Kenneth Grahame & Ernest H. Shepard (tekeningen): De wind in de
wilgen (Groot Brittannië, 1908): 232 blz: Vertaler niet vermeld: Uitgeverij Ploegsma
"De wind in de wilgen" is een wereldberoemd Engels kinderboek uit 1908. Kenneth Grahame, de schrijver van dit boek was in één klap binnen.
In "De wind in de wilgen" worden de avonturen van 4 bevriende dieren verteld: de rat, de mol, de pad en de das. In het begin van het boek komt de mol uit zijn hol en maakt een wandeling in de buitenlucht. De mol ontmoet de rat en ze sluiten vriendschap. De rat heeft een eigen bootje en hij leert de mol hoe hij moet varen.
Samen gaan ze op bezoek bij de pad. De pad woont in een enorm huis en heeft veel geld geërfd van zijn vader. In tegenstelling tot de mol en de rat houdt de pad van avontuur. Hij heeft een kar laten bouwen en wil daarmee de wijde wereld in samen met de mol en de rat die hem dit plan uit het hoofd proberen te praten. Er wordt een paard voor de kar gespannen en ze vertrekken. Al gauw worden ze door een auto ingehaald en kantelt de kar.
Vervolgens wil de pad ook een eigen auto hebben en bestelt er meteen een. Dit kan natuurlijk nooit lang goed gaan en de vraag is waar dit alles toe leidt.
Ik vind "De wind in de wilgen" een erg leuk en vooral ook erg vriendelijk boek. Als je hedendaagse boeken gewend bent met enorm veel geweld erin dan voelt het lezen van "De wind in de wilgen" als een aangename verademing. Misschien is dit boek wat braafjes, maar zeker een plezier om te lezen en beslist niet alleen voor kinderen.
Citaten:
- Tenslotte is het fijnste van een vrije dag misschien niet zozeer dat je zelf uitrust, maar dat je alle anderen hard ziet werken.
- De Mol draaide met zijn tenen van puur plezier, gaf een zucht van diepe voldoening, en leunde gelukzalig achterover in de zachte kussens. "Wát een dag heb ik!" zei hij. "Laten we meteen gaan!"
"Wacht dan even!" zei de Rat. Hij maakte het aanlegtouw vast aan een ring van zijn steiger, klom omhoog in zijn hol, en verscheen na een poosje weer, zwaarbeladen met een grote rieten etensmand.
"Schuif die onder je voeten," zei hij tegen de Mol, toen hij hem in de boot liet zakken. Daarna maakte hij het touw los en greep de riemen weer.
"Wat zit erin?" vroeg de Mol, die brandde van nieuwsgierigheid.
"Er zit kouwe kip in," antwoordde de Rat bondig, "kouwe tong kouwe ham kouwe rosbief augurken sla kadetjes tuinkers cornedbeef gemberlimonade spuitwater ..."
- Toen het eten ten slotte werkelijk gedaan was, en ieder dier voelde dat zijn vel nu zo strak stond als het fatsoenshalve kon lijden, en dat hij zich nu geen zier meer van iets of iemand aantrok, gingen ze om de gloeiende blokken van het grote houtvuur zitten, en bedachten ze hoe leuk het was om nu nog op te zijn, zó laat, zó van niemand afhankelijk en zó vol.
- "Wie zal het zeggen," zei de Das. "Mensen komen ... ze blijven een tijdlang, het gaat hun goed, ze bouwen ... en ze gaan. Dat is hun manier. Maar wij blijven. Er waren hier dassen, heb ik me laten vertellen, lang zelfs voordat die stad bestond. En nu zijn er hier weer dassen. We zijn volhardend van aard, en soms trekken we voor een tijd weg, maar we wachten en zijn geduldig en we komen terug. En zo zal het altijd zijn."
- "Luister dan eens!" zei de Rat. "Je gaat dadelijk, jij met je lantaarn, en je haalt me ..."
Hierop volgde veel gefluister, en de Mol hoorde er alleen maar stukjes van, zoals; "Vers, denk erom ...! Nee, een pond ervan is genoeg ... denk erom, roomboter, margarine moet ik niet hebben ... nee, alleen het beste ... als je het daar niet kunt krijgen, probeer het dan ergens anders ... Ja natuurlijk, eigengemaakte, geen blikjesrommel ... nou, doe je best!" Ten slotte rinkelde er geld van de ene poot in de andere, de veldmuis kreeg een grote mand voor zijn boodschappen, en weg was hij, hij en zijn lantaarn.
- "Pad," zei ze opeens, "luister eens, alsjeblieft, ik heb een tante die wasvrouw is."
"Kom, kom," zei Pad minzaam en vriendelijk, "wat doet dat ertoe, vergeet het maar. Ik heb een heleboel tantes die wasvrouw zouden móéten zijn."
- Tot zijn afgrijzen herinnerde hij zich dat hij zowel jas als vest in zijn cel achtergelaten had, en dus ook zijn portefeuille, geld, sleutels, horloge, lucifers, vulpotlood ... alles wat het leven levenswaard maakt, alles wat het dier met veel zakken, de heer der schepping, onderscheidt van de minderwaardige creaturen met één zak of zonder zakken, die zomaar rond mogen hippen en wippen, zonder uitgerust te zijn voor de echte strijd.
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
Bent u op zoek
naar een mooi boek
Kijk dan bij
Ardi Seij