Posts tonen met het label Interviews. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Interviews. Alle posts tonen

zaterdag 24 augustus 2024

Carolijn Visser & Sasza Malko: "En nog steeds hebben wij twee vaderlanden"

Carolijn Visser & Sasza Malko: "En nog steeds hebben wij twee vaderlanden": Op avontuur in Nederlands-Indië (Nederland, 1988): 163 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
Halverwege de jaren 80 woonden er in bejaardenhuizen en verzorgingstehuizen nog veel oudere mensen die voor de Tweede Wereldoorlog in het toenmalige Nederlands-Indië hadden gewoond en gewerkt. Carolijn Visser en Sasza Malko wilden hun verhalen over de "tempoe doeloe" optekenen voordat het te laat was. 
 
De losse verhalen in ""En nog steeds hebben wij twee vaderlanden"" maakten op mij niet heel veel indruk, maar met zijn allen geven ze een uitstekend tijdsbeeld van hoe het leven was in Nederlands-Indië voor de Tweede Wereldoorlog. In het boek staat niet vermeld hoe de taakverdeling was tussen Carolijn en Sasza. Omdat Carolijns naam als eerste vermeld staat, vermoed ik dat zij verantwoordelijk is voor de uitgeschreven teksten en dat ze samen de interviews hebben gedaan. Of mijn conclusie juist is kunnen alleen de twee auteurs vertellen.
 
Citaten:
- Tijdens onze gesprekken over Nederlands-Indië hebben we vooral gevraagd naar herinneringen aan het straatbeeld, de kleuren, de gerechten, de kleine voorvallen en grote gebeurtenissen die tezamen wat men noemt het "dagelijks leven" vormen.

Een rubberplanter:
- Iedere assistent was verantwoordelijk voor zo'n zevenhonderd hectaren rubberbomen. Daarop werkten de koelies, meestal gecontracteerde Javanen, die voor vijf, zes jaar naar Sumatra kwamen. Ze kregen vrije huisvesting, medische verzorging, twee keer per maand voldoende rijst en olie, bovendien verdienden ze geld. Dat werd twee keer per maand uitbetaald, op hari gadji, de dag van het salaris. Daarna was er een vrije dag, hari besar, de grote dag. De Europeanen kregen verder nog twee vrije zondagen, dus vier vrije dagen per maand.
 
- We  vervoerden ook koelies uit Shanghai, Hongkong en Singapore. Zij gingen op de cultuurondernemingen werken. Dat waren de werkkrachten op Sumatra omdat de bevolking daar er niets voor voelde om dat werk te doen. Ze lieten hun vrouwen een stukje grond bewerken en wat rijst planten. Die mensen zijn het gelukkigst af van de hele wereld. Het is er nooit koud, een huis bouwen ze van bamboe. Ze hadden het goede principe, het heerlijke principe: waarom zou je werken om geld te verdienen? Je werkt alleen als je niet voldoende hebt om in leven te blijven ... Die mensen waren zeer verstandig!
 
Een zoon van een goudbaggeraar:
- Een soort blokhutten waren het, de huizen waar we in woonden. Elk gezin had een vrij grote tuin, met afrastering rondom. We hadden papayabomen, bananen, honderden ananasplanten, pinda's in de grond die we zelf kweekten. Groenten werden wekelijks aangevoerd uit hogere, koudere gebieden, driehonderdvijftig kilometer ver weg. Andere dingen, zoals rijst, bonen, boter in blik en melk haalden we in de bedrijfstoko.
 
- Ik stond ook op de loonlijst van de maatschappij, ik werd wel een beetje betaald. Nou ja, de Nederlander werd in beloning natuurlijk altijd ver boven de Indonesiër gesteld. Als een Nederlandse boekhouder driehonderd gulden in de maand verdiende dan kreeg zijn eerste assistent misschien twintig gulden. Zo'n verschil. Laten we eerlijk zijn: het was zo dat een Nederlander in Indonesië zat om er financieel behoorlijk beter van te worden.
 
- Brood heb ik ook iedere dag zelf gebakken, dat deden alle Europeanen zelf. Je vond het een beetje eng om dat aan de bediende over te laten, ook omdat het zo nauw en precies met gist moest gebeuren. Dat was geen gewone gist maar een kweek, je moest het bijhouden. Bij een stukje deeg van de vorige dag deed je water van gekookte aardappelen en een eetlepel suiker. Als het helemaal mis ging, moest je wat deeg gaan halen bij een van de anderen, of je moest wachten tot de boot kwam.

De echtgenote van een resident:
- Op het eilandje Dammar was een missiefeest. Dat bij de binnenkomst van mijn man met de twee dames de plusminus vijfhonderd aanwezigen opstonden en het Wilhelmus - in het Maleis - begonnen te zingen, was waarlijk indrukwekkend. Zo ver van Nederland ons volkslied te horen.

- Die avond was er een groot feest. We zaten in een kring, ik zat naast de controleur. Toen kwam de vrouw van de radjah naar mij toe met een prachtig blad met alle benodigdheden voor het sirihpruimen. Ik had nog net genoeg tijd om aan de controleur te vragen: wat moet ik nu doen? Hij fluisterde snel: "Aannemen, buigen en teruggeven." Dat heb ik gedaan en toen begreep ze dat je als Nederlander niet pruimde.

De vrouw van een jong echtpaar:
- Ik was zeventien toen ik Kees leerde kennen en daarna werd het helemaal fantastisch. We zaten op dezelfde sportclub en hij was daar de grote voetballer, een echte sportheld. Maar zijn auto, een schitterende Chevrolet two-seater, vond ik in het begin nog leuker dan hemzelf. Stel je voor: ik was de enige in de klas die een vriendje had met een auto en wat voor een auto!

Een HBS-leerlinge:
- In de klas waren we allemaal gelijk, onderwijs was het criterium. Wel hadden de Indonesische kinderen het moeilijk, die leefden in twee werelden. Ik had een vriendinnetje, Asmara, haar vader had in Nederland voor kinderarts gestudeerd. Op school verkeerde ze in een totaal Westerse wereld, thuis waren ze helemaal Indonesisch. Dan verkleedde ze zich in een kebaja en haar vader had alles voor het zeggen.
 
- Op een gegeven moment kwam onze Engelse grootvader logeren. Opa ging met ons naar het zwembad en kwam verslagen thuis. Hij gaf onze moeder een standje, nou! "Weet je dat je dochters daar gemengd zwemmen, en dat daar jongelui zijn met alleen maar een zwembroek aan?" Je moest die zwembroeken van toen zien: van hier tot hier, toch waren we decadent volgens opa. Het was dus een confrontatie tussen een Engelsman en een Pruisische en we moesten zeggen dat de Pruisische het won met haar gezond verstand.

Een vrouwelijke ambtenaar:
- 's Morgens ging mijn vader naar zijn werk toe met een oude tweezits Hillman van voor de Eerste Wereldoorlog. Nog met carbidlampen. De auto moest aangezwengeld worden en mijn moeder moest iets nippelen. Zo bracht vader ons naar school en waren daardoor overal bekend. Later hoorde ik van mensen die halverwege op de weg naar Batavia woonden dat hun moeder altijd riep: vooruit, je moet naar school, de kaaskoppen zijn al langs geweest. De kaaskoppen, dat waren wij. Ik was toen hoogblond en die haren wapperden altijd in de wind als ik achter in wat je noemt de kattebak zat.

- De mensen hier willen altijd weten over de Stille Kracht in Indië. Maar die stille kracht daar is niet anders dan de stille kracht hier, het komt hier precies zo voor. Overal wordt gedaan aan de beïnvloeding van de geest van anderen. Maar ja, op Java werkte de natuur mee. De ongerepte, prachtige, mysterieuze natuur, hier is alles van plastic. Daar was je tussen de bomen, bij de bomen. We hadden een schommel die ging echt hemelhoog. Je ging naar de sawa's om lotusbloemen te plukken op zondagmorgen, je ging naar de kampongs. Tot en met mijn twaalfde heb ik op blote voeten gelopen. Ik stond in contact met de aarde, nu nog loop ik het liefst zonder schoenen, zonder knellende dingen.

Een Chinees:
- Wij in onze familie hadden een andere levenswijze dan de doorsnee Chinezen die in onze wijk woonden. Mijn vader dronk bijvoorbeeld bier en brandy en serveerde allerlei sterke drankjes aan zijn Hollandse relaties, rode wijn aan meneer pastoor. Om succesvol zaken te doen met Europeanen moest je drank serveren en als je er tegen kon meedrinken.

Een vrouwelijke zendingsarts:
- Het waren volkomen gescheiden werelden; je kon heel vervelend zijn tegen je bedienden of je kon heel vriendelijk zijn, maar het waren mensen van wie je heel weinig wist. Om een voorbeeld te noemen: de kwestie van opleiding van Indonesische artsen, die speelde al vanaf het eind van de vorige eeuw. De tegenstand van Nederlandse artsen kunt u zich niet voorstellen. En weet u waarom? Je kunt toch geen Javaanse arts aan het ziekbed van je vrouw vertrouwen, dat was het motief. In 1912 werd dat nog in het artsenblad geschreven, die datum weet ik nog toevallig.

Een missionaris:
- Toch duurde het jaren voordat je leerde hoe je je moest gedragen. Laat ik een sprekend voorbeeld geven: Ik gaf zangles in de meisjesklas bij de zusters. Daarin zat een meisje dat de boel verstoorde en mij gruwelijk irriteerde. Ik ging op z'n Hollands te werk. Ik zei: "Hier!" En ik zette haar in de hoek. Ze zei niks. Veertien dagen later komt mijn was terug, het was gewassen bij de zusters waar dat meisje ook woonde. Alles zag er netjes uit, maar toen ik mijn habijt uitpakte was dat helemaal in repen gesneden. Ik wist meteen dat zij dat gedaan had en dat ik fout was geweest. Je mag nooit iemand publiekelijk laten afgaan.

- ... Aangezien ik in de kampong zou overnachten en ik alle tijd had, heb ik mijn geduld kunnen bewaren. Eerst moest er vergaderd worden. Ook heb ik meermalen hondevlees gegeten, al wist ik het dikwijls niet vanwege de vele kruiden en sterke peper. Maar toen een andere pastoor mijn werk overnam en men hem vroeg of hij graag hondevlees had, voor de Bataks een specialiteit, was zijn antwoord nee. "Maar uw voorganger was er gek op," zeiden zij.

- De Bataks vergeven ons Europeanen veel, indachtig hun spreekwoord: "Ander land, ander gras, ander volk, andere gebruiken".

- Dat Hollanderdom bevatte voor de Bataks toen al wat begeerlijk was: rijkdom, wetenschap, standing, kortom al wat vooruitgang brengt. Toen er op mijn erf een school/kerk werd gebouwd, had een viertal kinderen van nog geen tien jaar hun lijf met kalk vol gesmeerd. Zo kwamen ze bij mij op de pastorie. En wat zongen ze?! Na bontar do hami na mora do hami, nunga maju: "Wij zijn blank, wij zijn rijk, wij zijn welvarend geworden".

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

zondag 5 december 2021

Jan Siebelink: Conversaties

Jan Siebelink: Conversaties (Nederland, 2011): 283 blz: Uitgeverij de Bezige Bij
 
Conversaties
 
Behalve schrijver is Jan Siebelink jarenlang leraar Nederlands en Frans geweest op middelbare scholen. "Conversaties" is een gecombineerde heruitgave van eerdere boeken van Jan Siebelink (De reptielse geest, 1981) en (De prins van nachtelijk Parijs, 1985) samen met een aantal losse essays die in het weekblad Haagse Post en later HP/De Tijd zijn verschenen. "Conversaties" bevat interviews van Jan Siebelink met en vooral essays over zo'n 20 Franse schrijvers en één Amerikaanse schrijver (James Purdy).
 
Het is te lezen dat Siebelink niet in de eerste plaats criticus is, maar schrijver. Zijn interviews en essays zijn zeer onderhoudend om te lezen. Van de 20 besproken schrijvers heb ik alleen boeken gelezen van Marcel Proust, Edmond en Jules de Goncourt, Andre Gide en Milan Kundera. Vooral de essays over Proust en de broers Goncourt heb ik aandachtig gelezen, maar eigenlijk heb ik alle stukken met plezier gelezen. Ik heb erg veel geciteerd uit "Conversaties".
 
Ik vind "Conversaties" een erg interessant boek, eigenlijk las ik dit met veel meer plezier dan "Knielen op een bed violen" waarmee Siebelink beroemd is geworden. Het boek is één van de beste voorbeelden van literaire kritiek dat ik ken.
 
Citaten:
J.-K. Huysmans:
Dit zegt Esseintes (de hoofdpersoon uit "Tegen de keer" van Huysmans) over de dienstplicht:
- Onder het mom van vrijheid en vooruitgang had de maatschappij weer een ander middel ontdekt om het ellendige lot van de mens nog beroerder te maken: deze rukte iemand los uit zijn vertrouwde omgeving, stak hem in een belachelijk kostuum, gaf hem speciale wapens in de hand en onderwierp hem aan dezelfde geestdodende slavernij waaruit men vroeger de negers had bevrijd.

Marcel Proust:
- Het leven is te kort en Proust is te lang. Soms, 's nachts, bij slapeloosheid, keek ik met een zeker schuldgevoel naar mijn boekenkast. Wars van Proust! Of had dat soms ook te maken met de vermaledijde onthechting die al een rol ging spelen? Ik zag het ook zo sterk bij mijn ouder wordende hond. Tot voor kort, in de auto, blafte hij naar iedere soortgenoot. Nu kijkt hij ze slechts na, vaag geïnteresseerd, en ik zie hem denken: wat koop ik voor al dat geblaf?
 
- In 1886 - Proust, vijftien jaar oud, zit op het Parijse lyceum Condorcet - krijgt de klas een vragenlijst voorgelegd. Bij de vraag: "Wat is het vreselijkste wat je kan overkomen?" antwoordde hij: "Van mamma gescheiden zijn." Als zijn moeder in 1905 op zesenvijftigjarige leeftijd sterft, bekent hij dat zijn leven alle doel heeft verloren.
 Proust is dan vierendertig jaar. Twee maanden verblijft hij in een psychiatrische kliniek.
 Wanneer hij daaruit komt, besluit hij het ouderlijk huis in de rue de Courcelles te verlaten. Vrienden gaan op pad om voor hem een appartement te zoeken: zonder stof, pollen, lawaai. Hij koopt het appartement aan de boulevard Haussmann. Stof, een hels kabaal en bloeiende bomen.
 Waarom? Zijn oom van moederskant heeft daar altijd gewoond en is net gestorven. Proust ging er vaak met zijn moeder dineren. Hij kan niet wonen in een huis dat zij niet heeft gekend.
 
- Dat geromantiseerde essay Contre Sainte-Beuve valt de beroemde methode van de criticus aan die gelooft dat het werk van een schrijver voor alles een afspiegeling is van zijn leven en uit dat leven kan worden verklaard. Proust gelooft dat het schrijven complexer is, dat een roman het product is van een "andere ik" dan degene die wij tonen in het dagelijkse leven. 

James Purdy:
- Er is een tijd geweest dat er mensen waren die zeiden: "Dit is een mooi boek. Ik geef het uit." Nu wordt door anonieme commissies, na diepgaand marktonderzoek, beslist of een boek zal worden uitgegeven.

- Ik ben geen schrijver van commercieel kaliber. Dan heb je het in dit land erg moeilijk. Geen geld hebben of geen geld opleveren is degoutant, is bijna amoreel.

- Als men mij vraagt waarom ik schrijf, antwoord ik: voor mijzelf. Elke dag ga ik opnieuw achter de schrijftafel zitten. Als ik dat niet doe, ben ik ongelukkig. Als ik schrijf, ben ik iets minder ongelukkig. Ik schrijf alleen voor mijzelf.

- Literatuur wordt pas interessant door de verrassende uitwerking van een onderwerp, niet door het onderwerp zelf.

E.M. Cioran:
- God is een ziekte waarvan we dachten dat we genezen waren, omdat in deze tijd niemand er meer aan doodgaat.

- Hoe blasé de mens ook is, hij is het nooit voor complimenten.

- De bronnen van een schrijver zijn zijn schaamtes. Degene die er geen ontdekt in zichzelf of er zich aan onttrekt, is gedoemd tot plagiaat of literaire kritiek.

- Beckett: Elke boodschap verstikt de literatuur.

- Er is ellende die verzacht kan worden. Maar terwijl ik dit zeg, weet ik ook zeker dat onrecht eeuwig deel uitmaakt van het leven.

- Geluk is in de stad zijn, lopen zonder enig doel.

Edmond en Jules de Goncourt:
- Hun historische studies, zoals La femme au XVIIIe siècle, berustten op een heel nieuwe opvatting van de geschiedschrijving. Om een zo levendig en echt mogelijk portret van de vrouw in die periode te schetsen, plozen ze minutieus tijdschriften en correspondenties van die tijd na, op jacht naar de kleine dingen uit het dagelijks bestaan: menukaarten, prijzen van het voedsel, kledingvoorschriften en de kletspraatjes. Alles werd keurig op fiches gezet.

- De Goncourts waren estheten. Kunst was heilig. Ook waren ze sterk antiklerikaal en geloofden ze dat in alle culturen de hoogste klassen altijd ongelovig zijn geweest. Religie is troost voor de armen.
 
Over de Prix de Goncourt (de belangrijkste literaire prijs van Frankrijk):
- ... bedacht Edmond op eenzame momenten het plan van de Académie, die hun naam moest dragen en de herinnering aan hun gemeenschappelijke bijdrage aan de Franse literatuur moest vereeuwigen door jaarlijks aan een jonge romancier een literaire prijs toe te kennen. ...
 Drie jaar voor zijn dood begon Edmond vaste plannen te maken voor zijn nalatenschap. Het hele fortuin moest worden ondergebracht in de Académie Goncourt, die uit tien auteurs zou bestaan. Behalve het toekennen van de prijs had zij tot taak om de onuitgegeven delen Journal te publiceren en de uit kiesheid weggelaten notities uit de eerste delen weer in te voegen.

Julien Green:
- Wat wel waar is: de roman is een monstrueus genre, zeer hybride, omdat hij eigenlijk alle genres in zich heeft. De roman is documentatie, poëzie, filosofie, theater én verhaal. Maar om het laatste gaat het. In een roman moet iets gebeuren, een roman waarin niets gebeurt, is leeg, verdient niet de naam van roman.

De literaire criticus van de Figaro schetst dit portret van Green:
- Hij is een van die tamelijk gefortuneerde mannen, in de dubbele betekenis van het woord, die hun leven naar eigen inzicht kunnen indelen: enkele welgekozen vrienden, een immense bibliotheek, een redelijke dosis werelds vermaak, de genietingen van muziek en schilderkunst en de gave om het ontastbare moment te savoureren.

Max Jacob:
- Je hebt twee personen nodig om één mens te maken; een die binnen in je leeft en een die zich naar buiten kenbaar maakt zoals de anderen dat willen.

Stéphane Mallarmé:
- Je maakt een gedicht niet met ideeën, maar met woorden.

Roger Vailland:
Uitspraak van Jan Siebelink:
- Het is het lot van krantenartikelen om warm te worden genuttigd en dan te worden vergeten.

Arthur Rimbaud:
- Rimbaud heeft in zijn poëzie en in zijn brieven de christelijke god altijd ontkend. Het is waar, het verhaal gaat dat Isabelle hem vlak voor de dood heeft horen zeggen, toen zij hem het crucifix voorhield: "Ja, ik geloof ..." Een bekering op het nippertje dus, een bekering in extremis. Gedachte die mijzelf altijd buitengewoon heeft aangesproken: een leven lang een aangenaam, maar hoogst zondig leven lijden en je enkele seconden voor je dood bekeren, zodat je de hemel deelachtig wordt.
 
      
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

maandag 17 augustus 2020

Dvd: Zeeman met schrijvers en boeken

Zeeman met schrijvers en boeken: Een herinnering aan Michael Zeeman (Nederland, 1996-2001, deze dvd 2010): 180 min: Regisseur Antoinette Grote Gansey

Totdat ik gisteren en vandaag deze dvd bekeek, had ik nog nooit wat van Michael Zeeman op televisie gezien of van hem gelezen. De reden daarvoor is eenvoudig dat ik de laatste 25 jaar vrijwel nooit televisie heb gekeken of een krant heb gelezen. Wel heb ik zijn dikke bundel "Aan mijn voormalig vaderland" nog in de kast staan, aangeschaft na het lezen van de enthousiaste bespreking van Koen.

"Zeeman met schrijvers en boeken" bestaat uit 12 stukken. De eerste 8 zijn delen van uitzendingen van "Zeeman met boeken" waarin door een panel van 4 personen steeds één boek wordt besproken. De andere 4 stukken zijn (delen van) gesprekken met de schrijvers Orhan Pamuk, Esther Freund, V.S. Naipaul en Philip Roth.

Zeven jaar lang heeft Michael Zeeman "Zeeman met boeken" gepresenteerd. Maandelijks besprak hij daarin met een panel van 4 personen (hemzelf meegerekend) een aantal nieuw verschenen boeken. Voor ieder boek namen ze ongeveer 10 minuten de tijd.

Over "Zeeman met boeken"  ben ik niet heel erg enthousiast. De discussies kabbelen een beetje voort, soms zitten twee mensen door elkaar heen te praten wat gelukkig niet heel vaak voorkomt. Het informatiegehalte vind ik vrij laag en de amusementswaarde nihil. Wat wel leuk is om te kijken hoe de presentator en zijn gasten eruit zien en hoe ze gekleed zijn en hoe ze praten. Ik heb geen enkele behoefte om meer van "Zeeman met boeken" te zien.

Voor zijn gesprekken met bekende schrijvers ligt dat gelukkig anders. Te beoordelen naar de gekozen fragmenten was Michael Zeeman een goed interviewer. Hij laat blijken het werk van diegene die hij interviewt goed te kennen, stelt de juiste vragen en laat vooral de ander zijn of haar verhaal vertellen. De vergelijking met Adriaan van Dis dringt zich op. Michael Zeeman had niet de grote persoonlijke charme die Adriaan van Dis had, maar hij is wel vriendelijk en is een goede interviewer.

  

Zeeman met boeken: **
Interviews met schrijvers: ****

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.