donderdag 19 september 2024

Carolijn Visser: Uit het moeras

Carolijn Visser: Uit het moeras (Nederland, 2000): 287 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
Carolijn Visser ontmoette in 1990 het Estische stel Aavo en Daina in de Trassiberië-Expres onderweg van Bejing naar Moskou. Ze raakten aan de praat en sloten vriendschap. In 1991 reisde Carolijn voor het eerst af naar Estland om Aavo en Daina op te zoeken.

Sinds dat eerste bezoek was Carolijn vaak in Estland. Ze kocht een oude school om daar een hotel van te maken, ze leerde Estisch en ze was er zowel 's zomers als in de koude winter. Ze voelde zich er helemaal thuis. "Uit het moeras" is een geweldig boek!
 
Citaten:
- Aavo zorgde ervoor minstens één keer per week te lunchen in het café tegenover de vleesfabriek van Poldeotsa, in de buurt van Párnu. Tegenwoordig is dat een verlaten bouwval en heeft niemand er meer iets te zoeken, maar toen ging er heel wat om. Arbeiders smokkelden gigantische filets en biefstukken onder hun kleren de poort uit. In de stinkende wc van het café werden ze tevoorschijn gehaald. Zo kocht Aavo tientallen kilo's eersteklas vlees voor een krats. 's Avonds in Tallinn ging dat voor het vijfvoudige van de hand.
 
In de Transsiberië-expres waarin Carolijn, Aavo en Daina ontmoette:
- En wat moesten we met onze eigen bagage? Vooral die van mij was omvangrijk. In Peking had ik een oud, zwartgelakt kastje gekocht waar vroeger een mandarijn zijn drank in vervoerde als hij op dienstreis was. In Shanghai had ik ellenlange lappen zijde aangeschaft en een koker met gouaches van een kunstenaar die ik bewonderde. Al met al een kilo of twintig, drie barstensvolle gestreepte plastic tassen.

- Aavo haalde zijn schouders op en maakte een relativerend gebaar: wat deed het er allemaal toe. "Nu kennen we ook mijn twee halfzusjes," zei hij lachend. Het was inderdaad vermakelijk: hij vond familieleden zoals een ander schelpen op het strand.

Carolijn bij de ambassade van Estland:
- "Heeft u een uitnodiging?" vroeg ze. Nee, legde ik uit, die had me zo snel niet kunnen bereiken, de post werd immers nog steeds via Moskou gestuurd. Er gingen weken overheen voordat een brief uit Estland Nederland bereikte. "Dat gaat allemaal veranderen," beloofde ze vriendelijk. Voor deze keer wilde ze wel een visum geven zonder uitnodiging. "Nr. 212", schreef ze in het stempel.

- Op mijn middelbare school was de Tweede Wereldoorlog het belangrijkste onderwerp van de geschiedenislessen geweest, maar er was met geen woord gerept over het lot van de Baltische staten. Ik kon slechts met twee wapenfeiten schermen: mijn grootvader had me ooit een Estlandse postzegel uit zijn collectie laten zien en als kind had ik in een muntenzaak een zilveren Estlands twee kroon-stuk vast mogen houden. "Dat land bestaat niet meer," had de handelaar gezegd.

- "De Sovjet-Unie hing van diefstal aan elkaar," vatte Aavo samen. "Iedereen stal en als er niets was om te stelen, stal je tijd. Dan kwam je gewoon niet of nauwelijks op je werk."

- In een uniformenfabriek sprongen mensen voor hem en Daina ter begroeting in het gelid. Daarna lieten ze de bontmutsen zien die ze maakten. "Toen hebben ze het mooiste wijf uit de fabriek getrokken en in een bontjas gehesen," vervolgde Rob, "Nerts, bever, weet ik veel, kostte geen fluit. We kregen een hele modeshow. Maar wat moet ik ermee? Als je in Amsterdam zo'n ding aantrekt krijg je zo een emmer verf over je heen." Ik keek zorgelijk naar de muts op mijn schoot. Zou me daar ook zoiets mee overkomen? "Nee, nee," zei Rob beslist. "Het is merkwaardig, maar over een muts windt niemand zich op, ik loop er al dagen mee rond."

- Ik had er altijd al van gedroomd een hotel te beginnen. In Estland het liefst in een Duits herenhuis, maar een oude school was misschien een goed begin.

- Ik trok een plattegrond van de oude school naar me toe. Het zou een hotel kunnen worden, maar ook een feestzaal, de ruimten waren groot genoeg. Ook overwoog ik om er een tijd zelf te gaan wonen. Ik voelde me hier thuis. Estland deed me aan Zeeland denken, de provincie waar ik ben opgegroeid. De zwarte akkers waar aardappelen aan ontworsteld moesten worden, kwamen me vertrouwd voor en dat de zee nooit ver weg was, stelde me gerust.

- Aavo wist dat hij van oneerlijkheid werd beticht en dat maakte hem razend. Hij had vaak uitgelegd dat voor de garage kosten werden gemaakt, zoals voor verwarming, een nachtwaker, een boekhouder. Iedereen dacht nog steeds dat zulke zaken gratis waren, zoals in de sovjettijd. "Waarom laat je hun de boekhouding niet zien?" Aavo zag daar het nut niet van in. "Dan denken ze dat ik er een dubbele boekhouding op na hou."

- ... Esther zag het ook. "Mannen op Hiiuma zijn slechts vier keer per jaar dronken," verzuchtte ze, "elke keer drie maanden achter elkaar."

- Tante Helen bracht een schaal met gerookte ham. Ze zette ingemaakte augurken op tafel, en tomaten met dille uit de tuin. Vello droeg een emmer melk binnen van de koe die in de schuur huisde. Daarna kreeg hij de opdracht eieren te gaan rapen in het kippenhok. De boter op tafel was zelfgekarnd en ook de zachte kaas was door tante Helen zelf gemaakt. "Alleen voor koffie, zout en suiker gaat ze naar Suuremoisa," zei grootmoeder zacht, het dichtstbijzijnde dorp, zes kilometer verderop.

- Buiten blafte Kahru. In de hal klonk gestommel. De deur zwaaide open en Eduard, met een Russische bontmuts op zijn hoofd, stapte binnen. "Kommen Sie," zei hij en wenkte met een enorme arm in een gewatteerde jas, "kommen Sie schnell. Oscar. Schwein." Hij maakte het gebaar van iemand de keel afsnijden. Het duurde even voordat ik zijn bericht begreep: hij ging een varken slachten en ik had ooit gezegd dat ik daar graag getuige van wilde zijn. Maar Oscar was toch het varken dat jaren geleden op tafel had gestaan, gerookt en gepekeld? "Alle Schwein Estland Oscar," bulderde Edu en hij wenkte weer.

- Toen was het grote moment aangebroken. De mannen verdwenen in de stal en sleepten het varken aan een touw naar buiten. De tractor stond al klaar, er werd een touw om de lift geslagen en het varken ging met zijn kop naar beneden de lucht in. Even krijste het dier, toen stak August het een mes in het hart. Eduard snelde toe met een emaillen emmer om het bloed op te vangen, voor de worst. Toen de stroom minder werd vulde hij nog een klein pannetje. Het varken was dood en had zijn gewimperde ogen gesloten. Eduard liep erop af, sloeg zijn armen om het dikke lijf heen en mompelde: "Oscar, Oscar." Het was zo'n intiem gebaar dat ik mijn ogen afwendde. Eduard had maandenlang eten voor het dier gemaakt, elke dag aardappelen voor hem gekookt, steeds gezorgd dat zijn trog vol was. Het varken bood hem nu zijn hammen. Een schuld werd ingelost.

- Daina zweeg even. "Toen ik met Aavo trouwde, was hij inkoper, snabzenets. Dat was een uitstekende baan in de sovjettijd, zoiets als manager bij IBM nu. Vroeger moest alles bij elkaar gescharreld, geruild, met steekpenningen verkregen worden. Aavo was daar heel goed in. Tegenwoordig wordt wat je maar wenst, voor de deur afgeleverd. Niemand heeft meer een snabzenets nodig."

- Daina en haar stiefvader zaten aan een piepklein tafeltje, geklemd tussen het aanrecht en een sovjetgeiser die eruitzag als een raket en een hels kabaal maakte.

- Net als alle andere Esten verbaasden Daina en Aavo zich erover dat het Westen maar hulp bleef geven aan Moskou. De Estlandse president Lennart Meri had daarover in een interview met een Amerikaanse krant gezegd: "Jullie denken dat als je de tijger steeds meer vlees geeft, hij vanzelf vegetarisch wordt."

- Het Estisch, net als het Fins en het Hongaars, staat als moeilijk bekend. Dat vond ik het ook, maar niet zo moeilijk als het Mandarijn-Chinees. Daarin had ik veel lessen gevolgd, met bedroevend weinig resultaat. Estisch ging me beter af. Na verloop van tijd kon ik eenvoudige gesprekjes voeren en mijn boodschappen doen zonder Engels te hoeven gebruiken. In het dorp reageerde iedereen verrast op mijn geringe kennis. "Jij bent hier nog niet zo lang, maar je begrijpt al meer van onze taal dan Russen die hier twintig jaar geleden gekomen zijn," kreeg ik vaak te horen.

- "Hus suvi," zei ik tegen de mensen die ik op weg naar het dorp tegenkwam. "Wat een mooie zomer!" Het nuchtere antwoord dat ik kreeg was iets in de trant van: "Ja, geniet er maar van, want hij is sneller voorbij dan je denkt." In de zomer had iedereen haast. Gedurende die paar maanden moest er veel werk worden verzet. Het hout voor de kachels moest gekliefd en opgestapeld worden in de schuur, de moestuin moest worden bijgehouden, de aardappelen geoogst, het dak gerepareerd, de riolering hersteld, de auto uit elkaar gehaald. En alles moest klaar voordat de eerste koude kwam en het leven weer zou worden lamgelegd. De zomer was de tijd waarin je je wapende tegen de winter.

- Toen ik met Andra frambozen aan het plukken was, zei ze: "We moeten er veel van eten, anders krijgen we van de winter spijt dat we er niet meer gegeten hebben."

 
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten