Posts tonen met het label Afrika. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Afrika. Alle posts tonen

donderdag 11 juni 2026

Jean Philipse: Into the Heart of Africa

Jean Philipse: Into the Heart of Africa (Nederland, 2017): 408 blz: Uitgeverij Travelmania
 
"Into the Heart of Africa" is een prachtig boek met vooral foto's  van mensen in verschillende Afrikaanse landen. Jean Philipse is in de volgende landen geweest: Madagaskar, Benin, Ethiopië, Namibië, Kaapverdië, Tanzania, Malawi en Zimbabwe. Het grootste aantal foto's in dit boek komen uit Madagaskar en Ethiopië, met name de Omo-vallei.
 
"Into the Heart of Africa", is het bewijs dat je niet een heel bijzondere fotograaf hoeft te zijn om prachtige foto's en een prachtig boek te maken. Als je iets moois ziet en je weet dat kundig te fotograferen, dan kan dat prachtige foto's opleveren. De portretten in dit boek zijn alle kleurrijk en er zitten een flink aantal erg mooie foto's tussen. De teksten in het boek lezen ook lekker weg. Ze zijn kort en informatief. "Into the Heart of Africa" is een prachtig boek!
 
Voor een aantal foto's uit "Into the Heart of Africa", klik hier.
 
      
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

dinsdag 11 november 2025

Daniel Fauchon: Regards d'Afrique

Daniel Fauchon: Regards d'Afrique (Frankrijk, 1992): 136 blz: Uitgeverij Jean-Pierre de Monza
 
De Franse fotograaf Daniel Fauchon (1943) heeft voor zijn fotoboek "Regards d'Afrique", drie stammen in het Noorden van Kenia gefotografeerd, te weten: de Samburu, de Turkana en de Rendille. Het resultaat is een fotoboek op groot formaat met 31 tekstbladzijden in het Frans die ik niet heb gelezen en ongeveer 80 bladzijden met kleurenfoto's.
 
Voor het maken van de foto's heeft Daniel Fauchon een groot doek meegebracht, dat hij zo opstelt dat geportretteerden er voor kunnen zitten of staan. Alle foto's zijn geposeerd, waarbij de modellen vaak de kleur rood dragen, maken een beetje een stijve indruk, maar zien er prachtig uit. Daniel Fauchon is met dit boek duidelijk een voorloper van de boeken van Jimmy Nelson.
 
      
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

zaterdag 28 juni 2025

Dvd: Bonjour Congo

Bonjour Congo (België, 2010): 7 uur: Kleur en zwart-wit: Gepresenteerd door Rudi Vranckx
 
Bonjour Congo 
 
"Bonjour Congo" is een geweldige documentaire van de BRT waarin verslag wordt gedaan van een reis van een half jaar die presentator Rudi Vranckx heeft gemaakt door een groot deel van Congo. 
 
Het land Congo en zijn bewoners hebben de Belgen geïnspireerd tot enkele van hun meest geslaagde projecten. David van Reijbroeck heeft een prachtig geschiedenisboek over Congo geschreven, Lieve Joris heeft met "Dans van de luipaard" het mooiste Nederlandstalige reisverhaal geschreven dat ik ken, Carl de Keyser heeft met zijn fotoboek over Congo één van de mooiste fotoboeken gemaakt die ik ken en "Bonjour Congo" is één van de mooiste reisdocumentaires die ik ken.

"Bonjour Congo" geeft een fascinerend en veelzijdig beeld van het land. Rudi Vranckx gaat werkelijk overal kijken. Hij bezoekt nonnen, stakende spoorwegarbeiders, de mijnen in Katanga, vissers op het uitgestrekte meer van Tanzania, gorilla's in het Virunga Nationaal Park, een nieuwe Messias in een afgelegen provincie en natuurlijk de hoofdstad Kinshasa. 
 
Ik vind "Bonjour Congo" één van de allermooiste reisdocumentaires die ik ken, die op gelijke hoogte staat met de bekende VPRO-documentaires.
 
Op IMDB is geen informatie te vinden over "Bonjour Congo".
 
      
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

donderdag 19 juni 2025

Mario Marino: Children of the World

Mario Marino: Children of the World (Oostenrijk, 2022): 256 blz: Uitgeverij teNeues
 
 
 
De Oostenrijkse fotograaf Mario Marino heeft al veel fotoboeken gepubliceerd en staat vooral bekend als portretfotograaf. Voor zijn boek "Children of the World" heeft hij foto's uitgezocht uit zijn archief van kinderen in zwart-wit. Hij is op veel plekken geweest. Ik heb foto's gezien, gemaakt in: de Verenigde Staten, Cuba, Frankrijk, Mauretanië, Kenia, India, Nepal, Mongolië en vooral heel veel in Cambodja.
 
Veel fotografen doen het fotograferen van kinderen af als niet van belang. Daar ben ik het volstrekt mee oneens. De meeste kinderen zijn nog  erg spontaan en je kunt de meest onverwachte foto's van ze maken. Toen ik nog serieus fotografeerde en reisde, ongeveer van 1988 tot 1994 maakte ik veel foto's van kinderen, vooral in Turkije, Indonesië en Thailand waar overal kinderen te vinden waren op straat.
 
"Children of the World" is een mooi boek met een aantal prachtige foto's van kinderen. Het boek komt zonder meer op mijn lijstje met mijn favoriete fotoboeken. Wat ik wel jammer vind aan het boek, is dat de op zich schaarse bijschriften, zowel in het Duits als in het Engels vermeld staan. TeNeues is een Duitse uitgever en dan zijn bijschriften in het Duits logisch. De teksten zijn ook zo basaal dat iemand die twee jaar Duits gehad heeft op school, ze moeiteloos kan lezen. Los van dit minpuntje vind ik "Children of the World" een erg mooi boek.
 
Voor een paar foto's uit "Children of the World", klik hier.
 
      
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

maandag 20 januari 2025

Dvd: Belgisch Congo

Belgisch Congo (België, 1926-1959): Zwart-wit en kleur: 276 min: 15 filmpjes over Belgisch Congo: Regisseurs: Gérard de Boe, André Cauvin & Ernest Genval
 
"Belgisch Congo" bevat een tekstboekje en een selectie van 15 filmpjes, die worden beschouwd als de meest interessante films die door Belgische filmers over Belgisch Congo zijn gemaakt. Het eerste filmpje uit deze set is uit 1926 en gefilmd in zwart-wit, het laatste filmpje is uit 1959 en in kleur.
 
Met zijn allen geven deze filmpjes een aardig beeld van hoe het leven in Belgisch Congo er in de jaren 50 uitzag. De beeld- en geluidskwaliteit van deze filmpjes is uitstekend. De filmpjes zijn erg de moeite waard voor iedereen die zich in de geschiedenis van Kongo voor de onafhankelijkheid wil verdiepen. 

Op IMDB kan ik geen waarderingscijfers voor deze filmpjes vinden.

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

zaterdag 23 november 2024

Lieve Joris: Op de vleugels van de draak

Lieve Joris: Op de vleugels van de draak: reizen tussen Afrika en China (België, 2013): 318 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
Afrika is een beetje een verloren continent. Terwijl overal in de wereld sprake is van een economische groei, worden de landen in Afrika al sinds de jaren 80 jaar na jaar armer.
 
Lieve Joris heeft veel gereisd door Afrika, met name door de republiek Congo (het voormalige Zaïre). In eerste instantie ging ze op zoek naar het land waar haar oudoom als missionaris heeft gewoond. Geleidelijk ging ze houden van het land en zijn bewoners.
 
In "Op de vleugels van de draak" bekijkt Lieve Joris hoe de relatie is tussen de verschillende Afrikaanse landen en China. Terwijl de westerse landen steeds minder zaken lijken te doen in Afrika springen de Chinezen in het gat in de markt dat is ontstaan. Overal in Afrika zorgen de Chinezen voor de infrastructuur, ze kopen op grote schaal grondstoffen en openen winkeltjes.
 
In het begin van het boek is Lieve Joris in Dubai. Daar ontmoet ze een aantal Afrikanen die hier inkopen doen, winkels hebben en vervolgens ook naar China reizen. Lieve Joris besluit om een Afrikaan naar China te volgen en te kijken hoe de relatie is tussen de Afrikanen en de Chinezen.
 
Zoals in al haar boeken is Lieve Joris zeer betrokken bij de mensen die ze ontmoet. Ze logeert bij mensen thuis, sluit vriendschappen en volgt hen overal. Zodoende ontstaat een genuanceerd beeld. Opnieuw een prachtig boek!
 
Citaten:
- De man van de zaagmachine belt weer. Tijdens Alberts laatste bezoek aan Kisangani gaf die hem een diamant mee om in Dubai te verkopen. Met een deel van de opbrengst kocht Albert een elektrische zaag, de rest van het geld bewaarde hij. De man kondigt aan dat een bevriende commerçant op weg is naar Dubai; Albert mag hem het resterende bedrag geven, zodat die het ter plaatse kan besteden.
 "En hoe krijgt hij zijn geld dan terug?"
 "Dat heeft zijn vriend hem net gegeven. Daarom krijgt die straks cash van mij." Alles werkt in Dubai op deze manier, zegt hij, doorgaans komt er geen bank aan te pas. Hawala - ook Sachin en Vishal maken gebruik van dit informele transactiesysteem. Er gaan miljoenen in om, zal ik leren, waaronder veel zwart geld. De Verenigde Staten zijn er beducht voor, want ook Al Qaida doet betalingen via hawala.
 
- In een lift kwam Albert onlangs een Ugandese vrouw tegen die zijn telefoonnummer vroeg en hem het hare wilde geven. Eerst weigerde hij, maar vervolgens gaf hij het toch. Toen ze hem belde, vroeg hij haar naar de winkel van de Duseja's te komen en sprak haar streng toe. "Het leven dat je leidt is niet goed," zei hij, "ik ben een predikant en ..." "Maar dat is geen probleem," riep ze, "ik heb een heleboel klanten die predikant zijn!"
 
- 's Ochtends neem ik de taxi naar het oude centrum van de stad. De chauffeurs komen veelal uit Bangladesh of Pakistan, hun Engels is net goed genoeg om me naar mijn bestemming te brengen. Nu en dan maken we een praatje. "Hoe is het leven hier?" vraag ik aan een Afghaan die nors door de straten stuurt. "Money good, life no good," zegt hij.
 
- ... "Regent het in België ook?" vraagt Anne. Dubai is haar eerste niet-Afrikaanse bestemming, ik heb al eerder ondervonden dat zij niets over het land van haar vroegere kolonisator weet. Verbouwen wij pinda's en avocado's, wonen dorpelingen bij ons in hutten? Dat zijn de vragen die ze me de afgelopen dagen stelde.

- Op het plein voor de Olifantgalerij zit een dikke man op een krukje te praten, een blikje Heineken in de hand. Al onttrekt een zwart petje zijn gezicht deels aan mijn oog, zijn profiel is me bekend, evenals de gebaren waarmee hij zijn betoog kracht bijzet. In enkele passen ben ik bij hem. "Dédé?"
 Hij kijkt me verbaasd aan. "Hoe kom jij hier." En dan: "Jij volgt me tot op de maan!"
 We zijn elkaar jaren geleden ook al eens tegen het lijf gelopen op een terras in Uganda's hoofdstad Kampala. Zijn broer Guy en hun vrouwen Zaytoun en Rashida zijn er ook en plotseling is het alsof ik in deze stad familie heb. De Lusangi's nog wel, die in Congo behalve een busmaatschappij, restaurants en hotels ook palmolieplantages beheren - die tout-terrain zijn, zoals de Congolezen het noemen.
 
- Guangzhou staat bekend om zijn fixatie op verse gerechten; tijdens een etentje met een Chinese kennis kieperde de ober voor mijn ogen een partij springlevende sardientjes in een kom kokende rijstepap.

- In het zuiden van China draait volgens Abu alles om geld en sinds de toestroom van Afrikanen doen bedrijven hun uiterste best hen te lokken. Op de Huanshi Zhongstraat werden eens flyers uitgedeeld voor een beurs in Shantou, 450 kilometer ten oosten van Guangzhou. De bus ernaartoe, het hotel, het eten - alles was gratis. "De autoriteiten van Shantou waren geschokt door het gebrek aan etiquette van de Afrikanen die op het buitenkansje waren afgekomen: ze gristen de gerechten van het buffet en stopten eten in hun tas. Maar de lokale bevolking was verrukt, die dacht dat een bus vol Amerikaanse basketbalspelers was gearriveerd en stond in de rij om hun handtekening te vragen."

- " ... Tot voor kort dachten Afrikanen bij een fabriek aan Duitse gevaartes, waar je een gebouw van drie etages omheen moest bouwen. Die mythe is ontmaskerd: tegenwoordig kan je een fabriek runnen met tien mensen. Een drukkerij, dat zijn drie machines. Voor 5.000 dollar installeer je in je garage een machine om sap te maken, thee in te pakken of mobiele telefoons in elkaar te zetten. "
 
- De Chinezen leggen wegen aan in het Rwandese binnenland. "Onderweg zien ze weleens een hond lopen," vertelt Albert. "Tot voor kort pakten ze die op, stopten hem in hun vrachtwagen, aten hem 's avonds in hun compound op en lieten de botten slingeren. Wij moesten hun uitleggen dat zij zich daardoor de vijandigheid van de bevolking op de hals halen, want een hond in Rwanda is een bewaker. Als je die doodt, vrezen mensen dat zij daarna zelf aan de beurt zijn."
 
- Het is prettig te praten met een Afrikaan die van zoveel inzicht getuigt in wat China voor Afrika kan betekenen en zich tegelijkertijd zo goed bewust is van de valkuilen. "Chinezen vragen mij voortdurend of ik misschien de zoon of de neef van de Rwandese president ben," zegt Albert. "Hoe kan ik anders op mijn jonge leeftijd al zo'n hoge functie hebben? Ik antwoord steevast: "Als ik de zoon of de neef van de Rwandese president was, zou ik niet in China hebben gestudeerd, maar in de Verenigde Staten of in Europa, zoals de kinderen van jullie elite. Dan zou ik nu niet hier zijn, maar daar."" Hij kijkt me aan met dat slimme lachje van hem. "Reken maar dat ze dan hun mond houden."
 
- Een Chinese student kwam eens naar hem toe en zei: "Het spijt me je dit te moeten vragen, maar klopt het dat jullie in Afrika in bomen leven en alleen kleren aantrekken om hiernaartoe te komen?" Zo iemand neemt Franck te grazen. "Jazeker leven wij in bomen," antwoordde hij, "en je weet toch dat China een ambassade heeft in Rwanda? Wel, de Chinese ambassadeur woont drie bomen bij ons vandaan."
 
- Na Xiangtan en Changsha begin ik een idee te krijgen van hoe middelgrote steden in het Chinese binnenland eruitzien. Jinhua is niet anders: brede boulevards met lawaaierig verkeer, karakterloze flats, hotels met grote entrees, supermarkten met schreeuwerige reclames. Hier en daar een stuk braakliggend land waarop grijpkranen gretig het roodbruine zand afgraven, want de bouwwoede gaat onverminderd verder.
 
- Het is aangenaam tegenover Guo Dong te zitten, stapels boeken over Afrikaanse kunst binnen handbereik. De Chinezen hebben alles, zegt hij: geld, luxe, en toch zijn ze niet gelukkig. In Afrika wordt er altijd gelachen, al hebben de mensen niets. "En de lucht is er schoon. God slaapt elke nacht in Uganda, want daar is het paradijs." Die uitdrukking ken ik uit Rwanda - alleen zeggen ze daar dat God elke nacht in Rwanda slaapt.

- "Hebben jullie het later nog over zijn vaders dood gehad?"
 "Nee, nee, hij praat er niet graag over."
 "Het was het eerste waarover hij mij vertelde toen we elkaar ontmoetten."
 "Dat komt omdat jullie treinconversaties voeren?"
 "Hè?"
 "Zo noemde een journalist het ooit. Hij ging conversaties aan met treinpassagiers en werd geen enkele keer afgewezen omdat mensen ervan uitgingen dat ze hem nooit meer zouden zien."
 Dat is wat ik doe: treinconversaties voeren. Alleen duren die soms jarenlang.

- Hij kopieert de afbeelding op mijn stick alsof het een kostbaar cadeau is, waarna ik hem de geheugenkaart van mijn camera geef om de foto's te kopiëren die ik op de Expo van hem maakte. Hij slaat ze op onder de naam Liwu, zoals hij me is gaan noemen.
 "Betekent dat iets?"
 "Ja: Geschenk."
 Vroeg of laat, heb ik gehoord, geeft iemand in China je een naam.
 "Het is een mooie naam," zegt hij, "hou die maar."

- Ik heb aangeboden de boodschappen te betalen en in de supermarkt laadt Eureka kip, olie, tomatensaus, groente en fruit in zijn karretje. "Ho, ho," protesteer ik als hij een pak bloem van vijf kilo uit de rekken haalt, "waarom zoveel? We zijn maar met z'n vieren." Schuldbewust bekent hij van de gelegenheid gebruik te willen maken een voorraadje aan te leggen.

- Op zijn tiende toog hij met zijn vader naar de markt in een dorp verderop en kocht een blik melkpoeder waarmee hij thuis langs de deuren ging. Hij verkocht het poeder per plastic lepeltje: voorzichtig kieperde hij een lepeltje in de handpalm van zijn klanten, die het poeder oplikten en erop zogen alsof het een snoepje was. 10 CFA kostte het. Vaak vonden ze het zo lekker dat ze nog een lepeltje wilden. Zelf at Cheikhna er tussendoor ook een beetje van. Toen het blik leeg was, had hij tweeënhalf keer zoveel geld als hij ervoor betaald had.

- De laatste vijftien jaar vliegt Makam niet meer. "Eén reis zou ik nog willen maken," zegt hij, "terug naar Mali. Een moslim moet begraven worden op de plaats waar hij sterft, en ik wil niet in vreemde aarde liggen. Maar dan zou ik mijn huis moeten verkopen en waar moeten mijn kinderen en kleinkinderen dan wonen?"

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

woensdag 20 november 2024

Lieve Joris: Mijn Afrikaanse telefooncel

Lieve Joris: Mijn Afrikaanse telefooncel (België, 2010): 158 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
"Mijn Afrikaanse telefooncel" is alweer het twaalfde boek van Lieve Joris dat ik heb herlezen en besproken. Het is een dun boekje, het telt 11 verhalen uit de periode van 1982 tot 1998, die allen gaan over gebieden waar Lieve Joris het meest mee heeft, natuurlijk Afrika en verder ook het Midden-Oosten en Oost-Europa. Het mooiste verhaal van het boek, vind ik dat over haar bezoek aan Ryszard Kapuściński in Polen. Binnen het oeuvre van Lieve Joris is "Mijn Afrikaanse telefooncel" een tussendoortje, wel prima te lezen natuurlijk.
 
Citaten:
- Langs de hoofdstraat van Kokry, tegenover de markt en ingeklemd tussen twee winkeltjes, lag Bina's telefooncel: een lemen raamloos vertrek met een ijzeren deur waarboven een pas geverfd bord hing. Cabine téléphonique Lieve. Bina lachte om mijn verbazing. Ik was naar Markala gekomen om hem te troosten toen hij terneergeslagen was, ik was met hem naar de hoofdstad gereisd toen hij zijn eerste aanbetaling ging doen - Rose en hij hadden besloten dat de telefooncel mijn naam zou dragen.
 
- "Natuurlijk heeft hij gelijk, maar is dit soms een normaal land? Als ik in Oeganda woonde, zou ik graag belasting betalen, want daar zijn de wegen geasfalteerd, daar weet je waar je geld naartoe gaat. Je zou een Oegandese ambtenaar trouwens niet durven om te kopen, want misschien werkt hij wel voor de staatsveiligheidsdienst en president Museveni is geen doetje. Maar de Congolese douane wordt nog steeds niet betaald, dus als ik met honderd vaten benzine uit Kenia kom, registreert de douane er tien en maken we een deal over de rest van de invoerrechten, volgens het adagium van Mobutu: Koyiba ndambo, kotika ndambo. Steel een deel, laat een deel." Salumu lachte schamper. "Zolang de staat niets voor mij doet, doe ik alles zigzag. Als handelaar komt dat me goed uit, maar voor het land is het natuurlijk slecht."

- Voorzichtig liep ik naast hen door de duisternis, vloekend op mijn zaklamp, die al aardig aan het afrikaniseren was: ze deed het alleen nog als ik er flink op sloeg.

- Salumu keek hen peinzend na. Vissers waren net zulke sloebers als diamantdelvers, zei hij: altijd arm en altijd dronken. Zij werkten, maar een ander ging er met het geld vandoor. "Het zijn baantjes voor bedriegers. Ik lieg tegen de jongen die diamanten voor me zoekt, de Libanees die mijn diamanten opkoopt liegt tegen mij, en wordt op zijn beurt bedrogen door de Belg in Antwerpen aan wie hij zijn diamanten verkoopt."

- Tegen de avond naderden we Bunia. Plotseling keek Tshekende verrast uit zijn raam. Er rolde een wiel voorbij, met alles erop en eraan. God is goed, dacht hij een fractie van een seconde, een wiel, dat is precies wat ik nodig heb, daar is hier al maanden een schrijnend gebrek aan. Het volgende moment kwamen we met een schok tot stilstand. Het was ons eigen linkervoorwiel dat de straat op was gerold. Mijn hoofd suisde van verbazing. Ik begreep niet hoe zoiets mogelijk was, maar niemand keek ervan op. Sommige passagiers stapten uit en liepen naar voren om de schade op te nemen.

- De volgende dagen loop ik soms door het kleine Bombay dat Rashids landgenoten in Dar es Salaam geschapen hebben. Er hangt een doordringende geur van kruiden, Zaïrese popmuziek schettert dwars door de zangerige Indiase liedjes heen. De Indiërs hebben er hun eigen moskeeën, ziekenhuizen en restaurants, zoals in veel Afrikaanse steden. Ze behoren tot een bevolkingsgroep die door het hele continent opgejaagd wordt. Het gaat hun te goed, ze wekken jaloezie op. Amin verdreef hen uit Oeganda, Mobutu kortwiekte hen in Zaïre. Maar hun veerkracht is legendarisch: ze gaan niet weg, verhuizen hoogstens van het ene land naar het andere. Vaak beginnen ze na enige tijd op dezelfde plaats opnieuw.

- De eigenaar van Hôtel de la Poste liet me de dakkamer zonder veel enthousiasme zien. Een bed en een stoel stonden er, meer niet. Het waaide er vervaarlijk, zei hij, wijzend naar de glazen deur die door een windstoot aan diggelen was gegaan. Maar ik stond al weg te dromen voor het raam, dat een grandioos uitzicht bood op de rivier de Senegal. Het terras keek uit over de daken van Saint-Louis en in de verte glinsterde de Atlantische Oceaan.
 Diezelfde dag nog sleepte het hotelpersoneel een bureau naar boven. De Libanese winkelier om de hoek leende me een ijskast, vrienden gaven me een gasstel, van een Mauritiaans tapijt en kussens maakte ik een zithoek, een vriendin bracht me een stel kleurrijke panen waarmee ik mijn meubeltjes bedekte. Ik liet een poster inlijsten van de Malinese zanger Boubacar Traoré, over wie ik aan het schrijven was, en hing die aan de kale muur. Mijn kamer was klaar.

- Het hele centrum van Warschau is vol oude vrouwen, gewapend met boodschappentassen. "Dat is het echte einde van de oorlog," zegt Kapuściński. De meesten hebben geen enkel familielid meer. Ze zijn hier na de oorlog neergestreken en gaan niet weg. "Dit is een land van weduwen, want Poolse mannen sterven doorgaans rond hun vijfenvijftigste aan een hartaanval." Altijd als hij bij de dokter komt zit de wachtkamer vol vrouwen, zij zorgen beter voor zichzelf.

- Zelf woont hij met zijn vrouw in een flat aan de rand van de stad. Tijdens de staat van beleg zag hij de oude mensen in zijn buurt opleven. Ze kregen een nieuwe functie: zij waren de enigen die tijd hadden om in de rij te staan. Tegen betaling deden ze boodschappen voor de hele buurt. Zij wisten waar en wanneer er vlees zou aankomen, waar je lampen kon krijgen, een tv of wasmachine. "Zij zijn vóór deze regering," zegt hij, "want die heeft hun leven weer zin gegeven."

- "... Laatst vroegen ze op de radio aan een jong meisje waarom ze een kind wilde. "Omdat dat het enige is dat ik kan krijgen," zei ze"

- Op een avond gaan we naar een restaurant. Het is pas zes uur, maar de ober komt vertellen dat ze gaan sluiten. Problemen met de elektriciteit. Op weg naar de auto maak ik er een opmerking over. Hoe kan zoiets gebeuren? Ineens valt hij uit, gekweld. Die westerlingen altijd met hun stomme vragen! Waarom zijn er niet genoeg taxi's, waarom komen de treinen niet op tijd, waarom is er geen toiletpapier? Voor alles moet hij zich verontschuldigen.

- Eén keer bleef Kapuściński drie jaar achter elkaar in Afrika. "Weet je wat mijn vader zei toen ik terugkwam?" Hij kijkt me van terzijde aan. ""Warm daar, hè?" Verder niets, geen woord."

- Nu en dan vraagt Kapuściński naar zijn eigen boeken. Van sommige heeft hij zelf geen enkel exemplaar meer. Maar hij vindt er geen. "Een goed boek zie je hier nooit in de etalage liggen," zegt hij, "mensen horen er alleen maar over, een boekhandelaar reserveert het voor zijn beste klanten." toen zijn eerste boek in 1962 uitkwam was hij doodongelukkig, want het lag in stapels op de toonbank.

- In een winkel zijn we getuige van een felle discussie. Een klant vraagt of er vulpennen zijn. De winkelierster valt uit. Ooit waren er vulpennen, zegt ze. Zodra mensen hoorden dat ze aangekomen waren, stonden ze vanaf vijf uur 's ochtends in de rij. Sommigen kochten er vijf, anderen tien. In één ochtend waren alle pennen op. Sindsdien komt iedereen om vulpennen vragen. "Ik bestel ze nooit meer," zegt de vrouw, "want ze sturen er altijd te weinig. Ik krijg er alleen maar gedonder mee."

- "... Een volk kan niet eeuwig vechten," zegt hij, "het moet nu en dan op adem kunnen komen. Dit is een tijd van rust, een tijd om je huis op te knappen, een gezin te stichten, te discussiëren, koffie te drinken in een café." Een flauwe glimlach glijdt over zijn lippen als hij eraan toevoegt: "Een tijd om vulpennen te kopen."

- Szabolcs is al met zijn tweedehandskleren naar het familiecentrum getrokken dat hij hier heeft opgezet. "Voor de Hongaarse intellectueel zijn er twee wegen," zei hij vanochtend met een bitter lachje, "de ene is de alcohol, de andere loopt dood."
 
- Hij sympathiseert met een van de nieuwe oppositiepartijen in de hoofdstad, vertrouwt hij me toe. Zijn vader is een fanatieke communist, van hem heeft hij geleerd hoe het niet moet. "Als we tegenwoordig met elkaar praten, is het alsof er twee tv-stations tegelijk aanstaan."
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

maandag 18 november 2024

Lieve Joris: De hoogvlaktes

Lieve Joris: De hoogvlaktes (België, 2008): 140 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
"De hoogvlaktes" is na het vorige boek van Lieve Joris, de roman "Het uur van de rebellen" veel minder ambitieus van opzet. Ik vermoed dat het schrijven van "De hoogvlaktes" haar veel minder tijd en moeite heeft gekost dan het schrijven van "Het uur van de rebellen". Het is ook een terugkeer naar de literaire reportage, een genre dat haar volgens mij veel beter ligt dan de traditionele roman. Het is een vrij rechttoe rechtaan boek, maar voor mij beduidend sterker dan haar vorige boek. In "De hoogvlaktes" laat Lieve Joris eens te meer zien dan ze een van 's werelds beste schrijvers is van literaire reisreportages.
 
Lieve Joris heeft veel gereisd en over die reizen geschreven. Ze is in de Golfstaten geweest, ze heeft een verslag geschreven van de revolutie in Hongarije, ze heeft bij een Syrische vrouw in Damascus verbleven en ze heeft een boek over Mali geschreven. Maar het land dat haar het meeste trekt is toch wel het voormalig Belgische Kongo, later Zaïre geheten en nu weer gewoon Congo. "De hoogvlaktes" is het vierde boek van Lieve Joris over Congo.
 
"De hoogvlaktes" is een verslag van een voettocht van 5 weken door een afgelegen gebied in het oostelijk deel van Congo. Er gebeurt niet veel tijdens de reis, maar wel krijg je als lezer een beeld van hoe de mensen hier leven.
 
Als je het werk van Lieve Joris nog niet kent, dan zou ik niet met "De hoogvlaktes" beginnen, maar met een van haar eerdere boeken over Congo, zoals "Terug naar Congo" of "De dans van de luipaard". In het boek gebeurt vrij weinig, maar het is in een trefzekere stijl geschreven en het geeft een goede aanvulling op haar overige boeken.
 
Citaten:
- Hoezeer het beeld van André met zijn kip ook op mijn netvlies gebrand stond, mijn eigen bagage dijde steeds verder uit. Ik had een slaapzak, een lakenzak, thermisch ondergoed, een fleecejack, wandelschoenen, sportschoenen en proviand uit de stad in het dal meegebracht, maar volgens curé Jorojoro, die mijn spullen aan een nauwkeurige inspectie onderwierp, had ik ook rijst, suiker en thee nodig. Het menu bestond hier uit aardappelen en melk, de mensen bij wie ik overnachtte zouden blij zijn met iets extra's.

- Mannen krijgen hier tot op hoge leeftijd kinderen. Als hun vrouw ziek is leggen ze haar lot in Gods hand in plaats van een koe te verkopen om haar naar het ziekenhuis te brengen. Na haar dood hertrouwen ze met een jongere. Een vrouw die sterft is als een kalebas die stuk is, zeggen ze, die moet je vervangen.

- Bavire zuchtte. "Het is moeilijk om een geschikte vrouw te vinden. Ik ben jaren weg geweest, het leven in het dal heeft me veranderd, terwijl ze hier intussen ..." Wie een vrouw wilde huwen moest koeien aan haar vader geven. Veel jongeren konden niet voldoen aan de hoge eisen van hun schoonvader en en besloten hun vrouw te schaken.
 "Schaken? Hoe doen ze dat?"
 "O, heel eenvoudig. Een jongen lokt een meisje met hulp van zijn vrienden naar buiten, zogenaamd om een ommetje te maken. Hij neemt haar mee naar zijn huis ..." - Bavire zocht naar woorden - "où ils se cognent," zei hij uiteindelijk. Waar ze tegen elkaar opbotsen.
 Ik lachte. "Heet dat zo?"
 "In dat geval wel, ja. De schoonvader heeft dan geen keuze meer. Zodra zijn dochter onder het dak van een vreemde man heeft geslapen, is ze niets meer waard."

- ... Zijn blik viel op mijn Samsonite-koffer die opengeklapt op de grond lag; nieuwsgierig bestudeerde hij de inhoud.
 Sigaretten, kleine flesjes whisky - er wachtte me onderweg naar beneden een keur van militaire versperringen en ik had een voorraadje ingeslagen om mijn doorgang te vergemakkelijken. Hoestbonbons, lolly's voor de kinderen - de spullen die hier boven op de markt te koop waren staken er zo grauw bij af dat mijn koffer vanzelf was veranderd in een winkel vol glimmende kostbaarheden.
 
- Ik ben mijn eigen dorp in een ver verleden ontvlucht, maar niets maakt me gelukkiger dan weg van huis de eenvoud van mijn jonge jaren terug te vinden.
 
- Zelf was hij de dag ervoor helemaal naar de markt in Ilumba gegaan om een reistas te kopen. Op de markt was hij zijn eerste verloofde tegengekomen. Terwijl hij in het dal studeerde, was ze met een ander getrouwd. In het begin was hij verdrietig geweest. "Maar nu niet meer, want mijn huidige vrouw is veel mooier." Hij keek me dromerig aan. "Net zo mooi als u."
 O, o - en met dit jochie moest ik naar Uvira! Curé Jorojoro had gelijk: er zat geen kwaad bij.
 
- Aangespoord door zijn vrienden vuurde Ruhuri een salvo vragen op me af. Sebagabo was naast me neergezegen en vertaalde. Woonden de mensen in België en Nederland in hutten met strooien daken? Waren er bij ons ook koeien? Hoeveel stuks had een man doorgaans? Gaven goede vrienden elkaar soms een koe? Gingen mijn landgenoten tijdens het droge seizoen op transhumance? Hoeveel koeien betaalden zij als bruidsprijs? Waren onze koeienhoeders zwart of blank? Waarom woonde ik niet in mijn geboorteland?
 Om al mijn antwoorden moesten ze lachen. Wist ik niet hoeveel een koe in mijn land kostte, alleen hoeveel ik per kilo rundvlees in de winkel betaalde? Dan was ik net als de Bembe, die alleen geïnteresseerd waren in de koe als biefstuk. Dat een man in mijn land geen bruidsprijs betaalde, begrepen ze niet. Wie was dan de baas van de familie?

- "De beste scholieren vertrekken vroeg of laat naar het dal om hun middelbare school af te maken," zei Prosper. "Wij blijven achter met de rest." Als een leerling niet geslaagd was, kwam zijn vader op school om de directeur en de leraren te bedreigen. "Met het gevolg dat veel leerlingen overgaan, waarna ze natuurlijk zakken voor het staatsexamen in het dal." Wat hun ouders dan weer toeschreven aan het feit dat de Banyamulenge in dit land niet geliefd waren.

-  "Wat ga je daar doen? Er valt bij ons niets te beleven. Mensen lopen weggedoken in hun kraag door de heuvels en kruipen om vier uur al in bed van verveling." De waarschuwingen van mijn vrienden in het dal echoden in mijn oor. Je kon hier maar beter in beweging blijven, want zodra je halt hield, viel de tijd stil. Niemand had mij nodig, integendeel, ik stoorde: ik droeg geen paan, hield mijn wandelstok in mijn linkerhand, gaf geen getuigenis van mijn geloof, kwam geen molen of medicijnen brengen noch projecten opzetten of beurzen uitdelen - ja, wat deed ik hier eigenlijk? 
 
- De eerste huizen doken op en mensen staarden ons aan met open mond. Een mooi stel waren we: David met zijn malle hoedje en zijn paraplu, Pacifique met zijn tasje om de lendenen, de twee dragers met hun in plastic gewikkelde bagage op het hoofd en ik, een vuile blanke met een wandelstok en een zonnehoed waaronder het zweet naar beneden gutste.

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

zondag 17 november 2024

Lieve Joris: Het uur van de rebellen

Lieve Joris: Het uur van de rebellen (België, 2006): 246 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
Het is knap als je een roman kunt schrijven. Als je een roman kunt schrijven die van het begin tot  het einde boeit en geloofwaardig is dan is dat heel knap. Als je dan ook nog een geslaagde roman kunt schrijven over iemand die niet uit je eigen cultuur komt, dan is dat wel bijzonder knap. 
 
"Het uur van de rebellen" is het eerste boek waarin Lieve Joris is afgeweken van haar vertrouwde vorm: de literaire reisreportage. Het boek gaat over de woelige periode in de Congolese geschiedenis tussen 1990 en 2003. Je zou het een eigentijdse historische roman kunnen noemen, een oorlogsroman of een biografische roman. 
 
Lieve Joris heeft er bijzonder veel aandacht aan besteed dat alle details van het boek authentiek overkomen. Ik heb bij "Het uur van de rebellen" wel de gebruikelijke reserves die ik heb bij een historische roman: wat is waargebeurd, en wat is verzonnen door de schrijver?
 
Ik vind zoals gezegd "Het uur van de rebellen" een zeer knappe roman, maar ik geef duidelijk de voorkeur aan de literaire reportages van Lieve Joris.
 
Citaten:
- De mobutisten hielden zich in die dagen gedeisd, maar inmiddels waren ze weer present. Van heinde en ver waren ze aan komen vliegen en al hadden de zorgen van de voorbije jaren sporen achtergelaten op hun gezicht, hun pakken waren geperst, Mont Blanc-pennen staken in hun borstzakjes, ze klemden de laatste modellen mobiele telefoons in hun handen en eigenzinnige tunes - van het Congolese volkslied tot het geblaf van honden - klonken op. Ze waren gekomen om te informeren of ze hun villa's in de heuvels van de stad konden terugvorderen nu de nationale verzoening was uitgeroepen. 
 
- Dat een chef 10 procent nam om in zijn behoeften te voorzien, kon Assani bevatten. De blanken die hem bezochten probeerden 20 procent te krijgen. Maar zijn landgenoten, die namen 80 procent! Hij begreep hen niet - ze gedroegen zich niet als burgers van een natie, ze waren als vaders die het voedsel van hun eigen kinderen stalen.
 
- Niet veel later was er een bijeenkomst van ministers en officieren waarbij ook president Kabila aanwezig was. De ministers deden wat ze altijd deden: ze zeiden dat alles goed ging, bewierookten de president en creëerden al doende zoveel rook dat al hun malversaties erachter verdwenen.
 
- "De Rwandezen zijn naar Congo gekomen om de moordenaars van hun familieleden op te sporen," zei de Congolese manager van een textielfabriek, "maar gaandeweg ontdekten ze dat ze in een paradijselijke tuin waren beland. Waarop ze hun zoektocht staakten en de vruchten uit het paradijs begonnen te plukken."
 
- Aimée was gehecht aan haar familie. Ze wilde dat hij haar moeder belde, dat hij haar tante leerde kennen, dat hij met haar op bezoek ging bij een oom, dat ... Wat moest hij met al die mensen, wat hadden die met hun tweeën te maken? Families verlamden je: iedereen hing maar aan elkaar en vroeg elkaar maar om advies. Hij was tegen dat soort afhankelijkheid - je werd er lui van.
 Bovendien was Aimée religieus, nog zoiets waar hij tegen was. Religie was vervreemdend, hij zag het vaak bij gelovige mensen. God regelde alles, ze gaven zich volledig aan hem over en waren geen meester meer over hun eigen leven. Hij kon dat soort onderwerping niet aanvaarden.
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

donderdag 14 november 2024

Lieve Joris: Dans van de luipaard



 
Deze bespreking is een licht gewijzigde versie van mijn bespreking uit 2015. Lieve Joris reisde voor "Dans van de luipaard" in 1997 en 1998 ruim een jaar door Congo (Er worden in het boek geen data gegeven). Lieve Joris heeft kennis van en liefde voor Congo en zijn bewoners, maakt makkelijk vrienden met onbekenden, maakt scherpe observaties en stelt kritische vragen. Dit alles maakt haar boek tot het ideale gezelschap voor een leunstoelreiziger en zorgt ervoor dat dit haar beste boek tot op heden is en voor mij het beste Nederlandstalige reisverhaal dat ik ken.

Lieve Joris vangt haar reis aan in Kinshasa, de 6 miljoen inwoners tellende hoofdstad van Congo, en reist van daaruit naar verschillende uithoeken van het land om vervolgens steeds weer in Kinshasa terug te keren. Op het moment van haar aankomst is het onrustig in Congo, dictator Mobutu is net verdreven door een leger van kindsoldaten onder aanvoering van Laurent Kabila. "Dans van de luipaard" is een prachtige combinatie van een persoonlijk reisverhaal gecombineerd met een politieke analyse van de situatie in Congo. Het boek is vergelijkbaar met de boeken van haar literaire voorbeelden V.S. Naipaul en Ryszard Kapuściński. Ik vind van deze drie schrijvers, de boeken van Lieve Joris het prettigst om te lezen.
 
Citaten:
- Bij Mobutu's zoon Kongolo - beter bekend als Saddam Hussein - werden stapels voetbaltickets gevonden, die hij vóór elke wedstrijd confisqueerde en doorverkocht. "Die kleine Saddam oefende hier een ware terreur uit, het was een echte maffioso. Hij stal een hele rits Mercedessen van het laatste model bij een dealer en reed er met zijn gevolg mee over de boulevard, op klaarlichte dag, met alle lichten aan. Wanneer hij een meisje zag dat hem beviel, liet hij haar oppikken door zijn bodyguards. Mobutu wist dat zijn zoon zo was, het kwam hem goed uit, op die manier kon hij zijn volk terroriseren."

- "Die baas van jou is behoorlijk over zijn toeren," zeg ik later tegen Christian. "Hij had teveel macht," zegt Christian, "hij weet niet waar hij het zoeken moet nu hij die kwijt is. Iedereen die veel met de president omging, gedroeg zich thuis op den duur als een kleine Mobutu."

- "Gaat het?" Christian staat voor me met een grijns op het gezicht. "Hebben we je niet te erg gepest?" Ik haal mijn schouders op. Hij leunt met zijn rug tegen de muur en kijkt me tersluiks aan. "Ik maak me zorgen over je," zegt hij. "Oh ja?"
Hij heeft op iets zitten broeden, geloof ik, maar weet niet goed hoe erover te beginnen. "Ik zou je iets willen vragen," zegt hij na een tijdje, "maar ik ben bang dat je me indiscreet zal vinden." "Voor de draad ermee," moedig ik hem aan, volgende week ben ik weg en zie je me nooit meer, wat maakt het uit?
"De manier waarop jij over zwarten praat, het lijkt wel alsof je niet zou aarzelen om ... intiem contact met hen te hebben." Ik schiet in de lach.

- "Waarom denk je dat deze mensen zwart zijn?" vraagt Bove knorrig. "God heeft hen te lang in de oven laten zitten. Ze zijn verbrand."

- Ik overwin mijn weerzin en neem een bad, volgens de beproefde methode: ik steek mijn grote teen als stop in de afvoer en wind een handdoek om de kapotte kraan, tegen het spetteren. Terwijl het bad volloopt, kijk ik naar de kakkerlakken die in het licht van mijn zaklamp aan mijn slippers snuffelen.

- "Plunderaars zijn net kinderen," zegt hij, "ze gaan recht op hun doel af en stelen alles, zonder na te denken. Ze doen alsof het einde der tijden is aangebroken, maar na afloop zitten ze daar, verdoofd, zonder afzetmarkt, met een grasmaaier van de zusters terwijl ze geen gazon hebben, met een wasmachine terwijl ze geen elektriciteit hebben, met een tafel terwijl ze in een hut wonen, met Vlaamse boeken terwijl ze geen Vlaams praten!"

- Mobutu wist precies wat hij met schreeuwers aan moest: hij gaf hun een ministerspost en schakelde hen daarmee in één klap uit. Zo'n minister werd doorgaans na een halfjaar weer vervangen, niet lang genoeg om zijn dossiers te bestuderen, maar wel om zijn zakken te vullen.

- De minister van Landbouw kondigt trots aan tweeduizend tractoren te hebben besteld. Zomaar, pardoes, zonder enig vooronderzoek. Tweeduizend tractoren om de noodlijdende Congolese landbouw uit het slop te halen! Ik zie de roestende wrakken in de brousse alweer voor me.

- Tijdens mijn eerste reis riepen Zaïrezen vaak: "U had hier in 1960 moeten zijn, toen was dit een prachtig land, toen werkte alles nog!" Nu zeggen ze: "Oh, was u hier in '85 en '86, dat waren goede jaren, toen liep alles nog op rolletjes!" Wat zullen ze over tien jaar zeggen? Denken de nieuwkomers wel eens aan de mogelijkheid dat alles slechter zou kunnen gaan, dat hun roestige jaren-zestig ideeën het land misschien nog verder zullen doen wegzinken?

- Niet de politici, maar de zangers praten in dit land tot hun volk en rijgen de steden die door slechte verbindingen uit elkaar zijn gedreven, met hun muziek aan elkaar.

- Meneer Nassim kijkt mistroostig naar buiten. Het regent - dat betekent dat niemand die ochtend op zijn werk zal verschijnen. "Hebben ze geen regenjassen dan?" "Die hebben ze nergens voor nodig," bromt hij, "als het regent, gaan ze simpelweg niet naar buiten. Ze wachten tot het ophoudt."

- "Mutu na mutu abongisa," citeert José Mobutu als we weer op weg zijn. Laat iedereen zijn zaakjes regelen. De Zaïrezen interpreteerden dit volgens hem op geheel eigen wijze: laat iedereen stelen - de ambtenaar op zijn ministerie, de arbeider in zijn fabriek, de verkeersagent op straat. En vermoedelijk had Mobutu het ook zo bedoeld.  

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

zaterdag 9 november 2024

Lieve Joris: Mali blues

Lieve Joris: Mali blues (België, 1996): 313 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
"Mali blues" bevat vier verhalen. Het eerste verhaal "Amadou" is al eerder als een apart boekje uitgegeven en heb ik een paar dagen geleden besproken. Het tweede verhaal "Sidi Boîte" beschrijft een reis per auto over de woestijnweg door Mauritanië. In het derde verhaal "De man van Sokolo" bezoekt Lieve Joris de vader van een Malinese vriend uit Amsterdam. Het laatste en titelverhaal vertelt over een lang verblijf van Lieve Joris bij de Malinese muzikant Boubacar Traoré, bijgenaamd Kar. Het is een prachtige bundel.
 
Citaten:
- "Zou hier een toilet zijn?" 
 "Jazeker, maar ik vrees het ergste."
 Abdallah brengt me naar een ommuurd gat, met een roestig autoportier als deur.
 "Niks aan de hand," zeg ik als ik terugkom en Sass zuinig zie kijken.
 Maar hij lijkt niet overtuigd. "Leer mij de Mauretaanse toiletten kennen!"

- Zijn zelfverzekerdheid intrigeerde me. Wat had hem zo anders gemaakt? De vraag leek hem niet te verbazen. "Het komt door mijn vader, geloof ik." Die was meteoroloog en had veel gereisd, niet alleen in Afrika maar ook in Europa. Hij leerde zijn kinderen onafhankelijk te zijn. In het zwembad van hun huis in Bamako stond geen water en ze werden nooit met de auto naar school gebracht: het zwembad en de auto hoorden bij zijn werk en waren dus tijdelijk, legde hun vader uit. Hij wilde niet dat zijn kinderen aan zulk ongewis comfort gewend raakten.
 
- Ik begin deze buurt in de schaduw van de berg al aardig te kennen. Daar woont de Soninké zakenman met zijn vier vrouwen, verderop zit het meisje dat plastic emmers en zelfs kalebassen verstelt met naald en draad. Veel mensen hebben winkeltjes voor hun huis. Ze bakken bananen en oliebollen voor passanten of hebben een etalage - een houten uitstalbak met sigaretten, lucifers en kauwgom. Ambulante kleermakers doorkruisen de buurt met een naaimachine op hun hoofd en knippen met hun schaar om de aandacht te trekken. Het is het uur voor zonsondergang en de hele buurt is gespannen. De speelgoedman loopt behangen als een kerstboom langs de huizen en piept met een gifgroene plastic krokodil om kinderen te lokken.
 
- "Een oude Afrikaan die sterft is een bibliotheek die in vlammen opgaat," heeft Hampâté Bâ eens gezegd.
 
- Zoals altijd weer verwondert het me hoe makkelijk Afrikanen materiële verschillen aanvaarden. Hier zitten wij, met een taxi-brousse met hopeloos versleten banden, en daar schuift een surrealistische praalwagen met vermogende blanken voorbij, en niemand die er wat van zegt. Blanken hebben nu eenmaal alles.

- Ik dacht dat ik klaar was. Nog één keer wilde ik een blik werpen op dit landschap. Maar sinds vanmiddag weet ik het niet meer. Boubacar Traoré. Maandenlang al luister ik naar zijn droevige muziek. Zo verschillend van de Zaïrese popmuziek die over dit continent spoelt dat ik bijna verbaasd was dat hij zijn weg naar een Engelse platenmaatschappij had weten te vinden.

- Ik zou verder willen vragen, maar hij praat eroverheen. In Parijs woonde hij in een foyer - pension met andere Afrikaanse immigranten. De Zaïrezen onder hen weigerden stelselmatig een metrokaartje te kopen. Ze zeiden dat al het staal van de Franse treinen uit Zaïre kwam - waarom zouden zij dan betalen!

- Omdat hij van zijn muziek niet kon leven, heeft hij allerlei baantjes gehad. Hij is niet vervreemd van de onderkant van de samenleving, zoals veel intellectuelen in dit land. Hij koopt alles in kleine winkeltjes in de buurt van zijn huis. Twee sigaretten, een piepklein zakje Nescafé, vijftig gram melkpoeder, twee kaarsen. De hete oortjes van zijn pannen pakt hij beet met opgevouwen reclamefolders van Radio Nederland die een journalist hem ooit stuurde. Als hij een kaars aansteekt, doet hij er suiker op. Dan brandt ze langer.

- Als hij nog een vliegtuig hoort, fronst hij zijn wenkbrauwen. "Dat is niet op tijd. Zeker een wouya-wouya vliegtuig uit Mauretanië." Wouya-wouya - het is zijn gevleugelde uitdrukking voor alles wat niet deugt.

- "... Want de blanke had gelijk: geen zwarte heeft ooit een fabriek ontworpen, zelfs geen doosje lucifers." Hij lacht. "Modibo Keita zei dat we onze eigen lucifers zouden maken, eh bien, dat hebben we geweten! Als je die aanstak, moest je de brandweer roepen! Takala-lucifers - geen Malinees vergeet die naam. Je moest ze een flink eind van je afhouden als je een sigaret wilde opsteken, anders stond je haar in brand. Soms ontvlamden ze spontaan in je broekzak. Hoeveel huizen er niet zijn afgebrand door Takala-lucifers! Het werd zo erg dat je niet meer in een taxi mocht stappen als je ze bij je had. Er kwamen ook Malinese sigaretten op de markt waar je ontzettend van moest hoesten. Liberté heetten ze, maar ze waren al vlug beter bekend onder de naam ezelsstront."

- De afstand Bamako-Bayes is minder dan vijfhonderd kilometer. Een Franse TGV doet daar volgens Kar twee uur over, maar met deze wouya-wouya dieseltrein arriveren we met enig geluk binnen tien uur, want hij rijdt in een sukkelgangetje en stopt om de haverklap. Telkens als we een stationnetje naderen, zien we vrouwen uit de omliggende heuvels naar beneden rennen, manden met koopwaar op het hoofd. Bezweet defileren ze langs de wagons met mango's, bananen en sandwiches. Enkele minuten, en dan is het magische moment van de dag voorbij. Kar speurt het perron af naar mogelijke koopjes. Tevreden hijst hij een grote zak maniok naar binnen; dat hebben ze in Kayes niet.

- "Wie in Kayes een ijskast heeft, is rijk," zegt Kar terwijl hij de inhoud van de ijskast inspecteert, "want die kan frisdrank en ijswater verkopen."

- Ik luister, ik laat hem praten. Sinds ik tien jaar geleden voor het eerst in Afrika was, heb ik verhalen gehoord over mensen die zichzelf in krokodillen, apen of kakkerlakken veranderen en er 's nachts op uit trekken om hun dorpsgenoten de stuipen op het lijf te jagen.

- Een uitspraak van V.S. Naipaul hamert almaar door mijn hoofd: "Ze zijn anders dan wij, ze geloven in magie." Indertijd hoorde ik die woorden met enige scepsis aan, nu zijn ze me bijna tot troost.

- Zodra het begint te regenen in Lafiabougou zie je niemand meer op straat, want de mensen hebben geen regenjassen en ook geen schoenen. Ze wachten tot het droog is en banjeren dan met plastic slippers door de modder.

- Mamou ging naar een maraboet. Die zorgde ervoor dat ze haar schoonmoeder langzaam maar zeker in haar macht kreeg. "Een maraboet die erop toeziet dat het goed met je gaat, is heel moeilijk te vinden, maar kwaad aanrichten, dat kan de eerste de beste!"

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

woensdag 6 november 2024

Lieve Joris: Amadou

Lieve Joris: Amadou: Afrikaanse notities (België, 1994): 62 blz: Uitgeverij VSB fonds
 

 
Van 16 juni tot 7 juli 1993 heeft Lieve Joris een bezoek gebracht aan Senegal. Ze heeft in die tijd François, een oude vriend, bezocht en ook een muziekfestival in Dakar, waar onder meer Baaba Maal en Youssou N'Dour optraden. "Amadou" is het verslag van die reis. Het is maar een dun boekje, een tussendoortje zeg maar, maar wel een erg goed tussendoortje.
 
Citaten:
- François' appartement is zo mogelijk nog kaler dan zijn huis destijds in Kinshasa. Overal naïeve schilderijen van de Zaïrees Chéri Samba. Ze zijn geen van alle ingelijst, en er zijn er die krullen en schilferen van het vocht. Ik hou van François' nonchalance tegenover wereldse zaken, maar betrap mezelf toch op een lichte ergernis. Chéri Samba exposeerde inmiddels in New York, die schilderijen zijn geld waard! Ik zeg maar niets, want François zou me uitlachen: een museum in New York, dat betekent niets voor hem. Hij is in Afrika geboren, heeft er het grootste deel van zijn leven gewoond. Het is interessant te zien hoezeer dat hem heeft bepaald. Hoe lang zou het duren voor New York ook voor mij geen referentiepunt meer is?
 
- Er zijn hier veel Libanezen. Ze hebben restaurants, warenhuizen, ijssalons - zij zijn in West-Afrika wat de Indiërs in Oost-Afrika zijn: een onmisbare, en toch vaak bedreigde minderheid. Ze wekken jaloezie op.
 
- "Maar je kan hier maar beter geen Afrikaan zijn." Het is eruit voor ik het weet.
 François lacht. "Weet je wat een Zaïrees voor mijn vertrek tegen me zei? "Profiteer er maar van dat je blank bent, want na jullie dood komen jullie terug als zwarten, dan zal je eens zien wat wij doormaken. En wij op onze beurt zullen terugkomen als blanken, dus maak je borst maar nat."" Sinds die tijd draagt hij er extra zorg voor goed te zijn voor zwarten, opdat hij niet terugkomt als een van hen. "Maar tegelijkertijd bid ik dat alle racisten terug zullen komen als zwarten, dan zullen ze weten hoe dat voelt!"
 
- Vooral aan die train culturel denkt hij met nostalgie terug. In de trein reisde een theatergezelschap mee en muzikanten die onderweg concerten gaven. Er was een bibliotheek en een wagon waarin voorlichting over Aids werd gegeven en condooms werden uitgedeeld. Toen François de gouverneur in Lubumbashi om steun had gevraagd voor zijn anti-Aids-campagne, had deze hem spottend aangekeken. "Jullie blanken zijn vreemde lui," zei hij, "eten jullie een bonbon soms op met papier en al?" De acteurs en muzikanten leidden onderweg overigens zo'n liederlijk leven dat François zich later afvroeg of de train culturel niet eerder een Aids-verspreider was geweest.
 
- Thuis vragen ze me soms of ik niet eenzaam ben op reis, of bang. Hoe kan je eenzaam of bevreesd zijn in een land waar je na vier dagen al uit de massa wordt gepikt door iemand die de moeite heeft genomen je naam te onthouden? Afrikanen moeten zich beroerd voelen als ze bij ons aankomen - niet langer een identiteit te hebben, verstoken te zijn van elk teken van herkenning. Het is misschien niet zo vreemd dat ze beschutting zoeken bij elkaar tegen de anonimiteit die hen ineens tegemoet walmt.

- Een jochie is naast me komen lopen. Hij heeft een minuscuul plastic zakje ijslimonade in de hand waar je kinderen hier vaak mee ziet. Het kost 25 CFA - 10 cent -, dat valt meestal nog wel te betalen. Ik heb al heel wat bedelende kinderen van me afgeschud en vraag quasi-bars: "En, wat moet jij?" Het jongetje blijft met gedecideerde pas naast me lopen en zegt: "Ik wil naar binnen."
 Ik kijk eens naar hem. Voddig broekje, wijd T-shirt, een ventje van niks.
 "Hoe oud ben je helemaal!"
 "Veertien." Dat is een leugen - ouder dan tien kan hij niet zijn. Wie weet hoe ver hij heeft gelopen om hier te komen. Weet zijn moeder waar hij is? Vast niet.
 "Voor wie ben je gekomen?"
 Hij kijkt naar me op, zijn ogen stralen. "Voor Youssou N'Dour."
 Tegen die tijd ben ik verkocht.
 "Hoeveel kost een ticket?"
 "Vijfhonderd CFA."
Hij blijkt tweehonderdvijftig te hebben - ik geef hem de rest, waarop hij er als een haas vandoor gaat. Ik voel me een beetje belachelijk, als een padvinder die een goede daad heeft verricht, maar ook tevreden.

- De Belgische pater staat op het punt naar Dakar te vertrekken. Hij wijst me de weg in het keukentje. Bier in de ijskast, Nescafé, poedermelk en suiker in het blauwe aanrechtkastje. Alle missieposten in Afrika lijken op elkaar: schone lakens op het bed, een wasbak, tafel en stoel - de soberheid die ik ken van mijn kostschooltijd en die in deze omgeving luxe wordt.

- Demba kijkt niet met onverdeeld enthousiasme terug op de kolonisatie, maar het moet hem toch van het hart dat de zaken in die tijd beter geregeld waren. "Je kon tenminste carrière maken. Als je twee jaar ergens werkte en je was goed, werd je gepromoveerd, maar tegenwoordig ... Alleen als je familie bent van de minister, kom je hogerop. Daarom wil iedereen in dit land in de politiek: het is de ideale manier om je zakken te vullen."

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

dinsdag 29 oktober 2024

Lieve Joris: Terug naar Kongo

Lieve Joris: Terug naar Kongo (België, 1987): 247 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
Zoals in katholieke gezinnen in Nederland vaak wel iemand missionaris in Nederlands-Indië werd, zo gingen in Vlaanderen veel mannen naar Kongo. Ook Lieve Joris had zo'n heeroom in de familie en zij was zeer benieuwd hoe het leven van die heeroom er uit had gezien. Zij besluit om in haar eentje de zeer avontuurlijke tocht naar en door Kongo te maken. Lieve Joris komt op plaatsen waar nog paters zitten die de heeroom gekend hebben, maar ze verkent ook de hoofdstad Kinshasa, ze maakt een lange boottocht over de rivier de Kongo naar Kisangani, ze verkent Katanga, de streek waar veel erts gedolven wordt en op het einde van haar reis komt ze in de problemen. "Terug naar Kongo" is een prachtig boek, dat zich moeiteloos kan meten met de boeken van haar literaire voorbeelden Ryszard Kapuściński en V.S. Naipaul.
 
Citaten:
- In die jaren had ieder Vlaams gezin wel een heeroom in de missie. Het moederleed om zijn afwezigheid werd ruimschoots vergoed door de nieuwe wereld waarin de familie terechtkwam: missionarissen met verlof brachten verhalen over zoonlief in de brousse en tafelden mee op zondag, zodat dieprode wijnvlekken achterbleven op het damasten tafellaken en het hele huis doortrokken was van sigarewalm.

- Ik ben heeroom achternagereisd. Ook ik voel me die kille septemberochtend aan de reling van de Fabiolaville onwennig. Heeroom indachtig heb ik de reis door de paters laten regelen. Ik moest niet aan iedereen vertellen dat ik journalist was, vonden ze, ik kon beter zeggen dat ik een "werkske voor de familie" aan het maken was.

- ... het seminarie - het "priesterfabriekske" -

- Hun verhalen voeren me terug naar het Kongo van heeroom. Ze duwen de beelden van het onafhankelijke Zaïre, het land van Lumumba en Mobutu dat ik later leerde kennen, naar de achtergrond. Wil ik door de brousse trekken? Dan zal ik te maken krijgen met zandvlooien. Die kruipen onder je teennagels en leggen daar eitjes. Nooit proberen ze er zelf uit te halen, dat gaat maar zweren. Altijd een Zaïrese boy roepen, die peutert ze er met een stukje hout uit. Er zijn beestjes die in je bloed kruipen, beweert Raskin, jaren later, als je Zaïre allang weer vergeten bent, begint het ineens overal te jeuken.

- Zelf heb ik kralen van ebbehout gekocht. Aan boord gaan ze van hand tot hand en er worden veelbetekenende blikken gewisseld. Als bij de eerstvolgende tropische regenbui de zwarte verf van de kralen in mijn nek druipt, moet iedereen hartelijk lachen. Door de eerste de beste Afrikaan laat ik me beetnemen, dat zal nog wat worden op mijn eenzame tocht door de brousse, want de Zaïrezen zijn meesters in list en bedrog en een nieuweling hebben ze meteen in de gaten.

- De mist is nog niet opgetrokken als we de opening van de Kongostroom binnenvaren. In de jaren zeventig besloot Mobutu de naam die de Portugezen vroeger aan de stroom gaven, in ere te herstellen. Sindsdien heten de stroom, het land en de munt "Zaïre". De drie Z'en, zoals Mobutu zei. Meneer Dewaele noemt ze De drie Zotten.
 
- Pater Bronek en ik krijgen aangrenzende kamers met uitzicht op de Zaïrestroom. Ondanks het tropische decor voert de kamer mij in één klap terug naar mijn kostschooljaren. Twee kuise bedjes, een stenen vloer, een kruisbeeld aan de muur, een handdoek en een stuk zeep op de wasbak.
 
- Jarenlang was De Neef net als heeroom broussard. Te voet trok hij vanuit de missiepost de brousse in, vergezeld door vijf dragers. De eerste droeg de "kapel", een koffer met misgewaden, missaal, miswijn en doopboeken, de tweede de potten en pannen, de derde het veldbed, de vierde het eten, de vijfde medicijnen tegen malaria, slaapziekte, wormen en diarree. "Want de buik van ne zwarte, dat is nen dierentuin," zegt De Neef.

- Honoré kan van zijn salaris niet rondkomen. Hij probeert vriendschap te sluiten met zeelui die spullen uit Europa meebrengen. Laatst heeft hij een ijskast weten te bemachtigen. Hij is de enige in de buurt die er een heeft, zodat iedereen koud bier en ijs bij hem komt kopen. "Nous vivons par miracle," zegt hij, "we trekken allemaal onze plan. Article quinze noemen we dat."

- "Die protestanten, dat waren Zweden, echte droogstoppels, diepvriezers," zegt De Munck, "daar kreeg ge een taske thee in plaats van een glas bier als ge op bezoek ging. Daarom heeft dat nooit gepakt bij de mensen in deze streek."

- "De paters zeiden altijd dat de poort van de hemel wijdopen stond voor de armen," zegt hij verongelijkt, "dat een rijke evenveel moeite had om in de hemel te komen als een ezel om door het oog van een naald te kruipen. Maar zijzelf waren rijk, zij waren de enigen in het dorp die auto's hadden."

- We kopen bananen en palmwijn die uit een kalebas in plastic bekers wordt gegoten. Het heeft de kleur van verdunde melk en ruikt zurig, maar iedereen staat te kijken als ik de beker aan mijn mond zet, zodat ik het als een medicijn in één teug naar binnen giet. Waarop alle omstaanders in hun handen klappen.

- Voor sommige kinderen moet ik de eerste blanke zijn die ze in hun leven zien, want ze rennen krijsend weg als ik voorbijkom. Ik zie een knalgeel T-shirt met de tekst Dierenpark Wassenaar. Hoe is dat hier terechtgekomen? Eén jongetje heeft een broekje aan dat voornamelijk uit gaten bestaat, zijn billen en piemel zijn bloot. Die hele armoedige bende loopt met ons mee, ze proberen me aan te raken, roepen me dingen toe. Ik begin me onbehaaglijk te voelen onder al die aandacht. Hoe kan ik naar hen kijken als ik zelf almaar bekeken word?
 
- Zo weinig niet-Zaïrezen verplaatsen zich op die manier, dat blanken soms automatisch stoppen als ze me zien staan. Aanvankelijk aarzel ik om in te stappen - het is jaren geleden dat ik gelift heb - maar er zijn niet zoveel taxi's, zodat ik gaandeweg dankbaar van die lifts gebruikmaak. Al voel ik me vaak een verrader tegenover de Zaïrezen die in de verzengende hitte moeten blijven staan.

- De deuren van taxi's zijn meestal stuk. Met behulp van een touw moeten ze opengetrokken worden en de chauffeur is de enige die ze weer dicht krijgt. Van sommige taxi's kunnen de ramen niet meer dicht, bij andere niet meer open. Soms kan ik door de gaten in het onderstel de weg zien. Toch heerst er binnen altijd een opgewekte sfeer.

- "En toch zitten de universiteiten vol," zegt hij, "want de Belgen hebben hier een ideaalbeeld achtergelaten van een man in een pak en een das die niet met zijn handen werkt, dus veel Zaïrezen dromen ervan om ambtenaar te worden."

- Het loopt tegen tweeën als we in de discotheek Mayaza belanden. Het begint er net druk te worden. Mario schalt vertrouwd uit de boxen. Hier komen veel ambtenaren met hun deuxième bureau, zoals minnaressen genoemd worden. Hoe rijker een man, hoe meer bureaux hij heeft. Met hun eigen vrouw gaan de meeste Zaïrezen niet uit. Een respectabele vrouw moet thuisblijven.

- Aan tafel verklaar ik dat ik die krokodil wel wil proeven. Papa Bondo lacht. "Weet je het zeker?" Onder algemene hilariteit wordt een stukje op mijn bord geschept. Het is zacht en smaakt naar kalfsvlees. De volgende dag komt mama Bondo, een en al geheimzinnigheid, terug van haar tocht door de brousse. "Ik heb iets voor je meegebracht. Je zei toch dat je alles wilde proeven?" Die middag ga ik voorgoed de annalen van de familie in als ik besluit om ook aap te eten. Naast me krijgt mama Bondo de handjes op een apart bord geserveerd. Het zijn net mensenhandjes en ik kan niet nalaten verstolen te kijken terwijl ze ze opeet. Gelukkig blijft de aanblik van het apehoofd - volgens Dubois een delicatesse in deze streek - me bespaard.

- Ik ben uitgerust voor een tocht vol ontberingen. Flessen water, soldatenkoeken, conserven, een tropenpakket vol pillen, zalfjes en poeders tegen ziektes en ongedierte. Want ik ben een gewaarschuwd reiziger. Terwijl we dwars door de evenaar naar het hart van Afrika varen, zullen platluizen in mijn lakens kruipen en zwarte zwermen muggen zich op me storten, is me voorspeld.

- Kadima vertelt dat er op deze weg tijdens het regenseizoen ooit drie diepe kuilen waren. De chauffeurs moesten maanden wachten voor ze verder konden rijden. Ze bouwden hutten, leefden met de dorpelingen en bedachten zelfs namen voor de kuilen. De kleinste noemden ze Tshombe, de middelgrote Kasavubu, de grootste Mobutu.

- Ineens moet ik denken aan een gesprek dat we op een middag in de auto hadden. "Ik wil je iets vragen," zei hij, "maar je moet me beloven dat je eerlijk zal antwoorden," Ik beloofde het hem.
 "Ben jij wel gelukkig?"
 "Waarom vraag je me zoiets?"
 "Je hebt me gezegd dat je eerlijk zou antwoorden."
 Hij kon zich moeilijk voorstellen dat ik gelukkig was, zei hij, want waarom doolde ik anders zo alleen over de wereld? Waarom lieten mijn ouders me zomaar gaan? Had ik niemand die voor me zorgde? Het was het enige moment tijdens onze reis dat ik dacht dat hij eigenlijk niets van mij begrepen had, dat ik éven voelde hoe verschillend wij waren, maar ik was er gedachteloos overheen gestapt.

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

maandag 26 augustus 2024

Carolijn Visser: Verre reizen

Carolijn Visser: Verre reizen: Verhalen uit de werkelijkheid (Nederland, 1989): 175 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
In "Verre reizen" staan een aantal verhalen over mensen die Carolijn Visser heeft ontmoet in China, Japan, Malawi, Nicaragua en Armenië. Zoals altijd bij Carolijn Visser zijn de verhalen erg onderhoudend en lezen ze prettig.  
 
Citaten:
- Ik bezocht China voor de vijfde keer en weer waren de veranderingen die ik zag bijna te groot om te bevatten. Het land bevindt zich in zo'n enorm snelle omwenteling, als je na een paar maanden ergens terugkeert lijkt er wel een nieuw decor neergezet. Hele straten zijn in de tussentijd afgebroken, torenflats gebouwd, fabrieken geopend, wegen op palen omgelegd.

- Inmiddels was ons gezelschap behoorlijk aangezwollen, met z'n allen pasten we net in de woonkamer. "Nu krijgen we milk-tea," zei Lilly, "Mongolian style." In grote kroezen werd zwarte thee geschonken, daar werden vette boter en gierstkorrels bijgedaan, het drankje smaakte erg zout. "Dit is wat wij drinken op de graslanden," riepen de twee kunstenaars vrolijk.

- Ik was voor het eerst in Amsterdam, voor het eerst in een Chinese toko. Iets later at ik een kom noedels in een donker restaurant op de Zeedijk, vier Chinese mannen zaten aan een tafel bij een vuil raam iets te bekonkelen. Daarna heb ik er altijd van gedroomd naar China te gaan. Dat moest zoiets zijn, stelde ik mij voor, als een veelvoud van die prachtige winkel, van dat geheimzinnige restaurant.

- In Hongkong wordt er geen aandacht geschonken aan de buitenlandse bezoeker, je mag gaan en staan waar je wilt. Er zijn geen speciale hotels voor mensen met ronde ogen zoals in Kanton, Shanghai en Peking. De bezoeker die het kan betalen neemt een suite en laat zich rondrijden in een Rolls Royce. Wie weinig geld heeft kan een kamer krijgen in een gribus met uitzicht op een spelonk.

Carolijn krijgt een lift van een Japanner:
- "I  am salaryman," zei hij, alsof dat niet overduidelijk was. Hij deed de radio aan en er kwam een liedje van Dire Straits uit de luidsprekers. "You like?" vroeg Junji vriendelijk. Ik knikte enthousiast, want ik had al lang geen vertrouwde muziek gehoord. "Which country?" wilde hij toen weten. Zijn ogen lichtten op toen ik zei dat ik uit Nederland kwam. "Holland many Marianne," zei hij. Eerst begreep ik hem niet. Langzaam zei hij toen. "Mariuhana. You smoke?" Ik was verbaasd. Junji was geen doorsnee Japanner. "It is nice to be high," zei hij ...

Carolijn werkt als animeermeisje in een bar in Tokio:
- Tientallen keren hoor ik mezelf antwoord geven op de vragen wat het doel van mijn verblijf in Japan is, hoe lang ik er al ben, hoe lang ik nog denk te blijven, wat mijn indruk van het land is. "Very nice people, beautiful country," zeg ik steevast, want van een bezoeker wordt die mening verwacht. In ruil daarvoor sommen de mannen vervolgens de mooie kanten van Nederland op: de molens, de tulpen, de klompen en de jenever.

In Malawi:
- Het zoontje van de diplomaat en zijn vrouw is naast mij komen zitten, hij draagt een onberispelijk schooluniform. Als ik hem vraag wat voor kinderen bij hem in de klas zitten zegt hij: "Two blacks, de rest is blank." "Toe nou," zegt zijn moeder, "twee Malawianen moet je zeggen." "Toch zijn ze zwart," zegt het jongetje pesterig.

- De Zuidafrikaan rekent af en weigert mij mijn deel te laten betalen. "Je bent nu in Afrika," zegt hij, "zo zijn de regels hier." En dan volgt de voorspelbare vraag: "Wil je iets komen drinken op mijn kamer?"
 Ik denk aan alle waarschuwingen die ik kreeg voordat ik op reis ging. Van mijn huisarts, van vrienden, van de verpleegster bij de GGD die mij vaccinaties gaf. Wat je ook doet, kijk uit met de mannen daar. Vlak voor mijn vertrek had ik een artikel gelezen dat geheel gewijd was aan het feit dat vooral onder Afrikaanse zakenlieden, die veel reizen en veel verschillende vriendinnen hebben, het Aidsvirus wijdverspreid is. De Zuidafrikaan staat boven aan alle lijsten van risicogroepen. "Nee," zeg ik zo luchtig mogelijk, "ik ga maar eens vroeg naar bed."

- In Zuid-Afrika hebben ze zwarte vrienden, zeker. De meubelfabrikant gaat weleens een pilsje drinken met de manager van zijn fabriek, in een café waar het niet zo opvalt als er een zwarte en een blanke samen binnenkomen. "En weet je wat hij verdient, die zwarte manager? Zestienhonderd rand per maand! En wat dacht je dat deze barkeeper verdient, hier in dit land, met een zwarte president aan het roer?" "Geen idee," zeg ik. "Nog geen veertig kwacha per maand, dat is veertig keer zo weinig!" "Heel weinig," stem ik met hem in. Dat bedoelt hij nou! En de bediende in het huis waar ze hier logeren zeurt hen de hele dag aan het hoofd of ze hem alsjeblieft meenemen Down South.

- De Nederlandse arts praat verder op een fluistertoon. "Seks is verschrikkelijk belangrijk hier." Ze zoekt naar de juiste woorden, ze wil niet puriteins of ouderwets klinken. "Er komen weleens mannen naar mijn spreekuur die klagen over een "all over weakness", daarmee bedoelen ze dat ze impotent zijn. Maar wat blijkt als je even doorvraagt: ze gaan elke nacht met een vrouw naar bed! Maar dat is bij lange na niet genoeg. In gesprekken met onvruchtbare vrouwen komt dat ook steeds naar voren: gemiddeld doen ze het drie keer per nacht! Iedereen hier! Wie dat niet kan is ziek, ernstig ziek."
 
- "Eén keer heeft iemand mij hier uitgescholden," zegt ze, "een Malawiaanse hoofdverpleegster. Jij hebt hier alles te vertellen omdat je blank bent, zei ze." De Nederlandse had zich daarna diepbedroefd gevoeld, want het was waar.

In Nicaragua:
- "Wie de kans heeft, vertrekt," verzuchtte ze. Dagelijks kondigden professoren, artsen en ingenieurs in hun buurt en op hun werk aan dat ze naar het buitenland moesten voor een congres, een medische behandeling of familiebezoek. In het gezelschap van hun echtgenote of vaker nog hun minnares gingen ze met een enkele koffer naar het vliegveld. Veel geld namen ze niet mee want van alle dollars moest de herkomst aangetoond worden bij de douane. "Wel dragen de vrouwen al hun gouden sieraden," lachte Gloria somber. Het huis, in een villawijk, bleef achter onder de zorg van een bewaker die een paar maanden loon vooruit betaald had gekregen. Dat feit raakte bekend bij de buren en men ging vermoeden dat de reizigers wel nooit meer zouden terugkomen.

Armenië:
- Waar hij zich wel dagelijks over verwonderde, terwijl hij toch al vele malen eerder in Armenië was, is de corruptie. "Een voorbeeld?" vroeg hij verbaasd, "het leven hier is niets anders dan voorbeelden van corruptie." Hij wees naar een verwarmingsradiator vlak bij het raam. "Toen we hier kwamen wonen wilden we er een radiator bij, maar die zijn nergens te koop. Ritselen, alles moet je hier ritselen." In de gang liet hij zien hoe al hun elektrische apparaten direct op het net zijn aangesloten, buiten de meter om. "Komt er een inspecteur, die zegt: "Zo, u krijgt een boete." Zegt mijn vrouw: "Helemaal niet, als u een boete geeft krijgt u geen dertig roebel." Die man steekt dat bedrag in zijn zak, bij de bovenburen krijgt hij ook wat en over de elektriciteitsrekening wordt niet meer gesproken."

- "Je hebt geen idee hoe achterlijk de Sovjetunie is," zei Robert. "Satik en ik stonden pas in de rij op het postkantoor achter een jonge soldaat die een telegram dicteerde naar huis, ergens in Siberië. "Stuur geld, hier is alles te koop" luidde zijn tekst! Nou ja! Er is in Jerevan niets te krijgen wat ik wil kopen, maar die jongen dacht dat hij in het paradijs was beland. Moet je je voorstellen hoe het in zijn dorp is."

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

woensdag 7 augustus 2024

Ryszard Kapuściński: Ebbenhout

Ryszard Kapuściński: Ebbenhout (Polen, 1998): 306 blz: Vertaald door Gerard Rasch (2000): Uitgeverij de Arbeiderspers 
 

 
Ryszard Kapuściński was een Poolse journalist die gedurende lange tijd in de Derde Wereld verbleef. Hij heeft met name lang rondgereisd door Afrika waar "Ebbenhout" over gaat.
In zijn eigen woorden meed hij de officiële routes, paleizen, prominenten en de grote politiek en gaf er de voorkeur aan met vrachtwagens mee te rijden, met nomaden door de woestijn te trekken en te logeren bij de boeren in de tropische savanne. Hij overleefde een ontmoeting met een cobra, een aanval van malaria en materiaalpech in een vrachtwagen in de zinderende woestijn. Hij schrijft onder meer over de onafhankelijkheid van Ghana, de opkomst van Idi Amin, de burgeroorlog in Rwanda en de hongersnood in Soedan. De twee stukken over Idi Amin en dat over de burgeroorlog in Rwanda zijn allebei vrij kort en van zeer hoge kwaliteit.

Zoals op de achterflap van het boek staat schrijft Ryszard Kapuściński met het inzicht van een historicus, met de stijl van een dichter en met het overwicht van iemand die het zelf allemaal heeft meegemaakt. Er valt volop te citeren uit dit prachtige boek, hieronder een aantal citaten:

- Al op de trap van het vliegtuig wacht ons nog iets dat nieuw is: de geur van de tropen. Door die lucht realiseren we ons onmiddellijk dat we daar op aarde zijn, waar een overdadige, onvermoeibare biologie aan het werk is, die baart, gedijt en bloeit, en tegelijkertijd ziek is, vervalt, vergaat, verrot. Het is de lucht van verhitte lichamen en drogende vis, rottend vlees en gebakken cassave, verse bloemen en zure waterplanten, kortom alles wat zowel aangenaam als irritant is, wat aantrekt en afstoot, lokt en afkeer wekt.

- Een Afrikaan die in de bus stapt, vraagt dan ook nooit wanneer de bus vertrekt. Hij stapt in, gaat op een vrije plaats zitten en hij verzinkt in een toestand waarin hij een groot deel van leven doorbrengt: de toestand van doods wachten.

- Om hun ambtenaren aan te moedigen in de koloniën te gaan werken hadden Londen en Parijs voor de liefhebbers schitterende levensomstandigheden geschapen. Een bescheiden postambtenaartje uit Manchester kreeg na aankomst in Tanzania een villa met tuin en zwembad, auto's, personeel, vakanties in Europa enzovoort. De koloniale bureaucratie kon het er werkelijk van nemen. En nu kregen de bewoners van die koloniën van de ene op de andere dag hun onafhankelijkheid. Gisteren nog arm en vernederd, vandaag uitverkorenen, met een hoge positie en een volle beurs. Door deze koloniale genese van de Afrikaanse staat, waar de Europese ambtenaar boven zijn stand en buiten alle proporties werd betaald en waar het systeem zonder enige vernieuwing door de locals werd overgenomen, werd de strijd om de macht in Afrika direct ongewoon fel en meedogenloos.

- Als je oude kaarten van Afrika bekijkt, dan valt één ding je op: er staan tientallen, honderden namen van havens, steden en nederzettingen aangegeven langs de kustlijnen, terwijl de rest, dat hele onmetelijke gebied, dus negenennegentig procent van het oppervlak van het werelddeel, bijna overal smetteloos wit is, slechts hier en daar door een teken onderbroken.

- De Europeaanse havens waren alleen zuignappen op het organisme van Afrika, de plaatsen waar slaven, goud en ivoor werden uitgevoerd. Alles uitvoeren en wel zo goedkoop mogelijk. Veel van die bruggenhoofden van Europa deden dan ook denken aan de armste buurten van Liverpool of Lissabon. In Luanda, dat Portugees was, hadden de Portugezen in al die vierhonderd jaar nergens een pomp voor drinkwater neergezet of straatverlichting aangebracht.

- Veel mensen in mijn straatje hadden maar één ding. Iemand had een overhemd, iemand een kapmes, iemand, onbekend waarvandaan, een schop. Wie een overhemd heeft kan werk krijgen als nachtwacht (niemand wil een halfnaakte bewaker), wie een kapmes heeft, kan in dienst worden genomen om onkruid te wieden, de man met de schop kan greppels graven.

- Als de soldaten en politiemannen direct, voor we goed en wel zijn gestopt, zonder iets te vragen beginnen te schreeuwen en te slaan, dan betekent dat dat het land zich in de greep van de dictatuur bevindt of er een oorlog woedt; als ze daarentegen met een glimlach op ons toe lopen, ons een hand geven en beleefd zeggen: "U weet vast wel dat we erg weinig verdienen," dan betekent dat dat we door een stabiel en democratisch land rijden, waar vrije verkiezingen worden gehouden en de rechten van de mens worden geëerbiedigd.

- Als iemand naar de wapens grijpt, naar een machete of een automatisch geweer, dan in de eerste plaats om voedsel te roven, om zich vol te eten. Het is een oorlog om een handvol maïs, een kommetje rijst.

- ... de paradox van onze wereld: als we de kosten van transport, personeel, opslag en bewaren van levensmiddelen bij elkaar optellen, dan is de prijs van één maaltijd, gewoonlijk een handvol maïs, voor een vluchteling in een of ander kamp, bijvoorbeeld in Sudan, hoger dan de prijs van een souper in het duurste restaurant van Parijs.

- En nu was daar opeens de plastic kan. Een wonder! Revolutie! Ten eerste is hij betrekkelijk goedkoop (hoewel hij in vele huizen het enige voorwerp van waarde is); hij kost rond de twee dollar. Maar het belangrijkste is zijn geringe gewicht. En ook dat hij er in verschillende groottes is, zodat zelfs een klein kind al een paar liter kan dragen.

- Telkens wanneer er een dictator in Afrika valt, draait het hele onderzoek, al het slaan, martelen om één ding: het nummer van zijn privé-rekening. In de publieke opinie hier is het woord politicus synoniem met chef van een criminele bende die handelt in verdovende middelen en wapens en geld spaart op buitenlandse rekeningen.

- De Afrikaanse markt is één grote hoop van goedkope rommel. Een mijn van prullen en vodden. Bergen afval en kitsch. Er is hier niets van waarde, niets trekt de aandacht, niets wekt bewondering, niets waarvan je denkt: dat wil ik hebben.

       

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.