dinsdag 10 september 2024

Carolijn Visser: Hoge bomen in Hanoi

Carolijn Visser: Hoge bomen in Hanoi (Nederland, 1993): 235 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 
Hoge bomen in Hanoi
 
In 1992 maakte Carolijn Visser een lange reis door Vietnam. Ze was gefascineerd door de Vietnamoorlog die ze in haar jeugd via de televisie had meebeleefd. Opvallend vergeleken met haar reizen door China is dat Carolijn in Vietnam veel makkelijker contact kon leggen en vriendschap sluiten met de inwoners van het land. "Hoge bomen in Hanoi" is een geweldig reisverhaal.
 
Citaten:
- Ik zit op de voorplecht en neem alles heel precies in me op. Ik ben sinds een paar dagen in Vietnam en kan nergens anders aan denken dan aan de oorlog. In gedachten zie ik helikopters hangen boven de bomen, gruwelijke films spoken door mijn hoofd.
 Hoe kon je toen weten, vraag ik me af, de rivier afkijkend, wie een machinegeweer verborgen hield in zijn schuitje? Wie was doodgewoon onderweg naar de markt en wie werkte voor de Vietcong?
 
- Nog geen honderd kilometer verderop ligt de grens met Cambodja, een gebied vol misdaad en maffia, weet meneer Hanh. "Vanuit Thailand worden televisies, brommers en zelfs auto's door het oerwoud van Cambodja naar de Vietnamese grens gebracht, alle douaniers zijn omgekocht." "en wat gebeurt er dan met die spullen?" vraag ik nieuwsgierig. "Die laden ze op een vrachtwagen en daarmee rijden ze naar Saigon of Cholon, de Chinese wijk. Alles, alles wat je daar op de markt ziet is gesmokkeld, en vaak is het niet wat je denkt dat het is," besluit hij mysterieus. "Hoezo?" vraag ik geïntrigeerd. "Wel," legt hij uit, "je koopt bijvoorbeeld een Japanse scooter, een Honda, splinternieuw, voor tweeduizend dollar. En wat blijkt? Alle onderdelen die erin zitten zijn niet van Japanse maar van goedkope Chinese makelij; ze hebben alles omgewisseld. Een gekookte scooter noemen we dat."

- Naast het hotel licht even later in neon het woord "massage" op. Ik informeer of dat aanbod ook voor vrouwen geldt. "Zeker," zegt de receptioniste, "vijfenveertig minuten kost tienduizend dong." Na afloop vraag ik of meneer Hanh misschien ook belangstelling heeft. "O nee," zegt hij verschrikt, "massage heeft in Vietnam altijd met seks te maken en daar krijg je aids van." "Ik ben er net geweest," zeg ik, "er was niets dubbelzinnigs aan." Meneer Hanh houdt voet bij stuk. "Daar doe ik niet aan mee," zegt hij beslist.

- Het politiebureau bestaat uit een krot tegenover een vijver waarin twee hokjes staan die je met een bruggetje kunt bereiken. "Wc's," wijst meneer Hanh, "zodat er geen kostbaar voedsel voor de vissen verloren hoeft te gaan."

- Mijn kamer lijkt de vleugel van een paleis; in een riant vertrek kan ik bezoekers ontvangen, de slaapkamer is enorm en kan ik ook gebruiken als kantoor. Alleen: de muren zijn beschimmeld en de ruiten zwart van het roet. In de badkamer liggen prachtige tegels, maar ze zijn allemaal gebarsten. De wasbak heeft geen afvoer. Dat hoeft ook niet, want het water komt niet uit de kraan maar uit de muur. Elektriciteitsdraden steken dreigend uit de stopcontacten en de airconditioner is groots aanwezig, maar zwijgt in alle talen.

- Een paar donkere straten verderop is een hel verlichte bar. Ik hou van cafés; een goed café is als een huiskamer waar alles mag. In China bestaan ze niet, Chinezen houden niet van drinken met volslagen onbekenden. Daarvoor wantrouwen ze elkaar te zeer en ze vinden waarschijnlijk dat een mens zijn tijd beter kan besteden. In Saigon struikel je over de cafés, in de meeste wordt louter koffie gedronken, maar dat komt alleen maar omdat er geen geld is voor iets anders. Vietnamezen houden van praten, met iedereen. Als je wilt luisteren doen ze hun hele leven uit de doeken in een minuut of vijf, wat dat betreft lijken ze op Amerikanen. De meeste cafébezoekers zijn mannen, zoals overal in de wereld.

- Marc koopt een oorkrabber en verzinkt daarna in gepeins. Als ik vraag waar hij aan denkt, zegt hij: "Oh, wel, ik dacht aan de nacht dat ik erachter kwam dat we de oorlog nooit zouden winnen." Hij zat naast een zwaargewonde te wachten op de dageraad. De jongen was bleek door bloedverlies, Marc moest hem bij kennis houden, anders was het gedaan. Toen leek het of hij onder de grond iets hoorde, iets voelde bewegen. De Vietcong, dacht hij, ze zijn tunnels aan het graven. "Ik verbeeldde het me," zegt Marc, trekkend aan zijn joint, "maar gek genoeg maakte dat niet uit. Dat visioen van de Vietcong die zelfs midden in de nacht onder je kont tunnels aan het graven was, maakte dat ik vanaf dat moment wist dat het een verloren zaak was."

- De eerste weken in Vietnam dwaalden mijn gedachten steeds af naar de "Amerikaanse oorlog" zoals de Vietnamezen die noemen. Nu valt het mij steeds meer op dat Saigon op een ouderwetse Franse provincieplaats lijkt: er is een enorme kathedraal, de Notre Dame, die overal bovenuit steekt, en onder de bomen die de avenues koel houden waggelt een enkele 2 CV. Het geel gestucte stadhuis hoort eigenlijk thuis in Cannes en het imposante postkantoor waar heel veel wordt gestempeld, kan zo figureren in een historische Franse film.
 Op terrasjes langs de boulevards drinken de mensen koffie, een zeldzaam drankje in dit werelddeel. De aluminiumfilters die daarbij worden geserveerd zijn gemaakt van neergestorte Amerikaanse helikopters, wordt gezegd, maar de koffie smaakt er niet minder Frans om.

- Na jaren reizen in China kan ik slechts twee bewoners van dat onmetelijke land mijn vrienden noemen; daar was het een zeldzame gebeurtenis als iemand mij in vertrouwen nam. In Vietnam gaat het anders; hier word ik regelmatig uitgenodigd bij mensen thuis, ze nemen mij mee uit eten en vertellen me verhalen, ze komen me opzoeken in mijn hotel.

- We scharen ons rondom de tafel met het beste uitzicht over het park, meneer Trang wenkt de ober om ernstig met hem te overleggen en de bestelling te regelen. "Een aantal specialiteiten," belooft hij opgewekt. Twee schalen met krokante loempia's worden gebracht, die moeten samen met verse kruiden in slablaadjes worden gewikkeld. Er is ook Chinese soep en Franse biefstuk, in stukjes gesneden zodat je het met stokjes kan oppakken, en friet. Het laatste gerecht dat gebracht wordt, ken ik niet. Het is iets wits, het smaakt stevig, zoals inktvis. "Wat is dit?" vraag ik. "Baarmoeder van een rund," zegt meneer Trang, en hij legt nog een stukje in mijn kom.

- Ik koop een paar blikjes Heineken en loop naar de antiekwinkel. "Cyclo, madam, cyclo," roept een haveloze man die met mij opfietst. Als ik geen sjoege geef, roept hij kwaadaardig: "Lienxo", Rus, de grootste belediging voor een buitenlander in Saigon.

- Ik huiver, wat betreft ziektes ben ik geen held. Als ik maar iets ongewoons voel, verbeeld ik meteen het ergste. Ooit werd ik opgenomen voor een maagperforatie die niet te vinden was. Kort daarna werd een specialist teruggeroepen van zijn weekendverlof, omdat het erop leek dat ik een hartinfarct had. Verschillende keren was ik ervan overtuigd dat virussen mijn lichaam aan het slopen waren, maar altijd bleek ik weer kerngezond, alleen een beetje zenuwachtig.

- De oude man brengt me hijgend naar een parkeerplaats aan de rand van de stad, waar een paar minibusjes staan. "Dalat! Dalat!" roept iemand en pakt de cyclo beet. Als ik twee kaartjes koop kunnen we meteen vertrekken, begrijp ik, want er zijn nog twee zitplaatsen over. Niet de beste vanzelfsprekend, ik moet door de achterklep naar binnen klauteren. Die wordt gesloten en dan zitten we samengepakt als in een onderzeeër. In geval van nood komt niemand hier levend uit.

- Ik had toen [tijdens de Vietnamoorlog] een heel duidelijk beeld van Noord-Vietnam. De Noordvietnamezen werkten hard en gingen gekleed in eenvoudige zwarte katoenen pakken. Als de Amerikaanse bommenwerpers naderden ging er een sirene, haastig verdwenen ze dan in schuilkelders. De Noordvietnamezen streden allemaal voor een doel en een ideaal, daar offerden ze alles voor op. Ze waren erg arm, maar het weinige dat ze hadden werd rechtvaardig verdeeld. Ik herinner me geen enkel bericht waarin dat werd tegengesproken.

- Meneer Thuy knikt, hij lijkt zich te ontspannen nu hem duidelijk wordt dat hij zich niet hoeft te verdedigen: "Bij de radio verdiende ik tien dollar per maand, nu krijg ik twintig keer zoveel." Hij zwijgt even en zegt dan: "Er is een brain drain aan de gang in dit land, onze ministeries, onze ziekenhuizen, de universiteiten en de scholen lopen leeg. Iedereen die de kans krijgt om voor buitenlanders te werken, grijpt die aan."
 Meneer Thuy verwondert zich wel over meer ontwikkelingen in Vietnam. "Vroeger was iemand die arm was per definitie beter dan iemand die rijk was. Nu kan iemand arm zijn omdat hij lui is," vat hij samen.

- Meneer Thuy doorbreekt de stilte: "Schilderijen en oorlog kun je het beste van een afstand bekijken," mompelt hij treurig.

- Het is een publiek geheim in Vietnam dat de meeste artsen tegenwoordig weinig op hun werk komen, ze hebben verschillende bijbaantjes, anders zouden ze niet genoeg verdienen om hun kinderen te eten te geven.
 
Carolijn spreekt de schrijver Bao Ninh:
- "Waarom heet uw boek Het verdriet van de oorlog?" begin ik aftastend. "Zo heet het in het Zuiden," smaalt Bao Ninh. "In het Noorden mocht ik het zo niet noemen. Het woord "oorlog" is hier taboe. Je kunt over de "vrijheidsstrijd" spreken, maar het woord oorlog in combinatie met verdriet, dat kan niet. Het boek heet hier daarom Het lot van de liefde."
 
- In Hanoi wordt veel gefluisterd over de illegale grenshandel. Vietnamezen brengen kreeft, honden, metalen en hout naar China, soms in een vrachtwagen, soms in een mand aan een bamboestok. Ze komen terug beladen met flessen bier, kleren, pannen en andere huishoudelijke artikelen die overal in de stad in de winkels liggen.
 
- Voor elke reis zie ik altijd een aantal beelden voor me. Soms lijken die op foto's uit toeristische brochures: een zonovergoten kust, een fonkelend groen oerwoud. Maar meestal zijn het visioenen waarin ik ergens bijhoor: galopperend op een paard tussen Mongoolse nomaden, voortzeilend op een Chinese jonk in het gezelschap van Cantonese schippers. Het is altijd het diepe verlangen ergens anders thuis te zijn dat mij keer op keer mijn eigen deur uitjaagt.
 
- Wel, denk ik, hier zit ik nu in een afgelegen berghut te midden van een Muong-familie en ik heb een glaasje rijstwijn voor me staan. De ziel van Vietnam wordt me alleen niet erg veel duidelijker. Dit bezoek kan net zo goed plaatsvinden in Thailand of Indonesië. Als westerling maak je kennis met een plaatselijke familie in primitieve omstandigheden. Je voert een gesprek dat voorspelbaar is. Iedereen is van goede wil, er is iets te eten, te drinken en te roken en er zijn souvenirs te koop. En aan het eind van het bezoek geef je wat geld.
 
- Thiep gaat naar binnen om de theekopjes hierheen te halen. Teruggekomen betoogt hij dat hij een doodnormale Vietnamese burger is. "Ik voer mijn varkens, ik werk in mijn tuin, ik probeer de eindjes aan elkaar te knopen. ..."
 
- Meneer Tuong legt een hand op de mijne. "Jij bent anders," vleit hij, "jij bent, hoe zal ik het zeggen, zachter."
 Ik verwacht dat hij nu uiteen gaat zetten dat je met vrouwen niet over politiek moet praten, maar over de liefde. Dat is een opmerking die op een moment als dit wel vaker uit de hoed getoverd wordt, maar meneer Tuong zwijgt. Hij kijkt naar de maan en steekt een nieuwe sigaret op.

       

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten