Lieve Joris: De melancholieke revolutie (België, 1990): 247 blz: Uitgeverij Meulenhoff
Lieve Joris verbleef van de zomer van 1989 tot de lente van 1990 grotendeels in Hongarije. Het was de tijd van grote omwentelingen in het Oostblok en ook in Hongarije. Er werden voor 1990 voor het eerst in lange tijd, vrije verkiezingen uitgeschreven.
De eerste twee boeken van Lieve Joris: "De Golf" en "Terug naar Kongo" waren vooral reisverslagen. In "De melancholieke revolutie" is ze nog een stukje ambitieuzer, ze probeert om de politieke situatie van Hongarije op dat moment te duiden. Lieve Joris voerde vele gesprekken met aanstormende politici. Doordat het boek zo op de Hongaarse politiek is gericht, maakt het voor mij minder universeel en boeiend dan haar twee eerdere boeken. Een knap boek, dat zeker, maar voor mij een van de minder onderhoudende boeken van Lieve Joris.
Citaten:
- Tegen vieren is de lange tafel met het hagelwitte damasten tafelkleed veranderd in een indrukwekkend tableau vivant. Tussen de boeken, manuscripten en artikelen staan flesjes, lege koffiekopjes en goudomrande bordjes met resten chocoladetaart; de plastic zak met kersen midden op de tafel is leeg, de asbakken puilen uit van sigarettepeuken en kersepitten. Traag gaat het gezelschap uiteen. Iedereen gooit wat kleingeld op tafel, dat András samenraapt en waarmee hij de rekening betaalt.
- Als György en Teréz naar bed zijn, gaan wij - zoals het stedelingen betaamt - op zoek naar een café. Fegyvernek slaapt, de straten zijn ternauwernood verlicht, hier en daar het flauwe schijnsel van een lantaarn, daarachter doemen de huizen als sombere schimmen op. We sluipen langs heggen en vóór me doorboort Mészöly de duisternis met een zaklamp. "Het lijkt wel Afrika," zeg ik.
Mészöly reageert als door een wesp gestoken. "Jongens, hoor eens wat zij zegt: het lijkt wel Afrika!" Ik heb het al eerder gemerkt: Hongaren maken onder elkaar graag smalende opmerkingen over de toestand van hun land, maar zijn beducht voor kritiek van buitenstaanders. De dagen daarna zal Mészöly mijn opmerking herhaaldelijk terugkaatsen.
-
"Onze geschiedenis heeft zijn Stendhal of Tolstoj nog niet gevonden,"
zegt hij bedachtzaam, "maar zelfs Tolstoj had uiteindelijk geen goede
vorm gevonden om over politiek te schrijven. Denk maar aan Anna Karenina.
De liefdesscènes uit dat boek zullen we nooit vergeten, maar in die
tijd werden in Rusland ook belangrijke landhervormingen doorgevoerd; als
Tolstoj daarover schrijft, val ik gewoon in slaap van verveling!"
-
Gergö kijkt me aan met lichte spot in de ogen: "Veertig jaar zijn we
afhankelijk geweest van de Russen, we zullen altijd van hen afhankelijk
blijven. Misschien zullen we in de toekomst iets meer mogen zeggen, maar
zij zullen bepalen hoeveel."
- "Dat is nu Hongarije," zegt Schiffer als we verder rijden.
"Wij
zijn verdeeld," zucht Tamás, "dat is het verschil met de Polen, die
hebben een veel sterker gevoel van natie dan wij. Dat komt omdat wij
eeuwig belegerd zijn, door Turken, Oostenrijkers, Duitsers, Russen. De
ene helft van Hongarije trekt naar het Oosten, de andere naar het
Westen. Wij hebben te veel verschillende ambities; als wij bij elkaar
zitten, kunnen we het nooit over één zaak eens worden."
-
Aan de ontbijttafel leest iedereen de krant. Vroeger hadden ze die in
een minuut uit, tegenwoordig komen ze niet mee bijgelezen, klagen ze.
Tamás steekt een broodje in de lucht, het is rond en keihard. "Dit
broodje," zegt hij met een dramatische stem, "is even oud en moe als ik.
In het westen van het land, bij de Oostenrijkse grens, daar eet je
brood, hmm, Kaiserbrötchen. Maar hoe oostelijker je reist, hoe armer het land en hoe ouder het brood."
- We eten aan een lange tafel met uitzicht op het dal; in de verte de bossen waar de man jaagt. Als jachtopzichter heeft hij veel contacten met lokale partijfunctionarissen, maar hij is niet meer afhankelijk van hen, zijn meningen worden niet langer door onzuivere motieven bepaald. Zijn ideeën komen tegenwoordig uit de wereld van de jacht.
