekomen. Jaren geleden kwam er een vrouw voorbij, heel arm, met een baby. Ze vroeg of wij daarop wilden passen, terwijl zij in de bergen naar goud zocht. We hebben haar nooit meer gezien. Onze jongste, Juan Carlos, hebben we gevonden in een kartonnen doos bij de landingsstrip. Iemand had hem vergeten. We hebben hem naar de koning van Spanje genoemd. Wij hebben zelf nooit kinderen kunnen krijgen, maar het toeval heeft er ons toch twee gebracht."
- Hij overhandigt een flesje waarin zich zijn vondsten van de afgelopen drie dagen bevinden. Alle goudzoekers bewaren hun goud in een flesje vol water, omdat het daarin op de bodem zinkt en niet gemakkelijk verloren kan raken.
-
Patrick vertelt over zijn meest favoriete onderwerp: hoe hij grote
hoeveelheden goud is kwijtgeraakt en weer heeft teruggevonden.
"Ik
loop over de Passéo Colon is San José, met op mijn schouder een nieuwe
cassetterecorder en een zak vol nuggets. Word ik opeens op mijn schouder
getikt door iemand: "Meneer, u verliest uw stenen." Heb ik alles terug
kunnen vinden. ..."
-
"Een andere keer had ik heel veel zitten drinken in een café en zeker
tien kilo goud in een papieren zak op tafel laten staan. De volgende dag
ben ik naar die kroeg teruggekropen en de barkeeper zei meteen: "O ja, u
heeft hier die zak frigoles, bonen, laten staan.""
-
Patrick windt zich steeds meer op over de naïviteit, het onverstand van
zijn landgenoten. "Ze hebben de kosten onderschat, ze dachten dat alles
wel goedkoop zou zijn in een Derde Wereldland, alleen de lonen zijn
laag, onderdelen kosten soms wel drie keer zoveel als in de Verenigde
Staten, dat soort dingen wordt immers geïmporteerd. ..."
- Carrano's kleine ogen knijpt hij dicht als hem gevraagd wordt hoeveel goud hij gevonden heeft. Hij lacht, waardoor zijn buik op en neer danst. "Juffrouw, er is een belangrijke regel waar elke goudzoeker zich aan moet houden: nooit vertellen hoeveel goud je gevonden hebt. Dat kan alleen maar gevaarlijk zijn. ..."
- "... Mensen willen erbij zijn als het goud verdeeld wordt, niet als het gezocht wordt."
- De Costaricaan voorspelt dat het wel een tijd zal duren voordat de chef arriveert, ondertussen kunnen we een pilsje drinken in het café vlakbij. Daar zijn we de enige bezoekers, het gebouwtje is gemaakt van bamboe, door de wanden zucht een warme bries. Verheugd haalt de cafébaas een kalender te voorschijn waarop hij beslag heeft weten te leggen; er staan naakte Japanse meisjes op. Met ieders volmondige goedkeuring wordt de kalender aan de muur gespijkerd. "Zo voelen de jongens zich een beetje thuis," zegt de cafébaas goedmoedig, "er zitten trouwens mooie meisjes tussen."