Lieve Joris: Terug naar Neerpelt (België, 2018): 255 blz: Uitgeverij Augustus
Nicole, Aline, Fonny, Rik, Lieve, Wies, Hildeke, Filip en Polly. Lieve Joris is
de middelste uit een groot gezin met 9 kinderen. "Terug naar Neerpelt"
is het eerste boek dat Lieve Joris publiceerde over haar eigen familie.
Het is een combinatie van memoires over haar eigen leven en een
biografie van haar oudste broer Fonny, die een problematisch leven
leidde als gevolg van een combinatie van psychiatrische problemen en
drugsgebruik.
Lieve
Joris is natuurlijk vooral bekend door haar prachtige reisverhalen over
Congo, Mali, Hongarije en Syrië. Ik denk dat er meer boeken als "Terug
naar Neerpelt" geschreven zijn het Nederlands. Misschien is het boek
iets minder uniek dan de reisverhalen van Lieve Joris, maar het is een
prachtige aanvulling op haar overige werk en een absoluut genot om te
lezen.
Citaten:
- Wanneer ik die middag naar boven ren om verslag uit te brengen van het zoveelste telefoongesprek, zegt Marek: "Als ik jou was zou ik alles opschrijven."
"Wat dan?"
"Wat ze zeggen. Straks ben je het allemaal vergeten."
Ik ben verbaasd. Doorgaans is Marek niet zo gesteld op mijn familieperikelen en al helemaal niet op de blinde obsessie waarmee ik me erop stort. "Waarom zou ik het willen onthouden?"
"Je weet nooit waar het goed voor is. Doe maar - anders heb je later spijt."
Na enige aarzeling open ik op mijn computer een document dat ik "Fonny" noem en begin ik notities te maken. Niet alleen over wat er die dagen gebeurt, maar gaandeweg ook over dingen die vroeger zijn voorgevallen.
- Fonny was in Neerpelt eens alleen
thuis toen een collega van mijn vader aanbelde. Fonny ontving hem in het
salon, bood hem iets te drinken aan en maakte een praatje. De collega
was op de hoogte van de problemen die mijn vader met een van zijn zonen
had. Nadat mijn vader gearriveerd was en Fonny zich had teruggetrokken,
zei hij: "Gij hebt er wel ne slechte tussen zitten, maar die ik just heb
gezien, dat is toch ne goeie." De anekdote zong jarenlang rond in de
familie en werd, bij gebrek aan beter nieuw, een wapenfeit.
-
Op een middag botste mama in de Stock Américain tegen papa op, die na
zijn werk ook wat ontspanning was komen zoeken tussen het
Bavariaporselein. Ze stopten op de terugweg bij een antiekzaak. In de
etalage stond een grote Chinese vaas. "Kijk daar eens," zei mama,
"precies dezelfde als de onze." Dat had ze goed gezien. Bij hun
thuiskomst bleek één van de twee Chinese vazen op de vensterbank in het
salon verdwenen te zijn.
-
Twee maanden geleden dachten we dat hij dood zou gaan, maar daar is
hij, onze Fonny. Enigszins gehavend, dat wel, met een flink gat in zijn
kop, metalen pinnen in zijn rechterbovenarm en zijn verbrijzelde
linkerpink in het verband, maar zoals hij die zondagmiddag tegen de bar
van De Spaanse Club leunt in zijn zomerse beige broek, sportschoenen en
veelkleurig hemd, het kruisje dat hij van Annie cadeau kreeg om zijn
nek, is hij er weer helemaal.
Over Lieves vader:
- Als hij voor diezelfde staat werkt en middels examens is opgeklommen van klerk tot opsteller, verificateur, controleur en ten slotte tot ontvanger van de belastingen trekt hij zich het lot van onvermogende betalers zodanig aan en tracht hij zo vaak uitstel van betaling voor hen te krijgen dat een collega opmerkt: "Die man deugt niet voor de belastingen - daar is hij veel te goed voor."
- "Toen ik laatst een telefoongesprek met papa afbrak omdat ik naar een verjaardagsfeestje in mijn schoonfamilie moest, schold hij me uit voor feestvierder," klaagt Wies.
"Dat komt omdat wij geen feestvierders zijn, maar miserievierders," valt Aline haar bij.
"Miserievierders," dat is een mooi woord, dat ga ik noteren. Al doende mis ik wat Wies te berde brengt en vraag: "Wat zeg je?"
"Miserievierders!" roept Aline.
-
Ik leg mijn hand op zijn roze arm. "Filip maakt zich zorgen, papa, net
als wij allemaal. Dat is toch normaal, wij houden van jullie ..."
"Nee,
nee, er is hier geen liefde, dat is juist het probleem. Laatst zei ik
tegen Wies: Jij zou eens een ritje met Fonny moeten maken, dat zou hem
goeddoen. Weet je wat ze antwoordde, de brutalerik? "Als je mij een
pistool geeft en vraagt hem dood te schieten, dan zeg ik ja, maar een
ritje maken - geen sprake van." En dat noem jij liefde."
-
Hier woont Jeanne, de naaister, daar is het winkeltje van Anneke, waar
de snoep in dozen zonder deksel ligt uitgestald. Jaren later, als ik
boodschappen doe voor bomma, zal ik eens drie gekleurde hosties met
zoetzuur poeder, die zo heerlijk wegsmelten op je tong, in mijn tas
laten glijden en daar een kropsla overheen leggen. Wanneer ik de sla wil
afrekenen, steekt Anneke haar hand uit. "Laat eens kijken wat ge daar
nog hebt?"
"Niks,
eh ..." Over de toonbank heen reik ik haar mijn tas aan. Anneke haalt
de hosties er een voor een uit, zegt ten overstaan van iedereen: "Foei,
foei, dat had ik niet van u gedacht" en roept me na: "Dat ga ik tegen uw
bomma zeggen." Maar ze doet dat niet, zodat het geheim tussen ons in
blijft hangen.
- Die zomervakantie zit Fonny in Neerpelt met een groepje buurjongens op zijn uitkijkpost bij de groene poort als een vrachtwagen volgeladen met bier en limonade pal voor hun neus een te korte bocht neemt en in de greppel terechtkomt. In een mum van tijd heeft een achttal jongens zich om de vrachtauto verzameld. Onder toezicht van de chauffeur laden ze de kratten drank af. Daar moet iets voor hen in zitten, zo'n buitenkansje kunnen ze niet laten passeren. Met enkele gebaren maakt Fonny hun duidelijk wat te doen.
"Kijk daar eens," roept hij tegen de chauffeur.
Verstoord kijkt die op. "Waar?"
"Daar!" Fonny wijst in de richting van het kanaal. "Ziet ge 't niet? Nen olifant!"
"Maar waar dan?"
"Daar, bij 't kapelleke."
"Ik zie niks."
"Ja, nu is het te laat - hij is net de hoek om." De twee kratten bier die in de tussentijd in het bosschage achter de poort zijn beland, drinken ze op zodra de vrachtwagen vertrokken is.
-
Tegen de tijd dat de politie mijn vader terugbrengt, is Fonny langs het
kanaal naar huis gewandeld en zit hij boven, op zijn kamer. Aline is
net zestien geworden, hij wilde bij zijn nieuwe baas in Lommel een
armband voor haar kopen, zegt hij. En zo gaat dit verhaal de
geschiedenis in: niet als een ongeluk waarbij Fonny op zijn veertiende
zijn vaders auto perte totale reed en een Hollander maandenlang
rugklachten bezorgde, maar als het accident dat hij veroorzaakte toen
hij op weg was naar Lommel om van zijn eerste loon een cadeau voor
Alines verjaardag te kopen.
- "Waarom bellen mensen Teleonthaal eigenlijk?" zegt Fonny nadat hij haar heeft geïnformeerd over zijn drankprobleem.
"Hoezo?" vraagt de vrijwilligster geduldig.
"Wel ... ik heb hier geen echte voldoening van. Ik zeg u wat er met mij aan de hand is, dus ik geef u iets, maar ik krijg er niets voor terug, want het blijft anoniem."
De mevrouw weifelt, dan antwoordt ze: "Maar wat verwacht u dan? Is dat niet te veel?"
- "Zij daar," roept Fonny, wijzend op mij, "zij doet alsof ze een heilige is, maar ik ken haar heel goed, zij heeft geen scrupules. Op haar achttiende had ze een verhouding met een getrouwde vent met drie kinderen. Drie kinderen! Ze reist de hele wereld af en wat denkt ge dat die Pool van haar doet als ze weg is? En wat denkt ge dat zij doet?" Hij is nog niet klaar. "Gij!" schampert hij tegen mij. "Gij voelt u zeker interessant als mijn bekende zuster. Want gij zijt toch bekend, niet? Gij verwacht zeker dat ik tijdens de therapie in Munsterbilzen ga zeggen dat ik dankzij u tot inkeer ben gekomen."
Geschrokken en beschaamd laat ik zijn gescheld over me heen komen. Ik mag dan door de binnenlanden van Congo hebben gereisd en als vrouw alleen door de Golflanden hebben getrokken, tegen Fonny's gemeenheid kan ik niet op. Hij is nog steeds in staat me te kwetsen.
- ... Fonny laat met groot gemak een diepvrieskip in een binnenzak van zijn parka glijden, een fles wijn in de andere. "O, ik ben nog iets vergeten," fluistert hij bij de kassa, loopt naar het rayon met sigaretten en schuift een slof Belga-filters achter in zijn jeans.
Ik ben minder bedreven dan Fonny, al is een zekere steelvaardigheid mij niet vreemd. Als ik in mijn kostschooltijd boodschappen deed voor bomma, verstopte ik kaas en vleeswaren in de dubbele bodem van de tas, maar verrekende die wel met haar, zodat ik thuis op maandagochtend niet hoefde te bekvechten over mijn vaders ondeelbare briefje van duizend frank.
- Van je familie moet je je bevrijden, zegt Sus. Ouders proberen je klein te houden en je te modelleren naar hun kleinburgerlijke idealen. Als ze je niet willen laten gaan, kan je maar best radicaal met ze breken. Tegelijkertijd wil hij een kind van me. Ik denk aan de drie blonde wezentjes in dat andere huis, die soms ook bij ons zijn. Het gemak waarmee Sus afstand van ze neemt. En het mijne zou nummer vier zijn? Nee, dat lijkt me geen goed idee.
- Ik heb een studiebeurs, maar krijg geen geld meer van mijn ouders sinds ze weten dat ik bij Sus ben en dus ga ik aardbeien plukken. Dagenlang zit ik op mijn hurken in de kassen tot ik, net als vroeger, 's nachts in bed nog aan het plukken ben. Eindelijk kan ik een nieuwe Levi's-jeans kopen. "O, mag ik die eens passen?" vraagt Fonny als hij langskomt. En dan: "Kan ik ze even lenen?" Ik protesteer, waarop hij een scène maakt, roept dat ik een egoïst ben, altijd geweest, en ervandoor gaat met mijn broek. Die krijg ik nooit meer terug.
-
"Weet je wat jij moet doen in plaats van de muizenissen in je hoofd te
beschrijven?" suggereert mijn begeleider als hij me ziet lijden. "De
straat op gaan en luisteren naar wat andere mensen te zeggen hebben."
Ik zal zijn raad opvolgen.
-
Er is weinig overgebleven van de knappe man die Fonny ooit was. Een
tijdlang heeft hij zijn haar gepermanent om zijn beginnende kaalheid te
verbergen, inmiddels draagt hij het heel kort. Eén keer maakt iemand nog
een interessante foto van hem. Als je alleen naar de linkerhelft van
zijn gezicht kijkt - de zelfverzekerde blik, de welgevormde lippen, de
stevige wenkbrauw - is de aantrekkelijke man van vroeger er weer. Aan
zijn rechterkant - het gat in zijn hoofd, de ingeklapte kaak, het
opengesperde oog - is hij het type geblutste junk waar ik in Amsterdam
schichtig aan voorbijloop. "Dit heb ik niet gewild," schrijft hij in
zijn dagboek, "en toch is bijna alles gebeurd waar ik bang voor was."