"Als je wild hebt geschoten, moet je er nooit meteen naar toe lopen," zegt hij, "steek maar rustig een sigaret op, wacht maar een minuut of vijf. Want een dier in stervensnood kan je in zijn allerlaatste desperate moment nog levensgevaarlijk verwonden. Zo is het met de communisten ook. Ze zullen ons misschien nog een krachtige trap geven. Maar doodgaan zullen ze."
- Koffie wil ik, maar als we op het perron aanschuiven bij een kiosk, is de lucht doordrenkt van goedkope pálinka die de mannen om ons heen vreugdeloos achteroverslaan - als een medicijn. Een tijdje geleden mocht er vóór negen uur geen alcohol worden geschonken, vertelt Gergö, maar toen kochten de arbeiders 's avonds al een voorraadje, dus met dat verbod was het snel afgelopen.
- Ik moet denken aan wat István Eörsi me vertelde. "In 1956 was Kádár de meest gehate man van heel Hongarije," zei hij, "maar niet veel later verkondigde hij: ik geef jullie meer vlees als jullie mijn macht aanvaarden. Toen zeiden de mensen: ach, hij is niet zo slecht, minder slecht dan wij dachten, eigenlijk is hij nogal goed, relatief fantastisch zelfs!"
- Tegen politieke meetings heeft hij geen bezwaar, maar er moet wel goed bij worden gegeten en gedronken.
-
Rijk waren zijn ouders niet. Zijn grootmoeder stond net als iedereen
uren in de rij en vaak aten ze alleen aardappelen en kool. Op een dag
ging hij met zijn moeder naar een markthal. Daar kwamen ze een kennis
tegen, de vrouwelijke minister van gezondheid. Hij imiteert de
gespeeld-deftige toon waarop deze aan zijn moeder vroeg: "Zeg eens, mijn
lieve, wat jij je kinderen bij het ontbijt geeft, want de mijne willen
geen cacao meer drinken." Cacao was een luxe-produkt dat weinig mensen
zich konden veroorloven. "Ik geef ze aardappelsoep," zei zijn moeder
kortaf. De vrouw reageerde enigszins geshockeerd, maar vervolgde toch op
dezelfde flemende toon: "Zijn jullie met de auto gekomen?" "Nee, met de
kar." Gekrenkt draaide de vrouw zich om. "Domme gans," fluisterde zijn
moeder.
-
In het Westen is het verschil tussen wat een schrijver en een
bouwvakker weet niet zo fundamenteel. Hier weet een loonarbeider of een
boer die in een collectief werkt, niets.
-
Zelf is hij niet opgehouden over die dingen na te denken: waarom moeten
er bijvoorbeeld drieduizend verschillende soorten lampen zijn? Twee
soorten zoals in Hongarije is ook te weinig, beseft hij - maar dertig
bijvoorbeeld, dat zou toch moeten volstaan?
- De serveerster heeft twee borden met eten voor ons neergezet. Tijdens het praten stoot ik per ongeluk een glas rode wijn om. János schiet achteruit - te laat, zijn witte hemd zit vol wijnspatten. De serveerster snelt toe om ons een nieuw tafeltje te geven, ik probeer met een natte doek het ergste kwaad te verhelpen. Maar János staat alweer te grijnzen. "Ach, vergeleken met orkaan Hugo is dit een kleinigheid."
- "Je bent de enige buitenlander hier aan tafel," fluistert Köszeg, "het is je gelukt, je zit er middenin."
"Het is de enige manier," zeg ik.
"Het helpt dat je een vrouw bent." Hij kijkt me zijdelings aan en lacht in zijn baard.
"Is dat een compliment?" Hij bedoelt waarschijnlijk: het helpt dat je een jonge vrouw bent. "Eigenlijk is het tragisch," zeg ik, "het betekent dat het me als vijftigjarige niet zou lukken."
- "Daklozen," zeg ik tegen Anna als ik thuiskom, "in de hele wereld lijken ze op elkaar."
- "Hoe ging het vanavond eigenlijk?" vraag ik.
"Ach,
er werden een paar serieuze vragen gesteld." Hij wuift met de hand.
"Maar eerlijk gezegd houd ik niet van serieuze vragen. Militaire
kwesties, woningnood, economie, stomvervelend is het." Hij kijkt me van
terzijde aan. "Ik hou er meer van als een vrouw mij vraagt wat mijn
programma voor de rest van de avond is." Gábor, de onverbeterlijke
Gábor. Zelfs nu kan hij het niet laten. Of misschien juist nu niet, nu
dit alles hem aan het ontglippen is.