S. Carmiggelt (tekst) & Dick Matena (tekeningen): Kronkels (Nederland, 2019): 181 blz: Uitgeverij de Arbeiderspers
In
Nederland bestaat de dwaze gewoonte om schrijvers van, vaak uiterst
middelmatige, romans hoger aan te slaan dan schrijvers van goede of zelfs
zeer goede (korte) verhalen, essays, reisverhalen, graphic novels of
strips, biografieën of autobiografisch werk.
Simon
Carmiggelt schreef ZKV's lang voordat die term bedacht werd. In zijn
tijd werden de kronkels van Simon Carmiggelt zeer veel gelezen en hoog
gewaardeerd. Hij schreef bijna 40 jaar lang zes keer per week een stukje
in het Parool. Tegenwoordig is het werk van Simon Carmiggelt ten
onrechte (volgens mij) bijna vergeten.
De
stukjes van Carmiggelt lezen altijd prettig weg, hebben een lichte toon
en zijn vaak humoristisch. Ze spelen zich meestal af in Amsterdam, vaak in of nabij een kroeg. Het tekenwerk van Dick Matena is voortreffelijk, hij laat in dit boek zien wat hij in huis heeft. Prettig is daarbij dat er niet zo'n grote lappen tekst in het boek staan zoals bij sommige andere verstrippingen van Matena wel het geval is.
Deze hernieuwde kennismaking met het werk
van Carmiggelt samen met de tekeningen van Dick Matena is mij uitstekend
bevallen.
Zoals gebruikelijk een aantal citaten:
-
Lopend in een oude, kruidig naar het riool ruikende straat nabij het
Centraal Station, sloeg ik een hoek om en kwam in een zeer smalle sleuf,
waar huis aan huis het oudste beroep van de wereld werd uitgeoefend. De
meisjes zaten achter de ramen in opzienbarende houdingen, waarvan
blijkbaar werfkracht uitging. Maar om drempelvrees te overwinnen, stond
er ook zo hier en daar een aan de deur en zei: "Dag schat." Tegen beter
weten in voelde ik mij begeerd. - Hij liep veerkrachtig en droeg een hoogst zwangere aktetas, die het handelsmerk van bedrijvige politici is.
- Er stond ook een zeeman, een losse jongen, al de hele dag op pad. Daarom was hij wat praterig tegen de kastelein, die maar van ja knikte, om er af te wezen. De bazin zat zeer vleselijk ter zijde - een onontkoombaar Waterloo voor mannelijke levenslust.
-
Op de Dam stond een nerveuze juffrouw, die van mij wilde weten hoe ze
het best naar de Peperstraat kon lopen. De vraag overviel me. Ik bleef
stilstaan. Amsterdam smeet mij al zijn grachten, sleuven en trapgevels
in het gezicht en ik sprak aarzelend ...
-
Hij was een gewichtheffer in verval, vijf dagen geleden met een zeer
bot mesje geschoren, en hij had de oogopslag van iemand die in zijn
onfortuinlijk leven onophoudelijk door ambtenaren van het kastje naar de
muur werd gestuurd, zonder dat het hielp.
- Ik geloof dat "gezellig" het meest misbruikte woord van de Nederlandse taalschat is. In de huiskamer, waar je de spanning met een bot mes snijden kon, zat Henk verdraaid kalm, zeer gekwetst en niet de minste te wezen.
- De vakantie is ten einde en gretig stort ik mij weer in mijn opwindende arbeid. "Zo," zegt mijn chef. "Jij moest maar eens naar het zus-en-zo-hofje gaan. Want daar woont een mannetje dat volgende week honderd jaar schijnt te worden." Een lieve opdracht! Bij het schrijven over zo iemand, doopt de journalist zijn pen niet in de inkt, doch in een zoetgeurend mengsel van beleefdheid en verflenste poëzie.
-
Vanmorgen werd er gebeld. Ik deed open. Op de stoep stonden twee
jongetjes, kennelijk bezig met het nimmer uitstervende spel "belletje
trekken". Streng vroeg ik aan de grootste van de twee: "Deed jij dat?"
Hij antwoordde: "Nee, meneer." En op zijn veel kleinere broertje wijzend
zei hij: "Hij." "Onmogelijk," repliceerde ik. Hij kan niet eens bij de
bel. Waarop de grootste zei: "Ja." Want ik heb hem opgetild.
-
De eerste klas van een lagere school leert kerstliederen. De juffrouw
doceert: "De herdertjes lagen bij nacht in het veld ... zij hielden
getrouwe de wachte, zij hadden hun schaapjes geteld ..." Waarop een
exact jongetje op de tweede bank vraagt: "En ... Hoeveel waren 't er
eigenlijk?"
