Posts tonen met het label Biologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Biologie. Alle posts tonen

donderdag 15 januari 2026

Alfred Russel Wallace: Het Maleise eilandenrijk

Alfred Russel Wallace: Het Maleise eilandenrijk (Groot-Brittannië, 1869): 679 blz: Vertaald door Ruud Rook (1996): Uitgeverij Atlas
 
 
 
"Het Maleise eilandenrijk" van Alfred Russel Wallace wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste reisverhalen uit de 19e eeuw.
 
Alfred Russel Wallace was een bioloog die tegelijkertijd met Charles Darwin op het idee van evolutie kwam. Het verschil tussen hen beiden was dat Wallace in een creatieve flits kwam tot een schets van hoe evolutie volgens hem verliep terwijl Darwin al 20 jaar met het idee bezig was en uitgebreid alle voors en tegens had overdacht.
 
Wallace deelt het eilandengebied in vijf regio's in:
1): De Indo-Maleise eilanden: bestaande uit het schiereiland Malakka en Singapore, Borneo, Java en Sumatra.
2): De Timor-groep: bestaande uit de eilanden Timor, Flores, Sumbawa en Lombok, alsmede verscheidene kleinere eilanden.
3): Celebes (tegenwoordig Sulawesi genaamd).
4): De Molukken.
5): De Papoease groep: bestaande uit Nieuw-Guinea alsmede de Aroe-eilanden en verscheidene andere eilanden.
 
Van iedere regio beschrijft Wallace zijn reizen door dat gebied, terwijl hij steeds afsluit met een hoofdstuk over de natuurlijke historie van het besproken gebied.
 
In "Het Maleise eilandenrijk" doet Wallace verslag van zijn verblijf gedurende de jaren 1854-1862 in wat toen Maleisië heette (tegenwoordig spreekt men van Indonesië). Wallace was van arme afkomst en moest om zijn reis te kunnen bekostigen dieren verzamelen. Dat deed hij met ongekende overgave, een groot deel van zijn boek wordt gevuld met beschrijvingen van vangsten van vooral vogel-, vlinder- en keversoorten. Hij verzamelde 1000 soorten vogels en 7000 soorten kevers en vlinders. Daar zaten een aantal nieuwe soorten bij waarvan er ook enkele naar hem vernoemd zijn, waaronder een soort paradijsvogel.
 
Wallace ontdekte dat er een grens liep tussen Bali en Lombok en ten oosten van Celebes ten westen en oosten waarvan de dierenwereld flink verschilde. Deze grenslijn wordt sinds die tijd de Wallace-lijn genoemd.
 
Verder schrijft Wallace over zijn ontmoetingen met het Maleise en Papoease mensenras. Geheel in de trant van de 19e eeuw beschrijft hij deze als lui en een treetje lager op de evolutieladder staand dan de  westerse mens.

Hij schrijft ook over de jacht op de orang oetans, over de doerian, over bamboe en over de productie van sago.
 
Kenmerkend voor de onbevooroordeelde blik waarmee Wallace kijkt is dat hij het Nederlandse cultuurstelsel als het beste systeem beschouwt dat hij kent in de koloniën.
 
Ook is Wallace enthousiast over de waterklok (een halve kokosnoot met onderin een gaatje die geleidelijk volstroomt met water) en vindt hij reizen met de inheemse prauw gerieflijker dan met een stoomboot, die toch als een hoogtepunt van de westerse beschaving wordt beschouwd.
 
Wallace sluit het boek af met een beschouwing over Engeland, het rijkste land ter wereld waarin desondanks tien procent van de bevolking in armoede leeft of van de misdaad.  
 
Het is een erg onderhoudend boek waarin de vele opsommingen van verzamelde dieren soms wat langdradig zijn. De vertaling van Ruud Rook leest uitstekend.
 
Citaten:
- De Chinese bazaar telt honderden winkeltjes die een veelzijdige verzameling ijzerwaren en manufacturen te bieden hebben, veelal tegen wonderbaarlijk lage prijzen. Men kan er fretboortjes kopen voor een stuiver per stuk, vier bollen wit katoendraad voor een halve stuiver, en pennemesjes, kurketrekkers, kruit, schrijfpapier en vele andere artikelen kosten hetzelfde of zijn goedkoper dan in Engeland.
 
- Laat in de middag bereikten we Sodos, gelegen op een heuvelrug tussen twee rivieren, maar omringd door fruitbomen, zodat er van het landschap weinig te zien was. Het huis was ruim, schoon en gerieflijk, en de mensen waren erg voorkomend. Veel vrouwen en kinderen hadden nog nooit een blanke gezien en betwijfelden of ik overal dezelfde kleur had als in mijn gezicht. Ze smeekten me om mijn armen en lichaam te ontbloten en waren zo aardig en vrolijk dat ik me verplicht voelde om ze enigszins tegemoet te komen, zodat ik mijn broek optrok en mijn been liet zien, waarna ze dit lichaamsdeel belangstellend onderzochten.
 
Over de doerian:
- Het vruchtvlees is het eetbare deel, en de consistentie en smaak zijn onbeschrijflijk. Machtige boterachtige custardvla, op smaak gebracht met amandelen, is nog de beste beschrijving, maar dan bijgemengd met wat vleugjes van smaken die doen denken aan roomkaas, uiensoep, brown sherry en andere onverenigbare zaken.
 
Over bamboe:
 - Bamboe groeit in bijna alle tropische landen, en overal waar het algemeen is maken de inlanders er op de meest uiteenlopende manieren nuttig gebruik van. Bamboe is sterk, licht, glad, recht, rond en hol, men kan het makkelijk en netjes splijten, het groeit in alle mogelijke lengtes, het laat zich probleemloos kappen en men kan er makkelijk gaatjes in boren, het is uitwendig keihard, heeft geen uitgesproken smaak of geur, komt overvloedig voor en groeit en vermeerdert zich snel. Stuk voor stuk eigenschappen die het geschikt maken voor talloze toepassingen, waarvoor andere materialen veel meer werk en toebereidselen zouden vergen.
 
- De inlanders leven (in elk geval tijdens de natte moesson) uitsluitend van rijst, zoals de arme Ieren van aardappelen. Een groot deel van het jaar eten ze tweemaal per dag een pan kurkdroog gekookte rijst met zout en rode pepers en verder niets.
 
Over de prauw:
- In de loop van die vier sombere dagen had ik het heel prettig in dit knusse hokje - prettiger dan het geval zou zijn geweest als ik dezelfde tijdsduur opgesloten zou hebben gezeten in de protserige en ongezellige eetzaal van een eersteklas stoomboot. Want wat rook alles fris aan boord - geen verf, geen teer, geen nieuw touw, geen vet (voor wie er gevoelig voor is, de afschuwelijkste geur van allemaal), olie of vernis, maar in plaats daarvan bamboe en rotan, kokostouw en dakbedekking van palmbladeren, louter zuiver plantaardige vezels, die aangenaam ruiken, als ze al ruiken, en rustige tafereeltjes in het groene en schaduwrijke bos voor de geest roepen.

      
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.


woensdag 30 juni 2021

Steve Jones: Als een walvis

Steve Jones: Als een walvis: Darwin voor de 21ste eeuw (Verenigde Staten, 1999): 415 blz: Vertaald door Carla Benink (2002): Uitgeverij Ambo/Anthos
 
Als een walvis
 
De Amerikaanse geneticus Steve Jones heeft met "Als een walvis" geprobeerd om een boek te schrijven dat Charles Darwin geschreven had kunnen hebben als hij "Over het ontstaan van soorten" niet in 1859 maar in 1999 had gepubliceerd. 

Steve Jones maakt veelvuldig gebruik van de nieuwste onderzoeken, met name op het gebied van de genetica. Jones gebruikt de hoofdstukindeling van Darwins boek plus Darwins eigen samenvattingen en ondertitels plus het laatste hoofdstuk "Recapitulatie en conclusie". Hij probeert om Darwin geschikt te maken voor onze tijd. 

"Als een walvis" is redelijk onderhoudend, maar het heeft natuurlijk bij lange na niet de impact van "Over het ontstaan van soorten". Darwin heeft zijn waarnemingen zorgvuldig uitgezocht om een zo'n sterk mogelijk pleidooi voor zijn evolutietheorie te geven. Hoewel tegenwoordig veel meer bekend is over hoe evolutie praktisch in zijn werk gaat is het boek van Steve Jones veel minder overtuigend.
 
Bij Darwin is ieder aangehaald feit van belang voor de ondersteuning van zijn theorie, terwijl bij Jones veel feiten er met de haren bij gesleept lijken om zijn verhaal onderhoudender te maken. Bovendien vind ik Darwin de "veel" betere schrijver, maar dat kan ook deels aan de kwaliteiten van de vertalers liggen.
 
"Als een walvis" heeft sinds 2014 op mijn lijst met favoriete non-fictie boeken gestaan. Daar gaat het bij deze van af. Het is zeker een onderhoudend boek, maar als je "Over het ontstaan van soorten" al hebt gelezen, dan is dit boek in feite overbodig.
 
Citaten:
- Het aantal sneeuwhoenderen dat per seizoen in Canada wordt geschoten, fluctueert met een factor vijf. Dit ritme is volgens de boeken van de Hudsons Bay Company sinds 1821 onveranderd gebleven (en bestaat waarschijnlijk al twintigmaal zo lang). De oorzaak lijkt voor de hand te liggen. Deze vogels worden met duizenden tegelijk door lynxen gedood en hoe meer van deze grote katten er rondlopen, hoe minder er voor elk dier overblijven. In deze malthusiaanse strijd tussen kat en vogel lijken deze dieren om beurten te winnen.
 Maar de waarheid is ingewikkelder. Sneeuwhoenders zijn niet het lievelingskostje van de lynx. De katten eten liever Amerikaanse hazen die in sommige jaren in overvloed aanwezig zijn en in andere heel schaars zijn. Hun aantal fluctueert met een factor veertig, terwijl dat van de lynx met een factor zeven fluctueert.

- In 1980 werden er op het door varens verstikte Lake Moondarra duizend zwarte langsnuitkevers - in Brazilië een grazer op het onkruid Salvinia - losgelaten. In april was hun aantal gegroeid tot honderd miljoen, maar in augustus werd het een ramp. De hoeveelheid varens nam af van vijftigduizend ton naar minder dan een ton, de kevers lieten ook het leven en kort daarna was er geen varen of kever meer over.

- Een kwarteeuw lang werden in Eksdale in het zuiden van Schotland de successen en mislukkingen gevolgd van tweehonderd gemerkte vrouwtjessperwers. Net als de zwaluwen in Selborne bleef hun aantal ongeveer gelijk. Achter deze stabiliteit schuilen grote verschillen in de mate waarin elke vogel succes had in het doorgeven van haar genen. De meeste van deze vogels zitten wat de evolutie betreft op een dood spoor. Drie van de vier vrouwtjes sterven jong, vinden geen partner of krijgen geen jongen. Sommige weten in de seksuele strijd de kop boven water te houden. Een vijfde van de jongen produceert negen tiende van de volgende generatie. Een paar vogels leven tien jaar en krijgen ongeveer twintig jongen, terwijl een groot aantal sterft voordat het de kans krijgt te jongen.

- De penis verheft de mens boven de primaten, want in vergelijking is dit orgaan bij ons enorm groot. De gorilla kan niet bepaald voor de dag komen met zijn lid van ongeveer drie centimeter lang en de chimpansee die een onverzadigbare seksuele honger heeft (per jaar paart hij honderden keren met tientallen vrouwtjes), komt er nauwelijks beter van af.

- Dikke ouders hebben over het algemeen dikke kinderen, niet omdat deze eigenschap in hun genen zit, maar omdat ze hun kroost hetzelfde soort voedsel geven. Dikke mensen hebben ook dikke katten, maar niemand geeft hun DNA daar de schuld van. 

- Vrij snel na de herontdekking van Mendels werk kwam er een belangrijke uitzondering op zijn wet boven tafel. Het bleek dat sommige eigenschappen niet onafhankelijk van elkaar zijn, maar dat bepaalde combinaties in elke nieuwe generatie terugkomen. Ook al reizen ze niet altijd samen, toch blijft hun verband in zekere zin bestaan. Alle genen behoren tot een van de groepen die samen reizen. Alleen leden van verschillende groepen houden zich aan Mendels wet van onafhankelijkheid.

- Soms zien we een nieuwe gewoonte ontstaan. Ergens was een pimpelmeesje de eerste die de dop van een melkfles openpikte, een idee dat zich door een groot deel van Europa verspreidde. Op dezelfde manier gebruiken chimpansees in Ivoorkust rotsblokken om noten te kraken, een kunst die bij hun verwanten een paar honderd kilometer verderop totaal ontbreekt.

- De beste plaats om de genen te vinden die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van soorten is bij de fruitvliegjes. Ze paren zonder bezwaar in een reageerbuisje en brengen een paar weken later nageslacht voort. Hun chromosomen kunnen door een microscoop worden bekeken en zo zijn al duizenden genen ontdekt. Bovendien bestaan ze in vele soorten en zijn sommige bereid om in een laboratorium te kruisen. Hun bereidheid om hun reproductieve zuiverheid te bezoedelen is een behulpzame factor om te begrijpen wat de verschillende soorten uit elkaar houdt.

- Van drie kwart van de grote zoogdieren in de savannen van Oost-Afrika blijven de botten minstens een jaar liggen, maar die van kleinere dieren verdwijnen bijna meteen. Hoewel levende spitsmuizen er veel vaker voorkomen dan hun reusachtige buren, geven de fossielen er geen beeld van de werkelijkheid. In het Afrikaanse landschap liggen vijfhonderd maal zoveel botten van olifanten als van spitsmuizen.

- Gelukkig hebben we een universele maatstaf voor de snelheid van de evolutie, een maatstaf die zowel voor een paar weken in het leven van fruitvliegjes in een laboratorium als voor millennia in dat van dinosaurussen kan worden gebruikt. Een eenheid van evolutie per miljoen jaar wordt een "Darwin" genoemd. Deze is gebaseerd op de mate waarin de gemiddelde grootte van een kenmerk (vergeleken met de absolute grootte van de drager) in de loop van de tijd verandert.
 
- Toch moeten de recentere vormen in één opzicht verder zijn, want een nieuwe soort ontstaat alleen als deze in de strijd om het bestaan iets voor heeft op andere en op zijn voorgangers. Van de buitengewone manier waarop Europese producten zich onlangs over Nieuw-Zeeland hebben verspreid, kunnen we aannemen dat een heleboel Britse producten veel van de inheemse soorten zullen uitroeien. In dit geval kunnen we dus zeggen dat de Britse producten beter zijn dan die van Nieuw-Zeeland. Toch heeft de knapste bioloog bij zijn onderzoek van de twee soorten van deze landen dit niet kunnen voorzien.

- Als we naar de verspreiding van organische schepsels over de aardbol kijken, valt ons in de eerste plaats op dat noch de overeenkomsten noch het gebrek aan overeenkomsten tussen de bewoners van de verschillende gebieden door klimatologische of fysieke omstandigheden kan worden uitgelegd. Voor zo goed als elk klimaat of elke omstandigheid in de Oude Wereld bestaat een equivalent in de Nieuwe en ondanks dit parallellisme zijn hun levende producten zeer verschillend.
 
- Er bestaan geen grotere verschillen tussen mariene fauna's, met nauwelijks een vis, schaal- of schelpdier gemeen, dan tussen die van de oost- en westkust van Zuid- en Midden-Amerika. Toch worden deze belangrijke fauna's slechts door de smalle maar onoverbrugbare landengte van Panama van elkaar gescheiden.

- De mens mag dan wat zijn anatomie betreft weinig van de andere primaten verschillen, zijn verleden is net zo interessant, al was het alleen maar omdat hij er zoveel op lijkt. In Het ontstaan was Darwin voorzichtig, maar in De afstamming van de mens kon hij veel directer zijn: "De mens stamt af van een behaarde viervoeter met een staart en puntige oren, waarschijnlijk voornamelijk in bomen levend en inwoner van de Oude Wereld."

     

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

zaterdag 26 juni 2021

Robin Marantz Henig: Een monnik en twee erwten

Robin Marantz Henig: Een monnik en twee erwten: Gregor Mendel, vader van de genetica (Verenigde Staten, 2000): 282 blz: Vertaald door Jan Mars (2001): Uitgeverij Ambo/Anthos
 
Monnik en twee erwten
 
Gregor Mendel (1822-1884) was een Tsjechische monnik die onderzoek deed aan erwten en er zo achter kwam hoe eigenschappen in die plant werden overgeërfd. Hij was de grondlegger van de genetica.

Omdat over het leven en het precieze werk dat Mendel heeft gedaan zeer weinig bekend is heeft de Amerikaanse wetenschapsjournaliste Robin Marantz Henig zelf de leemten moeten invullen. Het voornaamste deel van het boek bestaat uit een (noodgedwongen) beknopt overzicht van het leven en werk van Mendel. Dit is aangevuld met een beschrijving van de vrijwel gelijktijdige herontdekking van het werk van Mendel door 3 wetenschappers in 1900.

"Een monnik en twee erwten" is zeer onderhoudend en leest erg prettig. Ik plaats dit boek op mijn lijst met favoriete biografieën, hoewel het biografische gehalte van dit boek begrijpelijkerwijs erg beperkt is. Een absolute aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in Mendel, en eigenlijk ook voor iedereen met een interesse in biologie.
 
Citaten:
- Er is enige weloverwogen deductie nodig om het verhaal van het leven van Mendel en zijn intellectuele bloei te vertellen. We hebben erg weinig specifieke informatie over hem - nauwelijks meer dan drie korte, gepubliceerde artikelen, zeven brieven aan een botanist in München en een korte autobiografie die hij schreef toen hij achtentwintig was. Er bestaan nauwelijks geschriften waarin Mendel in zijn tuin, zijn kloostercel, zijn kerk of zijn geliefde oranjerie wordt beschreven.

- Mendel ontdekte dat eigenschappen afzonderlijk worden doorgegeven en dat kenmerken die in een bepaalde generatie verloren lijken te zijn gegaan, een of twee generaties later weer op kunnen duiken, en dus helemaal niet verloren waren. Hij gaf ons ook een theoretische ondersteuning voor deze observatie, hij meende dat de eigenschappen van ouders op een consistente, voorspelbare en mathematisch exacte wijze als afzonderlijke, individuele eenheden op hun afstammelingen overgingen.

- Wat belangrijk was voor Mendel - en in feite een cruciale en centrale factor in zijn volgende experimenten - was de vraag of zijn zaadvoorraden, ongeacht de soorten waartoe ze behoorden, "zich rasecht konden voortplanten". Hij wilde met andere woorden zeker weten of groene erwten altijd groene nakomelingen hadden, en gele erwten altijd gele; dat grote planten telkens weer alleen grote planten zouden voortbrengen, en dwergplanten alleen dwergplanten.

- Hoewel Napp de wiskunde niet volledig begreep, begreep hij wel een onontkoombare statistische waarheid: hoe groter het aantal proeven, hoe betrouwbaarder de resultaten. Zoals Mendel het later zelf uitlegde waren grote getallen noodzakelijk "omdat bij een kleiner aantal planten in het experiment ... zich aanzienlijke fluctuaties kunnen voordoen". De deductie van "echte numerieke ratio's", zo zei hij, vereist "een zo groot mogelijk aantal individuele waarden; en hoe groter dit aantal, hoe beter het zuivere toeval wordt uitgesloten".

- Maar Mendel ontdekte zeven verschillende eigenschappen in erwten, die gemakkelijk met het blote oog konden worden geïdentificeerd en die altijd óf wel óf niet terugkwamen. Er was nooit sprake van een mix van deze eigenschappen; ze werden altijd apart en als geheel overgeërfd.

- Later bleek dat Mendel een bijzonder gelukkige keuze had gemaakt toen hij zijn zeven eigenschappen noteerde, aangezien deze altijd onafhankelijk van elkaar worden doorgegeven. ... De reden voor dit duidelijke patroon werd pas een eeuw na het overlijden van Mendel bekend toen eindelijk een overzicht van de zeven chromosomen van de Pisum [erwt] werd samengesteld. Alle zeven eigenschappen van Mendel lagen ieder op een apart chromosoom - of, in één geval, op twee uiteinden van hetzelfde chromosoom. Dit verkleinde de kans dat deze eigenschappen met elkaar zouden worden verbonden door middel van een proces dat koppeling wordt genoemd - waardoor de resultaten van de monnik ernstig zouden zijn vertroebeld.

- Toen Mendel klaar was met deze reeks kruisingen, herkruisingen en terugkruisingen, moet hij in totaal meer dan 10.000 planten, 40.000 bloesems en het ongelooflijke aantal van 300.000 erwten hebben geteld.

- Mendel gebruikte één enkele letter voor elk kenmerk, waarbij hij een hoofdletter (A) gebruikte om dominantie aan te geven en een kleine letter (a) om recessiviteit aan te geven, en zowel een hoofdletter als een kleine letter (Aa) om de hybride aan te geven.

- Op deze wijze zette Mendel de eerste voorzichtige stap in de richting van een concept dat de volgende vijftig jaar niet volledig zou worden opgehelderd: het verschil tussen fenotype (hoe iets eruitziet) en het genotype (de specifieke combinatie van genen die het uiterlijk verklaren). Indien een fenotype van een erwt een van de dominante alternatieven van Mendel is - ronde in plaats van hoekige zaden, of gele zaden in plaats van groene, of met een zachte peul, of lang - dan kun je niet aan het uiterlijk aflezen wat zijn genotype is.

- Mendel hield zich nog slechts een jaar of twee bezig met het telen van erwten: in 1863 waren al zijn experimenten afgerond. En in de volgende lente roeide de erwtenkever, Bruchus pisorum, het gewas bijna volledig uit.

- We kunnen alleen maar gissen wat er werkelijk gebeurde. We weten niet precies hoe de experimenten werden uitgevoerd, in welke volgorde, in welke seizoenen, en zelfs niet precies waar op het grote binnenterrein van het St.-Thomasklooster in Brünn. We weten niet zeker hoeveel generaties Mendel in een groeiseizoen propte, noch hoe vaak hij planten teelde in de kas en hoe vaak in de tuin. Ook weten we niet hoeveel erwtenplanten hij in totaal heeft gebruikt, en of iemand hem hielp bij zijn werkzaamheden, of waar hij zich bevond op een bepaalde dag tijdens die meest intensieve periode van zijn experimenten.
 Mendel lijkt geen labnotities te hebben bijgehouden, of, als hij dat wel heeft gedaan, zijn ze later vernietigd. Het enige dat we zeker weten is hoe hij zijn werk heeft willen beschrijven in twee openbare lezingen en een handjevol brieven aan een Duitse botanist.

- Het enige echte document dat we hebben voor de reconstructie van het levenswerk van Mendel is een enkele publicatie, die Mendel zelf een samenvatting van zijn openbare lezingen noemde en die waarschijnlijk was geschreven om het een en ander te verhelderen in plaats van nauwkeurig weer te geven hoe alles verlopen was. Hoe kon hij weten dat zijn korte, slechts vierenveertig pagina's tellende verhandeling tegenwoordig nog steeds wordt uiteengerafeld en met talmoedische grondigheid wordt geanalyseerd?

- "Mendel was een van de meest geliefde geestelijken in Brno," herinnerde Eichling zich meer dan zestig jaar later, toen hij zelf een zeer oude man was en de abt de internationale erkenning had gekregen die hem tijdens zijn leven was onthouden. "Maar niemand geloofde dat zijn experimenten meer waren dan een tijdverdrijf, en zijn theorieën meer dan het gebazel van een ongevaarlijke scharrelaar."

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

woensdag 23 juni 2021

Jared Diamond: Zwaarden, paarden & ziektekiemen

Jared Diamond: Zwaarden, paarden & ziektekiemen: Waarom Europeanen en Aziaten de wereld domineren (Verenigde Staten, 1997): 420 blz: Vertaald door Conny Sykora (2000): Uitgeverij het Spectrum
 
Zwaarden Paarden En Ziektekiemen De Onge 
 
In "Zwaarden, paarden & ziektekiemen" probeert de Amerikaanse evolutiebioloog Jared Diamond een antwoord te geven op de vraag waarom bepaalde delen van de wereld meer succesvol zijn dan andere.

Hij kijkt hierbij naar de ligging van de verschillende continenten, de aanwezigheid van planten en dieren die gecultiveerd of gedomesticeerd kunnen worden en de aanwezigheid van ziektekiemen.

In het nabije Oosten (in het boek de "Vruchtbare Halvemaan" genoemd, hoewel dat gebied tegenwoordig helemaal niet zo vruchtbaar meer is) kwamen van nature de grassoorten voor met de grootste graankorrels, vandaar dat dit gebied een voorsprong had bij de eerste landbouw. Ook kwamen juist hier de dieren voor die het makkelijkst gedomesticeerd konden worden (paard, rund, varken, schaap en geit).

Omdat veel ziekten zich ontwikkelden in gebieden met veel kuddedieren ontwikkelden de Europeanen en de Aziaten resistentie voor veel ziekten. Dit speelde later een grote rol bij de Europese verovering van Amerika waarbij waarschijnlijk zo'n 90-95 % van de oorspronkelijke bevolking stierf door allerlei Europese ziekten. Bij de kolonisatie van Afrika stierven veel minder mensen door ziekten omdat ze er daar al aan gewend waren.

De verklaring die Jared Diamond geeft voor de loop van de geschiedenis van na de 15e eeuw is veel minder overtuigend. Toch is dit een heel inspirerend boek, dat uitnodigt tot nadenken. Maar dit boek is voor mij toch vooral belangrijk omdat het mijn kijk op de prehistorie heeft veranderd.
  
Citaten:
- Aan dat alles moet Yali hebben gedacht toen hij mij met weer zo'n doordringende blik van zijn flitsende ogen vroeg: "Waarom hebben jullie blanken zoveel spullen gemaakt en die naar Nieuw-Guinea gebracht en hadden wij zwarte mensen zo weinig spullen?"

- Journalisten vragen regelmatig aan auteurs om een dik boek in één zin samen te vatten. Voor dit boek bestaat er zo'n zin: "De geschiedenis heeft voor verschillende volkeren een verschillende loop genomen als gevolg van verschillen in het milieu van die volkeren, niet vanwege biologische verschillen tussen de volkeren zelf."

- Dus de kolonisatie van Australië/Nieuw-Guinea is in die zin van grote betekenis dat er boten voor nodig waren; de kolonisatie levert dus verreweg het vroegste bewijs voor het gebruik van schepen. Pas zo'n 30.000 jaar later (13.000 jaar geleden) is er een duidelijk bewijs van het gebruik van boten elders in de wereld, namelijk in het Middellandse-Zeegebied.

- Terwijl de meeste extincties in Australië vermoedelijk meer dan 30.000 jaar geleden plaatsvonden, was dat in Noord- en Zuid-Amerika 17.000 tot 12.000 jaar geleden het geval. Voor die uitgestorven Amerikaanse zoogdieren waarvan de beenderen in enorme aantallen voorkomen en bijzonder nauwkeurig gedateerd zijn, kan de extinctie precies worden gedateerd op omstreeks 11.000 v.Chr.

- Door het selecteren en kweken van de paar soorten planten en dieren die we wel kunnen eten, zodat zij 90% en niet 0,1% van de biomassa op een hectare land vormen, krijgen we veel meer eetbare calorieën per hectare. Bijgevolg kan een hectare gecultiveerd land veel meer herders en boeren voeden - in het algemeen 10 tot 100 maal zoveel - dan een wild stuk land jagers-verzamelaars kan voeden. ...
 In mensengemeenschappen met gedomesticeerde dieren voorzagen die huisdieren op vier verschillende manieren in het levensonderhoud van meer mensen: door vlees, melk en mest te leveren en door de ploeg te trekken.

- Het blijkt dat de eerste gewassen die zo'n 10.000 jaar geleden in de Vruchtbare Halvemaan werden gedomesticeerd, zoals tarwe, gerst en erwten, ontstaan zijn uit wilde stamvormen die al veel voordelen boden.

- Granen hebben het voordeel dat ze snel groeien, veel koolhydraten bevatten en per hectare tot een ton aan eetbaar voedsel kunnen opbrengen. Bijgevolg zijn granen tegenwoordig goed voor meer dan de helft van alle calorieën die mensen consumeren en vormen zij vijf van de twaalf belangrijkste gewassen van de moderne wereld (tarwe, maïs, rijst, gerst en sorghum). Veel granen hebben een laag eiwitgehalte, maar dat tekort wordt gecompenseerd door peulvruchten die dikwijls 25% eiwit bevatten (sojabonen zelfs 38%). Granen en peulvruchten samen leveren dus een groot deel van alles wat een evenwichtige voeding moet bevatten.

- Er leven op aarde maar ongeveer 148 soorten grote wilde landzoogdieren die herbivoor of omnivoor zijn, grote dieren die geschikte kandidaten voor domesticatie zouden kunnen zijn.

- Maar bedenk dan dat de grote meerderheid van wilde planten om voor de hand liggende redenen ongeschikt is: ze zijn houtig, ze produceren geen eetbare vruchten en ook hun bladeren en wortels zijn oneetbaar. Van de 200.000 wilde plantensoorten worden er maar een paar duizend door mensen gegeten, en maar een paar honderd daarvan zijn min of meer gedomesticeerd.

- Slechts een dozijn soorten is verantwoordelijk voor meer dan 80% van de huidige jaarlijkse opbrengst van alle gewassen. Dit dozijn "kassuccessen" zijn de granen tarwe, maïs, rijst, gerst en sorghum, de peulvrucht soja, de wortels of knollen aardappel, maniok, en zoete aardappel, de suikerleverende gewassen suikerriet en suikerbiet, en van de vruchten bananen.

- Ons onvermogen om in deze moderne tijd ook maar één belangrijk nieuw voedingsmiddel te domesticeren, lijkt erop te wijzen dat de volkeren in het verleden misschien werkelijk al praktisch alle bruikbare wilde planten hebben beproefd en degene die de moeite van het domesticeren waard waren inderdaad hebben gedomesticeerd.

- De landbouw kwam in de Vruchtbare Halvemaan op gang dankzij de vroege domesticatie van acht gewassen, de zogeheten founder crops (zo genoemd omdat zij de basis vormden voor de landbouw in dit gebied en mogelijk in de wereld). Die acht uitgangsgewassen waren de granen emerkoren, eenkoren en gerst, de peulvruchten linzen, erwten, kikkererwten en wikke, en het vezelgewas vlas. Van deze acht zijn slechts twee soorten, vlas en gerst, in het wild ver buiten de Vruchtbare Halvemaan en Anatolië verspreid.

- Het succes van gedomesticeerde zoogdieren berust op een verrassend klein aantal grote plantenetende landzoogdieren. (Alleen landzoogdieren zijn gedomesticeerd om de voor de hand liggende reden dat waterdieren moeilijk te houden en te fokken waren). Als je "groot" definieert als "zwaarder dan 100 pond" waren er tot de 20e eeuw slechts 14 van zulke soorten gedomesticeerd. Van die 14 werden er 9 in een beperkt gebied belangrijke huisdieren voor de mens: dromedaris, kameel, lama/alpaca, ezel, rendier, waterbuffel, yak, banteng en gaur. Slechts 5 soorten werden over de hele wereld verspreid en belangrijk. Die vijf belangrijkste gedomesticeerde zoogdieren zijn de koe, het schaap, de geit, het varken en het paard.

 
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

donderdag 17 juni 2021

Charles Darwin: Over het ontstaan van soorten

Charles Darwin: Over het ontstaan van soorten (Groot Brittannië, 1959): 490 blz: Vertaald door Ludo Hellemans (2000): Uitgeverij Nieuwezijds
 
Over Het Ontstaan Van Soorten
 
"Over het ontstaan der soorten" van Charles Darwin is ongetwijfeld één van de belangrijkste boeken die ooit verschenen zijn. De laatste Nederlandse vertaling van dit meesterwerk dateerde al uit 1883! en het werd dus hoog tijd voor een nieuwe vertaling. 

Deze vertaling van de eerste druk door Ludo Hellema verscheen in 2000. In 2001 verscheen de vertaling door Ruud Rook van de zesde en laatste editie uit 1872. Ik had de vertaling van Ludo Hellema al eerder gelezen en omdat die mij prima was bevallen heb ik deze herlezen. In 2009 verscheen  een zeer mooie geïllustreerde editie van "Het ontstaan van soorten" onder redactie van David Quammen, die passende illustraties bij de tekst heeft gezocht en belangrijke fragmenten uit andere boeken van Darwin heeft toegevoegd. Voor dat boek is de vertaling van Ruud Rook gebruikt.
 
Voordat Darwin zijn boek publiceerde ging men ervan uit dat God de wereld en de soorten daarin had geschapen en dat de soorten min of meer onveranderlijk waren. Door zijn reis met de Beagle en het veldwerk dat hij met name in Zuid-Amerika deed, kreeg Darwin de ingeving dat er een simpelere verklaring was. Twintig jaar lang zat Darwin te broeden op zijn theorie en pas nadat hij een brief van Alfred Russell Wallace had ontvangen, die soortgelijke ideeën had, besloot hij om zijn theorie te publiceren.
 
In het kort komt de evolutietheorie van Darwin erop neer dat de ene soort uit de andere ontstaat door toevallige variatie in combinatie met natuurlijke selectie. Die exemplaren van een soort die het meest geschikt zijn, zullen in de strijd om het bestaan de meeste nakomelingen voortbrengen en zo zullen gunstige variaties steeds talrijker worden.  

Darwin heeft voor "Over het ontstaan van soorten" duizenden feiten verzameld en werkt zijn betoog systematisch uit. Hij begint met gedomesticeerde soorten en erop te wijzen dat de variaties daarin veel groter zijn dan bij dezelfde soorten die in het wild leven. Hij laat ook zien dat soorten, variëteiten en individuele verschillen niet zo afgebakend zijn als men voorheen dacht. 

De vertaling van Ludo Hellema leest prettig, maar ik vond het lezen van "Over het ontstaan van soorten" toch een flinke kluif. Ik zou dit boek aan andere lezers alleen willen aanraden als ze een meer dan gemiddelde belangstelling voor biologie en de evolutietheorie hebben. De vertaling van Ruud Rook heb ik niet gelezen, dus ik kan beide edities niet met elkaar vergelijken.
 
Citaten: 
- Wanneer wij kijken naar individuen van een bepaalde variëteit of sub-variëteit van onze van oudsher gecultiveerde planten of dieren, dan is een van de eerste bijzonderheden die ons opvallen, dat zij over het algemeen veel sterker van elkaar verschillen dan individuen van om het even welke soort of variëteit in de vrije natuur.

- ... ik stel bijvoorbeeld vast dat bij de gedomesticeerde eend, in verhouding tot het volledige skelet, de beenderen van de vleugels minder wegen en de beenderen van de poten meer, dan dezelfde beenderen bij de wilde eend; en ik veronderstel dat deze verandering rustig mag worden toegeschreven aan het feit dat de gedomesticeerde eend veel minder vliegt en veel meer loopt dan haar wilde bloedverwanten. 

- Het is een feit dat voor ons van ondergeschikt belang is, dat karakteristieken van de mannetjes van onze gedomesticeerde rassen vaak ofwel exclusief, of in veel sterkere mate, aan mannetjes worden doorgegeven.

- Een van de meest opvallende aspecten van onze gedomesticeerde rassen is dat wij bij hen aanpassingen zien, niet in het voordeel van dier of plant, maar aan het gebruik door en de smaak van de mens.

- Wij kunnen, dunkt mij, het zo vaak abnormale karakter van onze gedomesticeerde rassen beter begrijpen, en eveneens het feit dat hun verschillen zo groot zijn in uitwendige kenmerken en zo relatief klein in de inwendige delen of organen. De mens is nauwelijks, of alleen met de grootste moeite, in staat te selecteren op afwijkingen in de structuur tenzij ze uitwendig zichtbaar zijn; en inderdaad bekommert hij zich meestal niet om wat er inwendig is.

- Uit deze opmerkingen zal duidelijk zijn dat de term soort in mijn ogen op willekeurige wijze en gemakshalve wordt gebruikt voor een groep individuen die sterk op elkaar lijken, en dat deze zich niet essentieel onderscheidt van de term variëteit, die wordt gebruikt voor minder verschillende en meer fluctuerende vormen. De term variëteit op zijn beurt wordt, vergeleken met gewone individuele verschillen, ook willekeurig toegepast, en zoals het uitkomt.

- Dank zij deze strijd om het bestaan zal iedere variatie, hoe klein ze ook is en wat de oorzaak ervan ook moge zijn, mits zij enigermate voordelig is voor een individu van een willekeurige soort in zijn ontzaglijk complexe relaties met andere organische wezens en met de uitwendige natuur, bijdragen aan het behoud van dat individu, en zal deze over het algemeen ook worden overgeërfd door zijn nageslacht. Het nageslacht zal dus ook betere overlevingskansen hebben, want van de talrijke individuen van elke soort die met regelmaat worden geboren, kan maar een klein aantal overleven. Ik heb dit principe, waardoor iedere geringe variatie, mits nuttig, bewaard blijft, Natuurlijke Selectie genoemd, om het verband aan te geven met het menselijke selectievermogen.

- Daarom, aangezien er meer individuen worden geproduceerd dan er mogelijkerwijze kunnen overleven, moet er in elk individueel geval een strijd om het bestaan worden gevoerd, ofwel van een individu tegen een ander van dezelfde soort, of tegen individuen van andere soorten, of tegen de fysische levensomstandigheden. Dit is de leer van Malthus in zijn volle betekenis toegepast op het gehele dieren- en plantenrijk.

- Terwijl [na de ijstijd] de warmte terugkeerde, zouden de arctische vormen zich noordwaarts terugtrekken, op hun terugtocht direct gevolgd door de producties van de meer gematigde streken. En terwijl de sneeuw aan de voet van de bergen smolt, zouden de arctische vormen bezit nemen van de blootgelegde en ontdooide grond, steeds maar hoger en hoger klimmend naarmate de warmte toenam, terwijl hun broeders hun reis naar het noorden bleven vervolgen. Vandaar dat, toen de warmte volledig was teruggekeerd, dezelfde arctische soorten, die eens bij elkaar op de lage landen van de Oude en Nieuwe Werelden hadden geleefd, geïsoleerd moeten zijn achtergelaten op ver van elkaar afgelegen bergtoppen (na in alle lagere streken te zijn uitgeroeid) en in de arctische streken van beide halfronden.

- De affiniteit tussen de flora van de zuidwesthoek van Australië en van de Kaap de Goede Hoop, die, verzekert mij Dr. Hooker, weliswaar zwak is maar werkelijk bestaat, is een veel opmerkelijker feit en is tot op heden onverklaarbaar; maar deze affiniteit beperkt zich tot planten en zal, daar twijfel ik niet aan, op zekere dag worden verklaard.

- Daarom zou ik vanuit analogie kunnen afleiden dat waarschijnlijk alle organische wezens die ooit op deze aarde hebben geleefd, afstammen van één bepaalde primordiale vorm, waarin voor het eerst leven was geblazen.

  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

donderdag 10 juni 2021

Adrian Desmond & James Moore: Darwin 8 (1871-1882)

Adrian Desmond & James Moore: Darwin (Groot Brittannië, 1991): 815 blz: Vertaald door Henk Moerdijk (2008): Uitgeverij Nieuw Amsterdam
 
Darwin
 
Citaten:
- De gelaatsspieren van de mens waren niet door Gods hand gemaakt om uitdrukking te geven aan zijn verfijnde gevoelsleven. Ze waren geëvolueerd: je hoefde maar naar de natuur te kijken, naar het gezicht van de aap, naar de wilden, naar de idioten en krankzinnigen, om te beseffen dat hun oorsprong sociaal was. Iedere welwillende waarnemer kon zien dat mens en dier niet alleen gevoelens deelden, maar ook de middelen om daaraan uiting te geven.

- Terwijl George het manuscript in elkaar draaide en een nieuw register maakte, krabbelde Charles tal  van toevoegingen neer:over zelfmoord bij wilden, hoe vlinders elkaar het hof maken en wat de gevolgen zijn van castratie bij schapen.

- Dit was zijn meest wonderbaarlijke, ingewikkelde reeks experimenten. De planten moesten met gaas beschermd worden tegen insecten. De ene groep bevruchtte hij met stuifmeel van andere planten, de andere liet hij zichzelf bestuiven. De zaadjes werden uiterst zorgvuldig vergaard, geëtiketteerd en onder gelijke omstandigheden tot volwassen planten gekweekt. Met deze wilde hij vruchtbaarheidstesten doen: gekruiste planten moesten nogmaals worden gekruist, de andere mochten zichzelf bestuiven. Op deze manier kweekte hij maar ;liefst tien generaties, waarvan in elk stadium de lengte van de planten, de bloeitijd, het aantal en het gewicht van de zaadhulzen en de hoeveelheid zaden daarin werden genoteerd. En hij kweekte niet alleen maar bijzondere soorten. Er werd ook geëxperimenteerd met blauwe winden, vingerhoedskruid, viooltjes, moerasbloemen, petunia's en tientallen andere soorten; de tuinkas barstte uit zijn voegen, en door de beperkte ruimte moest hij meerdere planten in één pot doen. Daarna ging hij door met Chinese sleutelbloemen, Franse klaprozen en exotische kasplanten ...
 
- Charles kwam tijd te kort, terwijl hij nog zo veel te doen had. Orchids moest nog herzien worden en hij wilde nog twee plantenboeken publiceren. De regenwormen intrigeerden hem nog steeds, en hij hoopte nog over hun gedrag te kunnen schrijven voordat hij zelf aan hen overgeleverd zou worden.

- Zijn twijfels hadden zich uitgekristalliseerd in een morele overtuiging die zo rigoureus was, dat hij niet "begreep waarom iemand kon wensen dat het christelijk geloof het ware geloof was". Als dat wel zo was, leek "de gewone taal" van het Nieuwe Testament "duidelijk te maken dat mensen die niet geloven, en daartoe zouden ook mijn vader, mijn broer en bijna al mijn beste vrienden behoren, eeuwig gestraft worden. En dat maakt het tot een weerzinwekkende leer".

- Hoewel ik een fervent voorstander ben van de vrijheid van denken over alle onderwerpen, lijkt het mij bovendien (al dan niet terecht) dat directe argumenten tegen het christendom en theïsme nauwelijks enig effect hebben op de massa; vrijheid van denken wordt het best bevorderd door de geleidelijke verlichting van de menselijke geest, die voortvloeit uit de ontwikkeling van de wetenschap. Het is daarom altijd mijn doel geweest om niet over godsdienst te schrijven en ik heb mij dan ook beperkt tot de wetenschap.

- Wormen waren slimme beestjes, dat begon hem inmiddels wel duidelijk te worden. Hij experimenteerde binnen, in de nieuwe biljartkamer, die nu zijn nieuwe werkkamer was zodat hij meer ruimte had. Overal stonden potten waarin wormen onder glas aarde vermaalden. Darwin strompelde er 's nachts naartoe om ze te belichten met kaarsen, paraffinelampen en zelfs lantaarns met blauwe en rode filters. Alleen een felle straal resulteerde in een reflex, dan schoten ze geschrokken hun holletjes in, "net konijnen", lispelde Bernard. Warmte maakte weinig verschil, zelfs als je een gloeiende pook vlak bij de wormen hield, reageerden ze nauwelijks. Voor geluid waren ze kennelijk ook niet gevoelig. Bernard blies op een fluitje, Frank speelde op zijn fagot, Emma op de piano en Bessy schreeuwde, maar de wormen vertoonden geen enkele reactie. Bij aanraking was dat wel anders; als je in hun richting blies, staken ze meteen hun kop in de grond. Charles probeerde te achterhalen of ze een reukorgaan hadden door zachtjes in de pot uit te ademen terwijl hij op tabak of aan een stukje geparfumeerd sabbelde. Ook hun culinaire voorkeuren werden onderzocht: groene of rodekool, selderij bij een van de twee kolen, en vooral verse wortelen.

- Darwin had niemand nieuwe ideeën opgelegd, zelfs zichzelf niet, maar had gewacht tot de tijd rijp was. In feite, zo vertelde hij in alle eerlijkheid, "heb ik het christelijk geloof tot mijn veertigste niet opgegeven". Pas na het overlijden van zijn vader en de dood van Annie had hij de laatste resten afgezworen. En zelfs toen had hij geweigerd zich daarover uit te spreken of anderen met geweld van hun geloof af te brengen. Hij had zich nooit in dat strijdgewoel begeven.

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

Adrian Desmond & James Moore: Darwin 7 (1860-1871)

Adrian Desmond & James Moore: Darwin (Groot Brittannië, 1991): 815 blz: Vertaald door Henk Moerdijk (2008): Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Darwin

Citaten:

- Wat Hooker niet vertelde was dat de bisschop, die in een bedompte zaal al twee uur naar saaie toespraken had zitten luisteren, de zaak wilde opvrolijken met een grap die duidelijk zijn doel miste. Hij wendde zich tot Huxley en vroeg of die via zijn opa of zijn oma van een aap afstamde.
 
Hierop antwoordde Huxley:
- Als men mij zou vragen, zei ik, wie ik liever als grootvader wilde hebben, een ellendige aap of iemand die rijkelijk door de natuur is bedeeld en welvermogend en machtig is maar deze eigenschappen en zijn invloed slechts aanwendt om een serieuze wetenschappelijke discussie in het belachelijke te trekken, zou ik zonder twijfel kiezen voor de aap.

- Darwin ging opnieuw tegen de draad in en probeerde fokkers over te halen hun variëteiten te gronde te richten door onvruchtbare hybriden te produceren. Het maakt niet uit, verzekerde hij hun, want "voor de pan" zijn ze altijd nog geschikt.

- Darwin ging nu zo op in zijn orchideeën dat hij de tuinman van John Lubbock in de winter een kas liet bouwen en een paard-en-wagen naar Kew stuurde om planten te halen die hij daarin kon kweken.

- In zijn Principles of Biology had Spencer het begrip "survival of the fittest" (het overleven van de sterksten) gemunt, ter vervanging van "natuurlijke selectie".

- Variaties komen voort uit "algemene wetten" en sommige blijken toevallig nuttig te zijn. De natuurlijke selectie - de architect - pikt die eruit om planten en dieren, "de mens incluis", te verbeteren.

- Darwin had reeds besloten om van zijn hoofdstuk over de mens een aparte "korte verhandeling" te maken die zich concentreerde op de afstamming van de mensaap, de seksuele selectie en de menselijke gelaatsuitdrukking. Hij zou er nu geen doekjes meer om winden, hij was het beu om ervan "beticht te worden mijn opvatting [over de oorsprong van de mens] te verhullen".

- Darwin zag geen evolutionair voordeel in baarden, dikke lippen of een groot achterwerk - waarom zou de natuur die selecteren? -, dus zocht hij het in de partnerkeuze. De natuur selecteert niet, dat doet de individuele mens zelf. Uit de raciale en seksuele verschillen blijkt welke eigenschappen aantrekkingskracht uitoefenen op het andere geslacht. Esthetische voorkeuren komen tot uitdrukking in de anatomie.

- Darwin zag geen evolutionair voordeel in baarden, dikke lippen of een groot achterwerk - waarom zou de natuur die selecteren? -, dus zocht hij het in de partnerkeuze. De natuur selecteert niet, dat doet de individuele mens zelf. Uit de raciale en seksuele verschillen blijkt welke eigenschappen aantrekkingskracht uitoefenen op het andere geslacht. Esthetische voorkeuren komen tot uitdrukking in de anatomie.

- Hierin muntte Charles uit: verzamelen en sorteren, feiten opsporen en verifiëren, de speculaties uit zijn oude notitieboeken zodanig uitbreiden dat ze op de hele aardbol van toepassing waren.

- Volgens Darwin was het "gevoel van religieuze toewijding" niet wezenlijk anders dan de genegenheid van een aap voor zijn verzorger, of van de "diepe liefde" van Henrietta's hond Polly voor het baasje. Het "louterende geloof in God" was ook niet aangeboren en universeel, maar slechts de uiterste sanctie om de maatschappelijke orde te bewaren. Alle geloven en zeden waren voortgekomen uit dierlijke instincten en primitieve bijgeloven.

Lees verder in deel 8.
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

Adrian Desmond & James Moore: Darwin 6 (1851-1860)

Adrian Desmond & James Moore: Darwin (Groot Brittannië, 1991): 815 blz: Vertaald door Henk Moerdijk (2008): Uitgeverij Nieuw Amsterdam 
 
Darwin

Citaten:

- Darwin had Huxley het eerste deel over de eendenmossels gestuurd. (Voor Huxley was het een te kostbare aanschaf - je moest eerst lid worden van de Ray Society.) Enkele kleine technische kanttekeningen daargelaten vond Huxley het "een schitterende en zeer volledige" monografie, en het was "des te opmerkelijker" dat die geschreven was door een gerespecteerd geoloog en niet door een ontleedkundige ex professo. Toen Darwin en hij elkaar in 1853 bij de Geological Society eindelijk in de ogen keken, stelde hij voor het boek te bespreken.

- Voor de jongste kinderen was het zijn gewone werk; in hun ogen had papa nooit iets anders gedaan. Ze dachten zelfs dat alle volwassenen dergelijk werk deden, of zoals een van hen over een buurman opmerkte: "Waar werkt hij aan zijn eendenmossels?"

- Wat in 1846 was begonnen als een paar maanden werk aan één vreemde, saaie eendenmossel eindigde bijna acht jaar later met twee technische verhandelingen over de gehele onderklasse. Nooit zou hij meer zo lang achter elkaar met één onderzoek bezig zijn.

- Nu was hij 's werelds grootste deskundige op het gebied van de eendenmossel en de zeepok. Hij had een monumentaal, gezaghebbend werk geschreven, honderd pagina's over de fossiele vormen en meer dan duizend over de levende. Zijn naam als dierkundig specialist was gevestigd en hij was niet langer louter een deskundig geoloog.

- Hookers ster was rijzende en straalde allengs helderder. Darwin zei tegen een kennis dat "hij op zekere dag de belangrijkste plantkundige van Europa zal zijn", waarop hij prompt tot de orde werd geroepen: "Mijnheer, hij is zonder twijfel de belangrijkste plantkundige van Europa." De belangrijkste plantkundige was een heel goede vriend - wat had Darwin zich nog meer willen wensen. Hij diepte de geheime brief aan Emma op aangaande de vierhonderd pond om zijn tien jaar oude verhandeling te laten redigeren, en krabbelde ondubbelzinnig op het voorblad: "Hooker verreweg de beste man om mijn werk over de soorten te redigeren."

- Darwin hield de ultieme oorsprong buiten beeld. Wij kunnen niet achterhalen hoe het eerste leven op aarde ontstaan is, liet hij aan Hooker doorschemeren. De naturalist dient zich alleen bezig te houden met de daarop volgende veranderingen.

- In september 1854, toen Darwin de recensie van Huxley las, was het tweede, maar liefst 684 pagina's tellende deel van zijn monografie over de bestaande eendenmossels verschenen, en was hij druk doende om exemplaren naar zijn vrienden te sturen. Huxley, uitstekend op de hoogte van de Franse en Duitse dierkunde - in navolging van Darwin ontleedde hij zelf ook eendenmossels -, verschafte de adressen van de gezaghebbende geleerden die een exemplaar moesten krijgen, met enkele overtollige eendenmossels en zeepokken op sterk water als extraatje.

- Darwins gedachten gingen naar de oorlog in de natuur en hoe indringers vanaf zee - zaden, vruchten, kikkers, slakken - op vreemd terrein een bruggenhoofd konden vestigen en de inwoners konden verdrijven. Hij concentreerde zich steeds meer op het idee van strijd - hoe die plaatsvond en met welk resultaat.

- Hooker raakte er allengs van overtuigd dat de zuidelijke flora vermoedelijk fragmentarisch was - overblijfselen van een groot Zuidelijk Continent.

- De foetussen van zoogdieren en vissen leken veel meer op elkaar dan de volwassen dieren. Een schitterend bewijs van "een gemeenschappelijke afstamming", dacht hij, maar hoe kon dit door natuurlijke selectie verklaard worden.

- Het is moeilijk te begrijpen hoe nieuw Darwins aanpak eigenlijk was. De meeste naturalisten keken neer op duiven en pluimvee. ... De filosoof diende zijn verheven pijlen te richten op de wilde dieren en hun plaats en betekenis in Gods schepping. Vandaar de minachting van de wetenschappers: niemand dacht dat ook varkens en duiven inzicht konden bieden in "het mysterie aller mysteriën".
 Maar onconventionele wetenschap moest op onconventionele wijze worden gesteund, en dat Darwin de perken van de conventie ver te buiten ging, staat buiten kijf. Hij richtte zich nogmaals op het vertrouwde wereldje van de jachtopzieners, op landbouwtentoonstellingen, op het boerenbedrijf, op overleveringen van het platteland en op de Poultry Chronicle. En hij hoorde mensen uit die het meest over teelt en erfelijkheid wisten: fokkers en kwekers van bijzondere rassen.

- Darwin wilde aantonen dat de natuur uit ontelbare kleine variaties bestond, die alleen voor ervaren fokkers zichtbaar waren. Deze enthousiastelingen werkten op de vierkante millimeter. De verschillen die alleen zij konden zien, vormden het ruwe materiaal waarin door generaties lang selectief fokken weer "accenten" moesten worden aangebracht. Uit zulke minuscule afwijkingen konden de fokkers reusachtige veranderingen tot stand brengen, met de hedendaagse kropduiven, pauwstaarten, romeinen en tuimelaars als resultaat. Zo reusachtig, in feite, dat als deze vogels in het wild hadden geleefd, dierkundigen ze als verschillende soorten geclassificeerd zouden hebben en misschien zelfs wel als verschillende geslachten. "Darwin treft onder zijn vijftien variëteiten van de gewone duif," meldde een verbijsterde Lyell, het equivalent aan van "drie aparte geslachten en circa vijftien aparte soorten."

- Volgens Owen waren de fossiele dieren minder gespecialiseerd dan de tegenwoordige. Volg iedere opklimmende lijn terug in de tijd en dan blijkt dat de dieren steeds algemener worden. Uiteindelijk komen we uit bij het  archetype - de ideale mal waarnaar alle dieren waren gemaakt. Owen gaf een voorbeeld dat klassiek zou worden. Het moderne raspaard loopt op de topjes van zijn tenen - in feite één teen - maar was voorafgegaan door de kleinere, uitgestorven Hipparion, die aan elk been nog twee kleine extra tenen had, terwijl de nog oudere, op een tapir lijkende Paleaotherium een been met drie tenen had. Deze specialisatie was naar zijn idee kenmerkend voor de vooruitgang van het leven. Darwin was het met hem eens.

- Kort na de bijeenkomst in Downe begon Darwin plannen te maken voor de presentatie van zijn theorie. Lyell, gefascineerd door Darwins speculaties (al realiseerde hij zich hoe ver die gingen), moedigde hem aan zijn ideeën op te schrijven en te publiceren, uit vrees dat iemand het gras voor Darwins voeten zou wegmaaien.

- Darwin ging naarstig op zoek naar andere mechanismen; misschien waren het wel ijsschotsen geweest. Of toch die eendenpoten - het leek belachelijk, maar uit een "eetlepel modder" uit een vijver wist hij 29 planten te kweken.

- Wikkend en wegend las Hooker het manuscript, dat hem "een lust was, en leerzaam"; opeens had hij door waar Darwin naartoe wilde en stond hem een duidelijker beeld "van verandering" voor ogen. "Ik ben nog nooit zo onzeker over de soorten geweest," bekende hij tenslotte. Hij pende enkele opmerkingen neer en vond sommige stukken "nogal moeilijk lezen", maar hij opperde niet, zoals Darwin gevreesd had, om de hele zaak in het haardvuur te gooien. Van de ijstijdmigratie was hij niet zeker, maar hij achtte het mogelijk dat ijsbergen als vervoermiddel hadden gefungeerd. Het oordeel was "onvergelijkelijk veel gunstiger" dan Darwin had verwacht. Op een dag ging hij rond het middaguur de stad in - hij zou niet lang blijven, want Emma stond op het punt te bevallen - om er nog wat over te praten. Hij bleef hameren op de punten die Hooker nog niet snapte. Cruciaal was dat "externe omstandigheden uitermate weinig invloed hebben". Nieuwe soorten kwamen vooral voort uit de selectie van "toevallige" variaties. Selectie in dichte populaties met een felle concurrentie was eerder afhankelijk van de competitie tussen "metgezellen" dan van het milieu.

- Darwin vroeg Hooker of zijn botanische vrienden ooit hadden gepoogd "variëteiten in het leven te roepen door trucs uit te halen met planten", bijvoorbeeld door wilde soorten sterk te bemesten, jarenlang al hun bloemen te plukken, ze te snoeien enzovoort. Na een plant met groene bloemen te hebben gekweekt dacht Darwin dat hij "elke bloem in een spanne van vier of vijf generaties tot op zekere hoogte "monsterlijk" zou kunnen maken".

- Elke dag kroop hij weer achter zijn bureau, vervloekte hij de soorten en schaafde hij aan zijn teksten. Maar op 18 juni, kort nadat de postbode een pakje had afgeleverd, zakte de grond onder zijn voeten weg.
 Al die jaren, de afschuwelijke beproeving, de geestelijke desintegratie als gevolg van de angst voor de reacties en, sterker nog, voor het verlies van aanzien. Alle ellendige vertragingen, alle gewetenswroeging terwijl hij reikte naar het onaanraakbare, en ten slotte, na twintig jaar, de ophanden zijnde publicatie. Nu, op een rustige vrijdagmorgen, werd er een pakje bezorgd dat de halve wereld over was gereisd. Er zat een bundel beschreven vellen van Wallace in, een reactie - hoe ironisch - op Darwins bemoedigende woorden. 
 Darwin zag zijn levenswerk "in duigen" vallen. "Uw woorden zijn werkelijkheid geworden, en hoe!" jammerde hij tegen Lyell. Iemand was hem "vóór geweest".

- Het evolutionaire systeem van Wallace leek op dat van Darwin, dat viel niet te ontkennen. Droefgeestig, bijna alsof hij het niet kon geloven, schreef Darwin aan Lyell: "Als Wallace in 1842 de beknopte weergave van mijn manuscript had neergepend, was dat een uitstekende samenvatting geweest!"

- Darwin en Wallace werden het eens over een gezamenlijk artikel. De plaats waar het moest gebeuren was snel geregeld - de Geological Society was ongeschikt - haar leden moesten weinig hebben van theorieën - de Zoological Society was de basis van Owen, en dus bleef de Linnean Society over.

- Dat er op de bijeenkomst niet gereageerd werd, was waarschijnlijk het beste voor Darwins gemoedsrust. Maar het was een schrale troost. De voorzitter had de bijeenkomst klagend verlaten, zoals hij later zei, want het jaar had niet "een  van die opmerkelijke ontdekkingen opgeleverd die [onze] afdeling van de wetenschap zogezegd op haar kop zetten".

Over de publicatie van The Origin:
-  De uitgever John Murray was praktisch ingesteld en dacht vooral aan de titel. Darwin wilde het boek graag An Abstract of an Essay on the Origin of Species and Variation through Natural Selection noemen, en hoewel men in de victoriaanse tijd een voorliefde had voor loodzware titels, zag Murray zijn investering al verloren gaan.

- Onder aansporing van de kieskeurige Murray kwam er steeds weer een nieuwe titel. Inmiddels was hij ingekort tot On the Origin of Species and Varieties by Means of Natural Selction, maar Darwin bracht nog een verbetering aan door "and Varieties" te laten vallen.

Lees verder in deel 7.
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

woensdag 9 juni 2021

Adrian Desmond & James Moore: Darwin 5 (1842-1851)

Adrian Desmond & James Moore: Darwin (Groot Brittannië, 1991): 815 blz: Vertaald door Henk Moerdijk (2008): Uitgeverij Nieuw Amsterdam
 
Darwin
 
Citaten:
- ... het dorp Down.
 Twee uur van Londen, vijfentwintig kilometer van St. Paul's Cathedral: een ideale wijkplaats op het platteland, een parochie als die van Henslow in Hitcham, of als de nieuwe van Fox in Cheshire - het soort parochie waarvan Charles had gedroomd aan boord van de Beagle en waarin de Dokter hem al jaren graag zag wonen. De aanblik van het dorp raakte een gevoelige snaar. Hij slaakte een enorme zucht van verlichting. Hier zou hij op veilige afstand van de beau monde zijn.

- Naar mijn idee (en iedereen mag wat dit betreft over mij heen vallen ... ) bestaat de classificatie in de groepering van wezens volgens hun feitelijke relatie, dat wil zeggen hun bloedverwantschap of gemeenschappelijke afstamming.
 
- Ik geloof (doch waarom zou ik u lastigvallen met mijn geloof, dat u zal en zou moeten voorkomen als louter geklets en aannames?) dat, als alle organismen die ooit hebben geleefd of nu leven, zouden worden verzameld [...] er een volmaakte reeks te zien zou zijn, een reeks die alle, de zoogdieren bijvoorbeeld, onderbrengt in één grote, volstrekt ondeelbare groep - en ik geloof dat alle orden, families en geslachten binnen de zoogdieren slechts kunstmatige termen zijn die zeer nuttig zijn om de relaties te laten zien tussen die leden van de reeks die niet zijn uitgestorven.

- In de loop van het voorjaar veranderde de schets in een volwaardige verhandeling van 189 bladzijden. Darwin voelde hoe sterk zijn ideeën waren en dat zijn verhaal klopte. Na maanden aan zijn werk te hebben geschaafd realiseerde hij zich echter ook dat hij het niet kon publiceren - hij zou worden beschuldigd van een maatschappelijk misdrijf, of erger.

- Op 5 juli, toen zijn verhandeling over de evolutie de deur uit was, schreef hij zijn vrouw een moeilijke brief, een die hij zou verstoppen en die pas mocht worden geopend als hij "onverwacht kwam te overlijden". ... De brief bevatte zijn "hoogst plechtige en laatste verzoek" om zijn verhandeling postuum te publiceren. ... Hij moest haar enorm vertrouwen, want hun godsdienstige opvattingen verschilden sterk. Maar over de verhandeling had hij geen twijfels. "Als mijn theorie waar is, en dat is mijn overtuiging, en door slechts één bekwame deskundige wordt aanvaard, zal de wetenschap een aanzienlijke stap voorwaarts zetten". 

- Wat de oorspronkelijke schepping of totstandkoming van nieuwe vormen betreft [...] lijkt isolement de belangrijkste factor: een stuk land, dat in de jongste geologische tijdvakken het vaakst onder water heeft gestaan en in eil[anden] is veranderd en vervolgens weer één is geworden, zal derhalve naar ik verwacht talrijke soorten bevatten.

- Darwins Journal had hem bekendheid gebracht. Het was zijn toegangsbewijs voor de internationale wetenschappelijke gemeenschap, en onder reizigers had hij een grote naam. Zijn succes was tastbaar. Geregeld werd er een dier of plant naar hem vernoemd, of het nu de reuzenluiaard Mylodon Darwinii of de onmetelijk kleine Asteromphalus Darwinii was. Wereldreizigers konden rond de Galapagos Eilanden vissen op de Cossyphus Darwinii of uit de Patagonische rotsen een schelpachtige Pecten Darwinianus bikken.

- Hooker strooide met informatie over de verspreiding van planten, wilde niets voor zichzelf houden en nam er "genoegen mee om jouw feitenvergaarder te zijn". Darwin dacht dat "een beetje ijdelheid" geen kwaad zou kunnen; "zeg wat je belief, ik weet zeker dat niemand ze beter zal gebruiken dan jij". Maar dat weerhield hem er niet van vragen af te vuren, om "kennis op te zuigen" uit zijn inschikkelijke vriend. Hooker, stelde hij, heeft mij meer geholpen "dan een ander ooit gedaan heeft en [zijn hulp] is in mijn ogen meer dan waardevol".

- De vinken vormden nog altijd een ondergeschikt deel van Darwins evolutionaire bewijsmateriaal. Al beschreef hij nu wel de verschillende typen en de verscheidenheid van hun snavels. "In het licht van deze schakering en diversiteit in de bouw van één kleine, nauw verwante groep vogels," gaf hij in bedekte termen te kennen, "zou men werkelijk kunnen denken dat uit een van oorsprong kleine groep vogels op deze eilandengroep één soort is uitgezocht en voor verschillende doeleinden is aangepast." Het was een globale aanwijzing en het enige wat hij ooit zou zeggen over de evolutie van vinken.

- Eilandvorming, land dat in de oceaan verdween, geïsoleerde soorten - het maakte allemaal deel uit van Darwins evolutietheorie, maar hij stelde zich een proces voor dat veel trager verliep. Supercontinenten die tijdens de levenscyclus van één soort onder water verdwenen, was een onbezonnen zo niet roekeloos idee, zeker als zeestromingen en vogels een afdoende verklaring voor verspreiding boden.

- Begin 1846 pachtte Darwin van Lubbock een stuk land van circa een halve hectare aan de achterkant, dat hij omheinde en beplantte met struiken en bomen ter beschutting van zijn eigen huis. Op dit stuk grond stippelde hij een zeshonderd meter lang "denkpad" uit, de "Sandwalk", waarop hij elke middag een wandelingetje zou maken. Hij was nog altijd een gewoontedier. Zijn leven was een "uurwerk", een vaste routine van: ontbijt - werk - post - wandelen - lunch - brieven - dutje - werken - rust - avondeten - boeken - slapen. Het leven móest eentonig zijn en het plattelandsritme van Down maakte dat ook mogelijk. "Ik zit op de plek waar ik zal eindigen", zei hij tegen iedereen. Emma hield ook van de afzondering en verdroeg het saaie leven met haar "arme, oude, ziekelijke, klagende echtgenoot" met engelengeduld.

Over de eendenmossels en de zeepokken:
- Oorspronkelijk had men de eendenmossels en zeepokken (die een schelp hebben) beschouwd als een weekdier, als familie van de mossel en de slak. ... Het beestje bleek een kreeftachtige of schaaldier te zijn, nauw verwant aan de rivierkreeft en de krab. Een verbluffende ontdekking. Niemand had durven denken dat de aan kustrotsen vastgehechte eendenmossel en zeepok neefjes waren van de krabben die over diezelfde rotsen kropen, of dat de pluizige draden die in het water zweefden in feite "poten" waren. De eendenmossels en zeepokken waren eigenlijk garnalen die op hun rug met hun poten in het water zwaaiden. ... Het terrein lag weer braak. 

- Vanaf die dag in 1844 dat Darwin zijn hart luchtte was Hooker een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Hij was Charles' biechtvader, zijn vertrouweling, een klankbord wat het "misdadige" onderwerp van de soorten betreft, een onuitputtelijke bron van geografische verhalen.

- Op veel eendenmossels en zeepokken had Darwin minuscule parasieten aangetroffen. Hij had die er steeds afgeschraapt en weggegooid, maar op een dag besloot hij om ze eens beter te bestuderen. Eendenmossels en zeepokken zijn doorgaans tweeslachtig - met mannelijke én vrouwelijke geslachtsorganen - maar tussen de Filippijnse exemplaren van Cuming zat een uitzondering. Deze mossel stond nergens beschreven en Darwin doopte hem Ibla cumingii. Het diertje bleek niet alleen eenslachtig te zijn, maar de vrouwtjes en mannetjes verschilden uiterlijk zo sterk dat je zou denken dat ze geen familie van elkaar waren.

- Darwin bleef in de ban van zijn eendenmossels en zeepokken. Zijn nietige mannetjes waren "werkelijk schitterend". Ze waren "rudimentair in een mate die mijns inziens door geen enkele soort in het dierenrijk kan worden geëvenaard".

