Alfred Russel Wallace: Het Maleise eilandenrijk (Groot-Brittannië,
1869): 679 blz: Vertaald door Ruud Rook (1996): Uitgeverij Atlas
"Het Maleise eilandenrijk" van Alfred Russel Wallace wordt algemeen beschouwd
als een van de belangrijkste reisverhalen uit de 19e eeuw.
Alfred Russel Wallace was een bioloog die tegelijkertijd met Charles Darwin op
het idee van evolutie kwam. Het verschil tussen hen beiden was dat
Wallace in een creatieve flits kwam tot een schets van hoe evolutie
volgens hem verliep terwijl Darwin al 20 jaar met het idee bezig was en
uitgebreid alle voors en tegens had overdacht.
Wallace deelt het eilandengebied in vijf regio's in:
1): De Indo-Maleise eilanden: bestaande uit het schiereiland Malakka en Singapore, Borneo, Java en Sumatra.
2): De Timor-groep: bestaande uit de eilanden Timor, Flores, Sumbawa en Lombok, alsmede verscheidene kleinere eilanden.
3): Celebes (tegenwoordig Sulawesi genaamd).
4): De Molukken.
5): De Papoease groep: bestaande uit Nieuw-Guinea alsmede de Aroe-eilanden en verscheidene andere eilanden.
Van
iedere regio beschrijft Wallace zijn reizen door dat gebied, terwijl
hij steeds afsluit met een hoofdstuk over de natuurlijke historie van
het besproken gebied.
In "Het Maleise eilandenrijk" doet Wallace verslag van zijn verblijf
gedurende de jaren 1854-1862 in wat toen Maleisië heette (tegenwoordig
spreekt men van Indonesië). Wallace was van arme afkomst en moest om
zijn reis te kunnen bekostigen dieren verzamelen. Dat deed hij met
ongekende overgave, een groot deel van zijn boek wordt gevuld met
beschrijvingen van vangsten van vooral vogel-, vlinder- en keversoorten.
Hij verzamelde 1000 soorten vogels en 7000 soorten kevers en vlinders.
Daar zaten een aantal nieuwe soorten bij waarvan er ook enkele naar hem
vernoemd zijn, waaronder een soort paradijsvogel.
Wallace ontdekte dat er een grens liep tussen Bali en Lombok en ten
oosten van Celebes ten westen en oosten waarvan de dierenwereld flink
verschilde. Deze grenslijn wordt sinds die tijd de Wallace-lijn genoemd.
Verder schrijft Wallace over zijn ontmoetingen met het Maleise en
Papoease mensenras. Geheel in de trant van de 19e eeuw beschrijft hij
deze als lui en een treetje lager op de evolutieladder staand dan de westerse mens.
Hij schrijft ook over de jacht op de orang oetans, over de doerian, over
bamboe en over de productie van sago.
Kenmerkend voor de onbevooroordeelde blik waarmee Wallace kijkt is dat
hij het Nederlandse cultuurstelsel als het beste systeem beschouwt dat
hij kent in de koloniën.
Ook is Wallace enthousiast over de waterklok (een halve kokosnoot met
onderin een gaatje die geleidelijk volstroomt met water) en vindt hij
reizen met de inheemse prauw gerieflijker dan met een stoomboot, die
toch als een hoogtepunt van de westerse beschaving wordt beschouwd.
Wallace sluit het boek af met een beschouwing over Engeland, het rijkste
land ter wereld waarin desondanks tien procent van de bevolking in
armoede leeft of van de misdaad.
Het is een erg onderhoudend boek waarin de vele opsommingen van
verzamelde dieren soms wat langdradig zijn. De vertaling van Ruud Rook
leest uitstekend.
Citaten:
- De Chinese bazaar telt honderden winkeltjes die een veelzijdige
verzameling ijzerwaren en manufacturen te bieden hebben, veelal tegen
wonderbaarlijk lage prijzen. Men kan er fretboortjes kopen voor een
stuiver per stuk, vier bollen wit katoendraad voor een halve stuiver, en
pennemesjes, kurketrekkers, kruit, schrijfpapier en vele andere
artikelen kosten hetzelfde of zijn goedkoper dan in Engeland.
- Laat in de middag bereikten we Sodos, gelegen op een heuvelrug
tussen twee rivieren, maar omringd door fruitbomen, zodat er van het
landschap weinig te zien was. Het huis was ruim, schoon en gerieflijk,
en de mensen waren erg voorkomend. Veel vrouwen en kinderen hadden nog
nooit een blanke gezien en betwijfelden of ik overal dezelfde kleur had
als in mijn gezicht. Ze smeekten me om mijn armen en lichaam te
ontbloten en waren zo aardig en vrolijk dat ik me verplicht voelde om ze
enigszins tegemoet te komen, zodat ik mijn broek optrok en mijn been
liet zien, waarna ze dit lichaamsdeel belangstellend onderzochten.
Over de doerian:
- Het vruchtvlees is het eetbare deel, en de consistentie en smaak
zijn onbeschrijflijk. Machtige boterachtige custardvla, op smaak
gebracht met amandelen, is nog de beste beschrijving, maar dan
bijgemengd met wat vleugjes van smaken die doen denken aan roomkaas,
uiensoep, brown sherry en andere onverenigbare zaken.
Over bamboe:
- Bamboe groeit in bijna alle tropische landen, en overal waar het
algemeen is maken de inlanders er op de meest uiteenlopende manieren
nuttig gebruik van. Bamboe is sterk, licht, glad, recht, rond en hol,
men kan het makkelijk en netjes splijten, het groeit in alle mogelijke
lengtes, het laat zich probleemloos kappen en men kan er makkelijk
gaatjes in boren, het is uitwendig keihard, heeft geen uitgesproken
smaak of geur, komt overvloedig voor en groeit en vermeerdert zich snel.
Stuk voor stuk eigenschappen die het geschikt maken voor talloze
toepassingen, waarvoor andere materialen veel meer werk en
toebereidselen zouden vergen.
- De inlanders leven (in elk geval tijdens de natte moesson)
uitsluitend van rijst, zoals de arme Ieren van aardappelen. Een groot
deel van het jaar eten ze tweemaal per dag een pan kurkdroog gekookte
rijst met zout en rode pepers en verder niets.
Over de prauw:
- In de loop van die vier sombere dagen had ik het heel prettig in
dit knusse hokje - prettiger dan het geval zou zijn geweest als ik
dezelfde tijdsduur opgesloten zou hebben gezeten in de protserige en
ongezellige eetzaal van een eersteklas stoomboot. Want wat rook alles
fris aan boord - geen verf, geen teer, geen nieuw touw, geen vet (voor
wie er gevoelig voor is, de afschuwelijkste geur van allemaal), olie of
vernis, maar in plaats daarvan bamboe en rotan, kokostouw en
dakbedekking van palmbladeren, louter zuiver plantaardige vezels, die
aangenaam ruiken, als ze al ruiken, en rustige tafereeltjes in het
groene en schaduwrijke bos voor de geest roepen.
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.