-
Bij Mobutu's zoon Kongolo - beter bekend als Saddam Hussein - werden
stapels voetbaltickets gevonden, die hij vóór elke wedstrijd
confisqueerde en doorverkocht. "Die kleine Saddam oefende hier een ware
terreur uit, het was een echte maffioso. Hij stal een hele rits
Mercedessen van het laatste model bij een dealer en reed er met zijn
gevolg mee over de boulevard, op klaarlichte dag, met alle lichten aan.
Wanneer hij een meisje zag dat hem beviel, liet hij haar oppikken door
zijn bodyguards. Mobutu wist dat zijn zoon zo was, het kwam hem goed
uit, op die manier kon hij zijn volk terroriseren."
- "Die baas
van jou is behoorlijk over zijn toeren," zeg ik later tegen Christian.
"Hij had teveel macht," zegt Christian, "hij weet niet waar hij het
zoeken moet nu hij die kwijt is. Iedereen die veel met de president
omging, gedroeg zich thuis op den duur als een kleine Mobutu."
-
"Gaat het?" Christian staat voor me met een grijns op het gezicht.
"Hebben we je niet te erg gepest?" Ik haal mijn schouders op. Hij leunt
met zijn rug tegen de muur en kijkt me tersluiks aan. "Ik maak me zorgen
over je," zegt hij. "Oh ja?"
Hij heeft op iets zitten broeden,
geloof ik, maar weet niet goed hoe erover te beginnen. "Ik zou je iets
willen vragen," zegt hij na een tijdje, "maar ik ben bang dat je me
indiscreet zal vinden." "Voor de draad ermee," moedig ik hem aan,
volgende week ben ik weg en zie je me nooit meer, wat maakt het uit?
"De
manier waarop jij over zwarten praat, het lijkt wel alsof je niet zou
aarzelen om ... intiem contact met hen te hebben." Ik schiet in de lach.
-
"Waarom denk je dat deze mensen zwart zijn?" vraagt Bove knorrig. "God
heeft hen te lang in de oven laten zitten. Ze zijn verbrand."
- Ik
overwin mijn weerzin en neem een bad, volgens de beproefde methode: ik
steek mijn grote teen als stop in de afvoer en wind een handdoek om de
kapotte kraan, tegen het spetteren. Terwijl het bad volloopt, kijk ik
naar de kakkerlakken die in het licht van mijn zaklamp aan mijn slippers
snuffelen.
- "Plunderaars zijn net kinderen," zegt hij, "ze gaan
recht op hun doel af en stelen alles, zonder na te denken. Ze doen
alsof het einde der tijden is aangebroken, maar na afloop zitten ze
daar, verdoofd, zonder afzetmarkt, met een grasmaaier van de zusters
terwijl ze geen gazon hebben, met een wasmachine terwijl ze geen
elektriciteit hebben, met een tafel terwijl ze in een hut wonen, met
Vlaamse boeken terwijl ze geen Vlaams praten!"
- Mobutu wist
precies wat hij met schreeuwers aan moest: hij gaf hun een ministerspost
en schakelde hen daarmee in één klap uit. Zo'n minister werd doorgaans
na een halfjaar weer vervangen, niet lang genoeg om zijn dossiers te
bestuderen, maar wel om zijn zakken te vullen.
- De minister van
Landbouw kondigt trots aan tweeduizend tractoren te hebben besteld.
Zomaar, pardoes, zonder enig vooronderzoek. Tweeduizend tractoren om de
noodlijdende Congolese landbouw uit het slop te halen! Ik zie de
roestende wrakken in de brousse alweer voor me.
- Tijdens mijn
eerste reis riepen Zaïrezen vaak: "U had hier in 1960 moeten zijn, toen
was dit een prachtig land, toen werkte alles nog!" Nu zeggen ze: "Oh,
was u hier in '85 en '86, dat waren goede jaren, toen liep alles nog op
rolletjes!" Wat zullen ze over tien jaar zeggen? Denken de nieuwkomers
wel eens aan de mogelijkheid dat alles slechter zou kunnen gaan, dat hun
roestige jaren-zestig ideeën het land misschien nog verder zullen doen
wegzinken?
- Niet de politici, maar de zangers praten in dit land
tot hun volk en rijgen de steden die door slechte verbindingen uit
elkaar zijn gedreven, met hun muziek aan elkaar.
- Meneer Nassim
kijkt mistroostig naar buiten. Het regent - dat betekent dat niemand die
ochtend op zijn werk zal verschijnen. "Hebben ze geen regenjassen dan?"
"Die hebben ze nergens voor nodig," bromt hij, "als het regent, gaan ze
simpelweg niet naar buiten. Ze wachten tot het ophoudt."
- "Mutu
na mutu abongisa," citeert José Mobutu als we weer op weg zijn. Laat
iedereen zijn zaakjes regelen. De Zaïrezen interpreteerden dit volgens
hem op geheel eigen wijze: laat iedereen stelen - de ambtenaar op zijn
ministerie, de arbeider in zijn fabriek, de verkeersagent op straat. En
vermoedelijk had Mobutu het ook zo bedoeld.
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.