- Ondertussen begon Darwin de moed te verliezen, want de bundeling van zijn beschrijvingen was een "afschuwelijk saaie klus" die zwaar op hem drukte. Dit had ook een uitwerking op Hooker. Door het spervuur van brieven met allerhande nieuwtjes over de eendenmossels en zeepokken taande zijn belangstelling. Bij nader inzien, zei hij, las hij toch liever Darwins speculaties over de evolutie. De ironie hiervan ontging Darwin niet. Welnu, "dat is dan erg jammer", snoof hij verachtelijk, want door "jouw uitgesproken instemming met mijn onderzoek naar eendenmossels en zeepokken" besloot "ik mijn artikel over de soorten terzijde te schuiven".

- Hooker vroeg Darwin dan ook of diens eendenmossel- en zeepokonderzoek hem reden had gegeven zijn theorie aan te passen. Hij verwachtte dat Darwin voorzichtiger was geworden.
 Maar nee. Het onderzoek had zijn theorie niet ondermijnd, sterker nog, het had hem duidelijk gemaakt dat variatie alomtegenwoordig was. Tien jaar eerder dacht hij dat variatie in de natuur uitzonderlijk was, maar zijn onderzoek naar de eendenmossels en zeepokken had daar verandering in gebracht. De talloze eendenmossel- en zeepoksoorten waren "in hoge mate variabel". Elk onderdeel "van elke soort" was geneigd tot verandering. Hoe beter hij keek, hoe meer de onveranderlijkheid een illusie werd.

- Darwin wreef Hooker onder de neus dat deze "verduvelde variatie" geen onverdeeld genoegen was. Het "is prettig voor mij als speculerend wetenschapsman, maar ergerlijk voor mij als systematicus".

- Annies wrede dood vernietigde de laatste resten van Charles' geloof in een morele, rechtvaardige wereld. Later zou hij zeggen dat deze periode de doodsklok luidde over zijn christelijk geloof, al was het proces van afbrokkeling in feite langdurig geweest.

Lees verder in deel 6.
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

dinsdag 8 juni 2021

Adrian Desmond & James Moore: Darwin 4 (1836-1842)

Adrian Desmond & James Moore: Darwin (Groot Brittannië, 1991): 815 blz: Vertaald door Henk Moerdijk (2008): Uitgeverij Nieuw Amsterdam
 
Darwin
 
Citaten:
- Op dinsdagavond 4 oktober 1836 kwam hij dan eindelijk aan op The Mount. Het was laat, zo laat zelfs dat de familie al in bed lag. Hoewel hij vijf jaar en twee dagen weg was geweest, sloop hij uitgeput naar zijn kamer zonder iemand wakker te maken.

- Het was beter om de verzameling in Cambridge op te splitsen, dacht hij, en haar stukje bij beetje onder te brengen. Zijn vaders financiële steun en de belofte dat hij zou blijven helpen maakten dit mogelijk; hij kon dan Kerk en carrière uit zijn hoofd zetten en zich op zijn werk storten. 
 
- Hij zou zich kunnen vestigen als een zelfstandig naturalist die een deel van zijn werk uitbesteedde.
 Maar waar? Hij nam de opties onder de loep: te midden van alle verstrooiingen die de "dons van de wetenschap" in Londen boden, of te midden van de klerikale naturalisten in het gemoedelijke Cambridge? ... Of zou hij zich net als Henslow moeten terugtrekken in de pastorale velden, waar hij in alle stilte kon nadenken? Hij werd door twijfel verscheurd, maar het was duidelijk dat hij zich uiteindelijk toch in die rokerige stad zou moeten vestigen om zijn verzameling goed te kunnen overdragen, hoezeer het vooruitzicht hem ook benauwde.

- Het waren vooral de vogels die bij sommigen interesse wekten, alleen niet bij Darwin zelf. De galapagosvinken brachten hem in verwarring, hij dacht dat ze groepsgewijs hun voedsel vergaarden en was zich niet bewust van het belang van hun verschillende snavels.
 
- Het kwam geen moment in Darwin op dat de nauw verwante groepen zich aanpasten aan de verschillende leefomstandigheden en op die manier ware specialisten werden. Hij achtte de vogels van weinig belang toen hij ze, tamelijk slecht geëtiketteerd, overdroeg aan de Zoological Society.
 
- Gould besefte algauw dat Darwins collectie van Galapagosvogels niet zo divers was als het zich liet aanzien. Integendeel zelfs: de snavels zetten je op het verkeerde been en de vogels bleken verbazingwekkend genoeg nauw verwant te zijn. De zogenoemde "appelvinken" en "merels" behoorden in feite allemaal tot de vinken. Bij hun volgende ontmoeting op de tiende, slechts zes dagen later, had Gould de vogels kunnen typeren als "een reeks grondvinken die zo eigenaardig zijn" dat ze "een volledig nieuwe groep van twaalf soorten vormen". Ze waren nauw aan elkaar verwant, ondanks hun uiteenlopende snavels, een ontdekking waar Darwin pas later het belang van zou inzien.

- Darwin overpeinsde ondertussen de goddelijke heerschappij. Ook hij was inmiddels van mening dat "de Scheppers schept door middel van [...] wetten". Op aarde regeerden wetten zoals ze ook in hemel regeerden; andere mogelijkheden waren vernederend voor God.

- Een paar dagen na zijn vertrek uit Cambridge trof hij Gould opnieuw in het museum van de dierentuin en kreeg hij nog meer te horen over diens bevindingen met zijn vinken. Gould realiseerde zich nu dat ook het "winterkoninkje" dat Darwin op de Galapagos Eilanden had gevonden een vink was, waarmee het totaal aantal soorten op dertien kwam. Darwins ratjetoe van vogels was in feite een unieke groep vinken.

- Darwin zat nu met een uitermate lastig probleem: wat was de verklaring van deze nieuwe verwante soorten die elk op hun eigen eiland leefden? Het werd steeds duidelijker dat elk eiland zijn eigen soort had voortgebracht.

- Gedurende zijn samenwerking met Gould vond Darwin het steeds gênanter worden dat hij zijn vondsten zo slecht had geëtiketteerd. Hij wilde alsnog bewijzen dat elke vink zijn eigen eiland had.

- Darwins uiteindelijke conclusie was dat de vinken net als de spotvogels en landschildpadden elk hun eigen eiland hadden. Dit stelde hem in staat om ze te beschouwen als de gediversifieerde afstammelingen van een soort van het vasteland.

- Half juli 1837 sprong Darwin in het diepe en begon een geheim notitieboek over transmutatie. ... Hij vulde de eerste 27 bladzijden met een ononderbroken reeks aantekeningen, een ademloos neergeschreven, bijkans mitrailleurachtige salvo van cryptische notities die zijn gehaaste en opgewonden gedachtestroom over de wetten van het leven weergaf. De transmutatie was een feit, en deze krabbels vormden het kader van zijn verdere onderzoek naar de wijze waarop planten en dieren veranderden.

- Op een eiland kon een afwijking snel en blijvend ontstaan. Hoe langer een gebied geïsoleerd was - zoals Australië met zijn eigenaardige vogelbekdieren -, hoe sterker de zoogdieren aldaar konden afwijken. 

- Darwin besefte dat de spontane totstandkoming van het eerste leven uit een anorganische massa een eenmalige gebeurtenis moest zijn geweest, begraven in een duister, ver verleden.

- Het leven was maar één keer ontstaan en had zich vervolgens in de loop der tijd vertakt, het was een eindeloze groei, eindstandige knoppen gingen dood terwijl andere verschenen. ... Hoe groter de afstand tussen twee groepen, hoe verder terug op de stam hun gemeenschappelijke voorouder zat en hoe meer dood hout er in de tussenliggende afstand was weggevallen.

- Alle vissen, reptielen en zoogdieren hebben een gemeenschappelijk bouwplan voor gewervelde dieren. Alle slakken en inktvissen zijn gebaseerd op een blauwdruk voor weekdieren. De aanpassing werd eenvoudig op dit basisontwerp geplakt.
 
- De tuin waar Charles nu rondstruinde en oom Jos hem een stuk in onbruik geraakte grond liet zien waar de kalk en sintels die daar jaren terug waren uitgestrooid in de aarde waren verdwenen en een laag leem hadden achtergelaten. Jos dacht dat dit het werk van wormen was, hoewel hij deze triviale tuinfeiten van weinig belang achtte voor een jongeman die op continentale schaal werkte. Charles was een andere mening toegedaan, en feitelijk was dit het onopvallende begin van een levenslange belangstelling voor de bescheiden aardworm - dat kleine ondergewaardeerde schepsel dat in miljoenvoud het land transformeerde zoals de koraalpoliepen dat met de tropische zee deden.

- Rond deze tijd verzon hij een nieuw woord voor de ontwikkeling door middel van transmutatie. Hij noemde het descent: "afstamming", en de afstamming van de mens was als onderwerp even legitiem als die van katten en koeien.

- De evolutie, zo was Darwins gedachte, verklaarde elke psychische eigenaardigheid, elk lichamelijk facet: niet alleen de ruggegraat en de milt, maar ook de gewoonten, instincten, gedachten, gevoelens, het geweten en de moraliteit van de mens. "De mens - de magnifieke mens" moest in de heksenketel van de natuur vallen.

- "Wij arme vrijgezellen zijn niet meer dan halve mannen, wij kruipen als rupsen door de wereld zonder ooit onze bestemming te bereiken," grapte Darwin toen zijn Cambridge-maatje Charles Whitley trouwde.

- Darwin klonk nu als een dissident. "De mens denkt in al zijn hooghartigheid dat hij een schitterend stuk werk is, de bemiddeling van een godheid waardig - bescheidener en volgens mij correcter [is het] om te stellen dat mensen voortkomen uit dieren."
 
- Op een blauw velletje maakte Darwin een egocentrische afweging door twee kolommen, één voor en één tegen, te vullen met enkele onsamenhangende opmerkingen: (leest u vooral bladzijde 318 waar deze opmerkingen staan genoteerd) ... De balans sloeg door in het voordeel van het huwelijk - wis en waarachtig. 
 Wat de gefrustreerde "geslachtsloze bij" nodig had was een zachte vrouw die niet van gezelligheid hield en die een bruidsschat zou inbrengen, zodat hij ongestoord kon blijven werken. Zonder vrouw zou hij niet kunnen voortleven via kinderen, "geen tweede leven" hebben, zoals hij het noemde. ...
 Hij zou dus trouwen, kiezen voor een vrouw in plaats van een hond. Op de voor de hand liggende vraag "Wanneer?" antwoordde zijn vader: "Spoedig," waar hij mee instemde. Emma was de ideale keus, zij was reeds een toonbeeld van huiselijkheid. Zij kon een verzorgster zijn, een huisvrouw, een beschermster, ze kon zorgen voor het comfort en de afzondering die hij binnen vier muren wenste te genieten. Aangezien hij zichzelf "afstotelijk alledaags" vond, dacht hij dat ze hem zou afwijzen, maar, zo zei hij, "Ik ben vastbesloten [...] een poging te wagen."
 
- De bevolkingsgroei werd geremd door de strijd om de bestaansmiddelen en door de afschuwelijke repetitieve reeks die bestaat uit dood, ziekten, oorlogen en hongersnood. Darwin besefte dat zich in de hele natuur een soortgelijke strijd voordeed, die in potentie een waarlijk creatieve kracht was. 
 Darwin had altijd gedacht dat er precies genoeg individuen werden geboren om een soort in stand te houden. Maar nu zag hij in dat populaties in het wild ook groter werden dan hun middelen toestonden.
 
- ... , want mannelijke tepels konden nauwelijks een functionele aanpassing worden genoemd. De selectie kon het bestaande model slechts grof vormgeven, het basisontwerp maken, en zelfs dan hadden dieren nog altijd nutteloze overblijfsels, zoals de stuit (of het staartbeen) van de mens.
 
- Maar nu kwam Darwin met een totaal ander beeld, namelijk dat de incidentele varianten producten van het toeval zijn. Misschien dat zelfs instincten willekeurig ontstaan, dat de selectie ervoor zorgt dat alleen de bruikbare overblijven.
 
- Het was het begin van een pact - Emma die bereid was een gebrekkige moeder in te ruilen voor een echtgenoot met een slechte spijsvertering. Zij wilde geen "zorgeloze echtgenoot" die zich altijd groothield. Zij verwachtte dat haar verzorgende taak een vervolg kreeg en vond het geen bezwaar die te vervullen.
 
- Emma zou het "beest" menselijk maken, het verzorgen, de bank zou haar domein zijn. Haar rol stond van meet af aan vast - het eenzame beest was niet op zoek naar een intellectuele zielsverwant. Zij probeerde Lyells Elements of Geology te lezen, om vervolgens te horen dat ze zich daar niet druk om hoefde te maken.
 
- Darwin begon een notitieboek met "Vragen en Experimenten", dat hij volpropte met vraagstukken en plannen: madeliefjes kweken in rijke grond, zaden zaaien onder gekleurd glas, koolsoorten hybridiseren, honden kruisen, een eend skeletteren, bloedcellen vergelijken - allemaal ingenieuze benaderingen van het raadsel van de variatie.
 
- In juni sloeg Darwin zijn laatste grote notitieboek dicht en vervolgde zijn werk aan Coral Reefs met de gedachte "het is erg prettig en eenvoudig om het raamwerk van een geologische theorie in elkaar te zetten, maar het is allesbehalve makkelijk om de harde, onomstotelijke feiten te verzamelen en te vergelijken". Zoals de recensenten ook zagen, was Darwin een theoreticus in een tijdperk waarin het detail van wezenlijk belang was.
 
- Darwin greep de rust aan om eindelijk een 35 bladzijden tellende potloodschets van zijn evolutietheorie uit te schrijven. Hij vermeed elke verwijzing naar de oorsprong van geweten en moraliteit, maar wat overbleef was allesbehalve slappe kost. Het zag er goed uit op papier, nu alle losse onderdelen voor het eerst waren samengevoegd.
 Hij beschreef eerst hoe boeren al selecterend naar behoefte ren- of sleperspaarden, slacht- of mestkoeien fokten en vervolgens en vervolgens hoe we de natuur konden zien als een met deze fokkers vergelijkbare superselecteur. Hij wist nu precies hoe het zat: overbevolking en concurrentiestrijd leidden tot een natuurlijke selectie, want de "oorlog der natuur" leverde winnaars op. Dit was het mechanisme van de afstamming. In de wereld van nu was alles met elkaar verbonden. Maar dieren klommen niet gestaag, keurig achter elkaar en in elkaar overvloeiend een lamarckiaanse ladder op. Het leven vormde een stamboom: de verwantschap tussen de zoogdieren - bijvoorbeeld een "paard, muis, tapir, olifant" - werd zichtbaar als je in de genealogie terugbladerde naar de "gemeenschappelijke voorouder".

Lees verder in deel 5.
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

Adrian Desmond & James Moore: Darwin 3 (1831-1836)

Adrian Desmond & James Moore: Darwin (Groot Brittannië, 1991): 815 blz: Vertaald door Henk Moerdijk (2008): Uitgeverij Nieuw Amsterdam
 
Darwin
 
Citaten:
- De Admiraliteit zocht iemand die kapitein Robert FitzRoy kon vergezellen op zijn topografische verkenningstocht langs de kusten van Zuid-Amerika, een reis die twee jaar zou duren. FitzRoy, zelf nog maar zesentwintig jaar, wilde een jonge reisgezel, een welopgevoede "gentleman" die zijn eenzaamheid als gezagvoerder kon verlichten, iemand die zijn disgenoot kon zijn. Een naturalist zou helemaal fantastisch zijn, want er zouden zich ongekende mogelijkheden voordoen.

- In wetenschappelijk opzicht was Darwin zeker geschikt en in sociaal opzicht was deze rol hem op het lijf geschreven. Het toeval wilde dat Jameson met zijn colleges in Edinburgh had ingespeeld op de behoeften van koloniale reizigers. Darwin kon mineralen thuisbrengen en wist steenlagen te onderscheiden, en Sedgwick had het geologisch vuur in hem aangewakkerd. Niemand in Groot-Brittannië had hem meer kunnen vertellen over de lagere zeesoorten dan Grant. Darwin was thuis in de systematiek van Lamarck en de nieuwste insectengidsen. En zijn gebrek aan ervaring maakte hij goed met zijn enthousiasme. Hij kon schieten, dieren villen en opzetten, en Henslow had zijn opleiding bekroond met een basisvorming in de plantkunde. Hij was, zoals Henslow zei, "ruimschoots bevoegd om te verzamelen, te observeren en aantekeningen te maken", en dat was wat telde.

- Robert Grant gaf Darwin een lijst met inmaaktips: bij krabben en dergelijke moeten de ingewanden verwijderd en de kieuwen uitgespoeld worden; kwetsbare zoöfyten moeten worden gedood "door geleidelijk zoet water toe te voegen", zeeanemonen "door kokend water in hun binnenste te gieten". "Spiraalschelpen" moeten opengebroken worden zodat de preserveringsmiddelen "alle onderdelen" kunnen bereiken. Gelijke delen water en "wijngeest" (ethylalcohol) moesten voldoende zijn, behalve bij krabben, die kennelijk goed tegen sterke drank kunnen.

- Darwin zag iets raars: een horizontale witte streep in de rotsen, ongeveer negen meter boven zeeniveau. Het was een laag samengeperste schelpen en koralen die doorliep voor zover het oog reikte. Het hele gebied had blijkbaar onder water gestaan; waarom nu niet meer? Het intrigeerde hem, en gedreven ging hij op zoek naar het antwoord.

- Charles, dobberend op de Rio de la Plata, sprak met geen woord over de dood van Fanny. In zijn antwoord aan zijn zussen vermeed hij het onderwerp , maar vroeg om boeken, laarzen, lenzen, meetlinten en meer lucifers om de inboorlingen versteld te doen staan. Hij pochte over al het werk dat hij verrichtte en gaf te kennen dat de natuurhistorie nog vele jaren zijn "favoriete bezigheid" zou blijven: "een bijdrage leveren, hoe klein ook, aan de uitbreiding van de beschikbare kennis is in het leven een even respectabel doel als elk ander".

- Martens ging het iets beter af, hij schoot een nandoe, en pas nadat de vogel bereid en verorberd was, herinnerde Darwin zich opeens - maar te laat - het gauchoverhaal over de zeldzame "petise". Het was de eerste keer dat hij de nieuwe vogel zag en in zijn onwetendheid had hij hem gewoon opgegeten! Gelukkig konden "kop, nek, poten en een vleugel" en de grote veren nog worden gered, die hij prompt preserveerde en in het ruim wegborg.

- De kern van de theorie van Thomas Malthus was weinig opwekkend: als de bevolking sneller groeit dan de voedselproductie, zijn strijd en honger onvermijdelijk. Publieke liefdadigheid - de oude armenzorg - maakte het alleen maar erger, want de giften maakten het de armen makkelijk en moedigden hen aan kinderen te krijgen. Meer monden om te voeden, meer armen, meer vraag naar hulp - het was een vicieuze cirkel.

- Charles zat te ver weg en hield zijn gedachten voor zich, hoewel niemand wezenlijker invloed op zijn wetenschappelijke werk zou hebben dan Malthus.

- Als het continent omhoogkwam, dan was de bodem van de Stille Oceaan kennelijk aan het zakken. Dit strookte met Lyells theorie van de "oscillerende aardkorst", en Darwin zag zichzelf nu als de "ijverige discipel" van de heer Lyell. Maar hoe kwam hij aan bewijzen? Hij vermoedde dat die te vinden waren in de koraalrijke wateren rond de talrijke eilandjes in de Stille Oceaan. Zakten die?

- Terwijl het land zakte hoopte het koraal zich op, want om te overleven moest het op een gunstige (on)diepte blijven. Hij had zijn antwoord voor de heren van de Admiraliteit al klaar voordat hij überhaupt een koraaleiland gezien had. Nu moest hij er alleen nog eentje vinden om zijn theorie te kunnen staven.

- De gevangenen dachten dat elk eiland zijn eigen schildpad had en dat de vorm van het pantser op elk eiland net even anders was.

- Wat Darwin echter wél opmerkte, was dat de spotvogels hier anders waren dan die op Chatham. Hij besloot zijn spotvogels gescheiden te houden en ze per eiland te merken.

- Alle vinken kwamen op deze watergaten af, wat het makkelijk maakte om ze te vergelijken. Maar hij deed in de zinderende hitte geen moeite om er een paar te vangen, want hij ging ervan uit dat ze, anders dan de afwijkende spotvogels, op alle eilanden hetzelfde waren.

- In totaal verzamelde hij van drie eilanden zes verschillende vinken, en zijn exemplaren van twee eilanden zaten door elkaar. Ondanks alle problemen had hij het gevoel gekregen dat deze vogels "zeer eigenaardig" waren.

- Maar hij ging er nog altijd van uit dat dit onbelangrijke afwijkingen waren; tijdens de oversteek van de Stille Oceaan zou hij zijn schildpadden verorberen en de kok hun veelzeggende rugschilden overboord laten gooien.

- Op open zee werkte hij drie weken aan een "complete herschrijving" van zijn geologische aantekeningen, hij wilde zijn ideeën soepel formuleren, maar slaagde daar niet geheel in. Hij probeerde de kwestie aan zijn zussen uit te leggen, maar zelfs dat stelde hem al voor stilistische problemen. "Het wordt me duidelijk hoe moeilijk het is om je ideeën op papier te zetten. Zolang het enkel een beschrijving betreft is het tamelijk eenvoudig, maar zodra er sprake is van een redenering, als er verbanden gelegd moeten worden en de woorden helder en vloeiend moeten zijn, vormt dat voor mij, zoals ik reeds zei, een probleem waarvan ik eerder geen benul had".

- Hij had nog veel meer: aantekeningen over esoterische geologie (1383 grote vellen) en dierkunde (368 bladzijden), nieuwe soorten - en dan vooral het half verorberde karkas van zijn kleine nandoe - een jonge galapagosschildpad in zijn hut, nog altijd in leven en zelfs vijf centimeter gegroeid, en thuis stonden kratten vol botten, vogels, stenen en koralen te wachten. De oogst was enorm. Zijn hoofdcatalogus bevatte 1529 gepreserveerde soorten en 3907 gelabelde huiden, botten en andere gedroogde monsters.

- Hij was op een spoor beland waarop hij de rest van zijn leven zou blijven: hij trok belangwekkende conclusies uit kleine feiten, leidde uit microscopisch kleine koralen een theorie over reusachtige riffen af en formuleerde zijn ideeën over de Andes op grond van enkele verschuivingen in de aardkorst. De wereld was - door de lyellaanse bril van  Darwin bezien - een opeenstapeling van minuscule veranderingen - alles voltrok zich natuurlijk, geleidelijke en langzaam.

Lees verder in deel 4.
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.