dinsdag 29 oktober 2024

Lieve Joris: Terug naar Kongo

Lieve Joris: Terug naar Kongo (België, 1987): 247 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
Zoals in katholieke gezinnen in Nederland vaak wel iemand missionaris in Nederlands-Indië werd, zo gingen in Vlaanderen veel mannen naar Kongo. Ook Lieve Joris had zo'n heeroom in de familie en zij was zeer benieuwd hoe het leven van die heeroom er uit had gezien. Zij besluit om in haar eentje de zeer avontuurlijke tocht naar en door Kongo te maken. Lieve Joris komt op plaatsen waar nog paters zitten die de heeroom gekend hebben, maar ze verkent ook de hoofdstad Kinshasa, ze maakt een lange boottocht over de rivier de Kongo naar Kisangani, ze verkent Katanga, de streek waar veel erts gedolven wordt en op het einde van haar reis komt ze in de problemen. "Terug naar Kongo" is een prachtig boek, dat zich moeiteloos kan meten met de boeken van haar literaire voorbeelden Ryszard Kapuściński en V.S. Naipaul.
 
Citaten:
- In die jaren had ieder Vlaams gezin wel een heeroom in de missie. Het moederleed om zijn afwezigheid werd ruimschoots vergoed door de nieuwe wereld waarin de familie terechtkwam: missionarissen met verlof brachten verhalen over zoonlief in de brousse en tafelden mee op zondag, zodat dieprode wijnvlekken achterbleven op het damasten tafellaken en het hele huis doortrokken was van sigarewalm.

- Ik ben heeroom achternagereisd. Ook ik voel me die kille septemberochtend aan de reling van de Fabiolaville onwennig. Heeroom indachtig heb ik de reis door de paters laten regelen. Ik moest niet aan iedereen vertellen dat ik journalist was, vonden ze, ik kon beter zeggen dat ik een "werkske voor de familie" aan het maken was.

- ... het seminarie - het "priesterfabriekske" -

- Hun verhalen voeren me terug naar het Kongo van heeroom. Ze duwen de beelden van het onafhankelijke Zaïre, het land van Lumumba en Mobutu dat ik later leerde kennen, naar de achtergrond. Wil ik door de brousse trekken? Dan zal ik te maken krijgen met zandvlooien. Die kruipen onder je teennagels en leggen daar eitjes. Nooit proberen ze er zelf uit te halen, dat gaat maar zweren. Altijd een Zaïrese boy roepen, die peutert ze er met een stukje hout uit. Er zijn beestjes die in je bloed kruipen, beweert Raskin, jaren later, als je Zaïre allang weer vergeten bent, begint het ineens overal te jeuken.

- Zelf heb ik kralen van ebbehout gekocht. Aan boord gaan ze van hand tot hand en er worden veelbetekenende blikken gewisseld. Als bij de eerstvolgende tropische regenbui de zwarte verf van de kralen in mijn nek druipt, moet iedereen hartelijk lachen. Door de eerste de beste Afrikaan laat ik me beetnemen, dat zal nog wat worden op mijn eenzame tocht door de brousse, want de Zaïrezen zijn meesters in list en bedrog en een nieuweling hebben ze meteen in de gaten.

- De mist is nog niet opgetrokken als we de opening van de Kongostroom binnenvaren. In de jaren zeventig besloot Mobutu de naam die de Portugezen vroeger aan de stroom gaven, in ere te herstellen. Sindsdien heten de stroom, het land en de munt "Zaïre". De drie Z'en, zoals Mobutu zei. Meneer Dewaele noemt ze De drie Zotten.
 
- Pater Bronek en ik krijgen aangrenzende kamers met uitzicht op de Zaïrestroom. Ondanks het tropische decor voert de kamer mij in één klap terug naar mijn kostschooljaren. Twee kuise bedjes, een stenen vloer, een kruisbeeld aan de muur, een handdoek en een stuk zeep op de wasbak.
 
- Jarenlang was De Neef net als heeroom broussard. Te voet trok hij vanuit de missiepost de brousse in, vergezeld door vijf dragers. De eerste droeg de "kapel", een koffer met misgewaden, missaal, miswijn en doopboeken, de tweede de potten en pannen, de derde het veldbed, de vierde het eten, de vijfde medicijnen tegen malaria, slaapziekte, wormen en diarree. "Want de buik van ne zwarte, dat is nen dierentuin," zegt De Neef.

- Honoré kan van zijn salaris niet rondkomen. Hij probeert vriendschap te sluiten met zeelui die spullen uit Europa meebrengen. Laatst heeft hij een ijskast weten te bemachtigen. Hij is de enige in de buurt die er een heeft, zodat iedereen koud bier en ijs bij hem komt kopen. "Nous vivons par miracle," zegt hij, "we trekken allemaal onze plan. Article quinze noemen we dat."

- "Die protestanten, dat waren Zweden, echte droogstoppels, diepvriezers," zegt De Munck, "daar kreeg ge een taske thee in plaats van een glas bier als ge op bezoek ging. Daarom heeft dat nooit gepakt bij de mensen in deze streek."

- "De paters zeiden altijd dat de poort van de hemel wijdopen stond voor de armen," zegt hij verongelijkt, "dat een rijke evenveel moeite had om in de hemel te komen als een ezel om door het oog van een naald te kruipen. Maar zijzelf waren rijk, zij waren de enigen in het dorp die auto's hadden."

- We kopen bananen en palmwijn die uit een kalebas in plastic bekers wordt gegoten. Het heeft de kleur van verdunde melk en ruikt zurig, maar iedereen staat te kijken als ik de beker aan mijn mond zet, zodat ik het als een medicijn in één teug naar binnen giet. Waarop alle omstaanders in hun handen klappen.

- Voor sommige kinderen moet ik de eerste blanke zijn die ze in hun leven zien, want ze rennen krijsend weg als ik voorbijkom. Ik zie een knalgeel T-shirt met de tekst Dierenpark Wassenaar. Hoe is dat hier terechtgekomen? Eén jongetje heeft een broekje aan dat voornamelijk uit gaten bestaat, zijn billen en piemel zijn bloot. Die hele armoedige bende loopt met ons mee, ze proberen me aan te raken, roepen me dingen toe. Ik begin me onbehaaglijk te voelen onder al die aandacht. Hoe kan ik naar hen kijken als ik zelf almaar bekeken word?
 
- Zo weinig niet-Zaïrezen verplaatsen zich op die manier, dat blanken soms automatisch stoppen als ze me zien staan. Aanvankelijk aarzel ik om in te stappen - het is jaren geleden dat ik gelift heb - maar er zijn niet zoveel taxi's, zodat ik gaandeweg dankbaar van die lifts gebruikmaak. Al voel ik me vaak een verrader tegenover de Zaïrezen die in de verzengende hitte moeten blijven staan.

- De deuren van taxi's zijn meestal stuk. Met behulp van een touw moeten ze opengetrokken worden en de chauffeur is de enige die ze weer dicht krijgt. Van sommige taxi's kunnen de ramen niet meer dicht, bij andere niet meer open. Soms kan ik door de gaten in het onderstel de weg zien. Toch heerst er binnen altijd een opgewekte sfeer.

- "En toch zitten de universiteiten vol," zegt hij, "want de Belgen hebben hier een ideaalbeeld achtergelaten van een man in een pak en een das die niet met zijn handen werkt, dus veel Zaïrezen dromen ervan om ambtenaar te worden."

- Het loopt tegen tweeën als we in de discotheek Mayaza belanden. Het begint er net druk te worden. Mario schalt vertrouwd uit de boxen. Hier komen veel ambtenaren met hun deuxième bureau, zoals minnaressen genoemd worden. Hoe rijker een man, hoe meer bureaux hij heeft. Met hun eigen vrouw gaan de meeste Zaïrezen niet uit. Een respectabele vrouw moet thuisblijven.

- Aan tafel verklaar ik dat ik die krokodil wel wil proeven. Papa Bondo lacht. "Weet je het zeker?" Onder algemene hilariteit wordt een stukje op mijn bord geschept. Het is zacht en smaakt naar kalfsvlees. De volgende dag komt mama Bondo, een en al geheimzinnigheid, terug van haar tocht door de brousse. "Ik heb iets voor je meegebracht. Je zei toch dat je alles wilde proeven?" Die middag ga ik voorgoed de annalen van de familie in als ik besluit om ook aap te eten. Naast me krijgt mama Bondo de handjes op een apart bord geserveerd. Het zijn net mensenhandjes en ik kan niet nalaten verstolen te kijken terwijl ze ze opeet. Gelukkig blijft de aanblik van het apehoofd - volgens Dubois een delicatesse in deze streek - me bespaard.

- Ik ben uitgerust voor een tocht vol ontberingen. Flessen water, soldatenkoeken, conserven, een tropenpakket vol pillen, zalfjes en poeders tegen ziektes en ongedierte. Want ik ben een gewaarschuwd reiziger. Terwijl we dwars door de evenaar naar het hart van Afrika varen, zullen platluizen in mijn lakens kruipen en zwarte zwermen muggen zich op me storten, is me voorspeld.

- Kadima vertelt dat er op deze weg tijdens het regenseizoen ooit drie diepe kuilen waren. De chauffeurs moesten maanden wachten voor ze verder konden rijden. Ze bouwden hutten, leefden met de dorpelingen en bedachten zelfs namen voor de kuilen. De kleinste noemden ze Tshombe, de middelgrote Kasavubu, de grootste Mobutu.

- Ineens moet ik denken aan een gesprek dat we op een middag in de auto hadden. "Ik wil je iets vragen," zei hij, "maar je moet me beloven dat je eerlijk zal antwoorden," Ik beloofde het hem.
 "Ben jij wel gelukkig?"
 "Waarom vraag je me zoiets?"
 "Je hebt me gezegd dat je eerlijk zou antwoorden."
 Hij kon zich moeilijk voorstellen dat ik gelukkig was, zei hij, want waarom doolde ik anders zo alleen over de wereld? Waarom lieten mijn ouders me zomaar gaan? Had ik niemand die voor me zorgde? Het was het enige moment tijdens onze reis dat ik dacht dat hij eigenlijk niets van mij begrepen had, dat ik éven voelde hoe verschillend wij waren, maar ik was er gedachteloos overheen gestapt.

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten