maandag 30 september 2024

Carolijn Visser: Een tuin in de tropen

Carolijn Visser: Een tuin in de tropen (Nederland, 2005): 62 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
In "Een tuin in de tropen" wordt beschreven hoe een vrouw van in de vijftig terugkeert naar Costa Rica waar ze vroeger een aantal jaren heeft gewoond met haar toenmalige echtgenoot. Ze kan zich herinneren hoe ze daar een enorme tuin had waar ze van alles liet groeien.

Je zou het boekje kunnen afdoen als een slap verhaaltje. Inhoudelijk is het inderdaad misschien niet zo bijzonder, maar de ingetogen trefzekere stijl maakt het tot een novelle die zeer prettig is om te lezen. Heel anders dan de andere boeken van Carolijn Visser maar zeker de moeite waard.
 
Citaten:
- Het was nog donker toen ik wakker schrok van een schorre stem. "Estoy aqui! Estoy aqui! Ik ben hier!" Ik knipte het licht naast mijn hoofd aan, maar er was niemand in mijn kamer. Buiten voor het raam werd geroepen, ik kon de aftershave van een man ruiken. Luiken werden opengetrokken, vrachtwagens draaiden de straat in.
 Ik stond op en zag in de bundel van een koplamp hoe jonge mannen dozen en kratten uitlaadden. Het was marktdag vandaag. Of misschien was het hier wel altijd markt.

- Mijn man, mijn twee zoons en onze voortdurend wisselende knechten hadden altijd zoveel honger dat die niet te stillen leek. Ik gaf ze rijst en bonen, maar ook zelf gekweekte groenten. Vijf verschillende soorten hete pepers had ik in de tuin staan, uien, paprika's, avocado's. Ik koesterde mijn moestuin. Fruitbomen had ik ook, bananen, mango's en papaya's met hun stammen en bladeren van fluweel.

- Ik had geen spijt dat ik hem verlaten had. Maar het tropische schiereiland waar we hadden gewoond was de afgelopen tien jaar geen dag uit mijn gedachten geweest. Zou het waar zijn dat je meer kunt houden van een bepaalde plek dan van een man?

- In Australië had ik bijna een jaar lang met Bruce in een eenzaam huis vlak bij zee gewoond. Ik bracht mijn dagen door zoals op de finca met wassen, koken en mijn groentetuin. Bruce had me geholpen die aan te leggen. In het midden een hoog bed met verschillende soorten sla, komkommers en pompoenen. Daaromheen kleinere bedden met kruiden, en een heleboel verschillende pepertjes. Daar maakte ik sambal van die ik op een wekelijkse markt verkocht.

- Volgens Marcus hadden computers één groot voordeel. Als je geen trek in ze had, kon je de stekker eruit trekken. Was dat bij mensen ook maar zo!

- Ik dacht dat hij wel los zou komen als ik geduldig wachtte en veel voor hem overhad. Want mensen zijn net planten volgens mij, je hebt er die overal gedijen en geen zorg nodig hebben: paardenbloemen zeg maar. Een man als Bruce was meer een cactus, die bloeit alleen onder bijzondere omstandigheden. Maar als je steeds maar aandacht geeft en je ziet niet eens een knop ontstaan, word je moedeloos.

Patrick:
- "En bij volle maan ga ik op krokodillenjacht." In zijn tuin had hij een kajak liggen waarmee hij bij springtij de rivier op voer. De krokodillen dreven daar rond in zulke aantallen dat je ze voor het uitzoeken had. Als hij er een geschoten had, legde hij hem over de punt van zijn kajak en zo peddelde hij naar huis. De volgende dag stond er krokodil op het menu van het plaatselijke restaurant.

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

zondag 29 september 2024

Carolijn Visser: Vroeger was de toekomst beter

Carolijn Visser: Vroeger was de toekomst beter (Nederland, 2004): 314 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
In "Vroeger was de toekomst beter" staan een aantal verhalen die gepubliceerd werden in de NRC of in een weekblad, maar nog niet eerder in boekvorm.

Carolijn Visser publiceerde haar eerste verhaal, over haar werk in een chocoladefabriek, in het Zaterdags bijvoegsel van het NRC Handelsblad in 1975, op 19-jarige leeftijd.

Haar verhalen gaan over tal van onderwerpen: Surinamers in Nederland, over haar klasgenoten van het Atheneum, over een Britse anarchist, over een Deen die 5 jaar in Amerika heeft rondgereisd, over Turken in Amsterdam, over gemengde huwelijken en ook een aantal verhalen over de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en China.
 
Citaten:
- De baan in een chocoladefabriek vond ik door een advertentie: "Meisjes gevraagd voor licht inpakwerk, gezellige werkkring".
 Eerst heb ik opgebeld, maar het was beter wanneer ik even langskwam. De hele buurt rond de fabriek rook naar chocolade. De bedrijfsleider vroeg me te gaan zitten in een fauteuil die speciaal voor zulke gelegenheden was aangeschaft. Hij vroeg naar mijn opleiding en mijn ervaring met ander werk. Ik heb gezegd, en dat heb ik de hele tijd dat ik daar werkte volgehouden, dat ik lagere school en daarna twee jaar huishoudschool had. Ik was bang dat hij mij, wanneer ik zou zeggen dat ik atheneum had gedaan, misschien niet zou aannemen. Bovendien zou er dan zeker een grote afstand zijn tussen mij en de andere meisjes uit de fabriek. Nooit zouden ze me vertrouwen, misschien zelfs nooit met me praten.
 Ik was achttien. Studeren wilde ik niet. Ik had er geen zin in van het ene beschermde wereldje naar het andere te stappen. Het leek me zinvoller te gaan werken in een fabriek om eens te zien hoe dat was.
 
Surinamers in Zeeland:
- Altijd die opmerkingen over de WW en Surinamers die toch niet willen werken: "Dat is niet waar. Alle mensen die hier zitten zouden niets liever doen. Alleen één keer hebben we een jongen gehad die meteen na z'n aankomst een uitkering opeiste. Hij zei dat hij geleden had onder driehonderd jaar slavernij, honderd jaar kolonialisme, en vijfentwintig jaar wanbeleid van de Surinaamse regering. Toen heb ik gezegd: "Je bent nog maar zesentwintig, dus die paar honderd jaar slavernij zullen wel meevallen.""

- Nu studeert hij wiskunde in Utrecht. "Ik las pas in de krant," zegt Kees, "dat een socioloog na een langdurig onderzoek vaststelde: "Als het regent blijven de mensen thuis." Kijk, om zoiets uit te vinden hoef ik geen jaren te studeren. Mijn vak is logisch ..."

Jacob Holdt ontdekt Amerika:
- Het is weleens gebeurd dat ik 's morgens een ontbijt kreeg van Jehova's getuigen, 's middags op mijn knieën lag te bidden met de boeddhisten en 's avonds in een moskee sliep.

- "Wanneer je bang, achterdochtig of onecht bent komen de slechtste kanten van andere mensen naar boven. als je eerlijk bent behandelt iedereen je goed, dat is eigenlijk mijn enige filosofie."

- Ik: "Robert Long heeft in de Volkskrant gezegd dat je als  homoseksueel per definitie niet bij een kerk moet horen omdat homo's daar al eeuwenlang veroordeeld worden."

De jonge partijlozen:
- "Veel jonge leraren bij ons op school zijn van die flowerpowerfiguren. Ze leven nog steeds in de Maagdenhuisdroom. Ze branden wat na in de klas, straks zijn ze uitgeblust. Ondertussen zitten wij ermee."

- Arnout Visser: "De oudere leraren gaan nog wel. Die houden hun eigen mening er tenminste buiten. Maar bij die jonge leraren is alle redelijkheid zoek." Jolanka: "Ze dringen het je zo op. We krijgen altijd dezelfde teksten voor onze neus." Arnout: "Vóór ontwikkelingshulp, tégen gevangenisstraf, tégen discriminatie." Jürgen: "Vóór communes. Volgens mij zijn die er al helemaal niet meer. Bovendien wil ik gewoon mijn eigen spullen hebben."
 
- Over een paar weken krijgen ze hun havo-einddiploma, als ze tenminste slagen. Daarna gaan ze "studeren voor de WW als die dan tenminste nog niet op is".

Het missiehuis:
- Wij sluipen onze slaapzaal binnen en kruipen in de krakende bedden. De evangelistische vrouwen hebben een klein boekje op ons hoofdkussen gelegd met hun boodschap erin. De allerdikste zegt giechelend onder de dekens: "Jesus is like Coca-Cola, he's the real thing."
 
- Op een zondagavond om halfnegen sta ik op het station van Amersfoort te wachten op de trein naar Moskou. Ik heb uitzicht op een automatiek. In kleine hokjes liggen kroketten eenzaam op een rij Hollands te wezen.
 
De Transsiberië-Express:
- Over het landschap dat onderweg te zien is had ik ook geen romantische voorstelling meer nadat ik het Siberisch dagboek van Karel van het Reve gelezen had. Siberië is de Veluwe in het groot, schrijft hij.
 Maar toch, zoals zoveel mensen had ik me voorgenomen om eens in mijn leven per trein dwars door de Sovjet-Unie heen te rijden. Op mijn vijftiende maakte ik dat plan. Een vriendinnetje van mij was er ook enthousiast voor. Maar zij was ondertussen antroposofe geworden en als ze een treinreis maakte, was dat van de ene biologisch-dynamische boerderij naar de andere. Er zat dus niets anders op dan alleen te gaan.
 
De Russische tekenaar:
- "Ik ben een satiricus," zegt Sysojev, "geen analyticus. En ik heb geen zin om te doen wat er nu van mij verwacht wordt: de draak steken met Brezjnev en Gorbatsjov steunen. Als satiricus ben ik per definitie tegen de huidige situatie en dat maakt mij natuurlijk niet geliefd. ..."

Pionieren in China:
- "Onderhandelen met de Chinezen duurt gewoon verschrikkelijk lang. Het contract waar ik eindelijk mee kon komen, werd weer helemaal opnieuw doorgekauwd. Toen heb ik op een gegeven moment gezegd - en zo'n moment moet je natuurlijk wel goed kiezen: ik steek nu mijn laatste sigaar op en jullie weten inmiddels hoeveel ik van sigaren hou; als deze op is, ga ik naar huis, nieuwe kopen. Binnen een paar minuten stond er toen zo'n mooie, rode stempel onder het contract."

- Een eindje verderop, in een donkere steeg, hebben mensen van het platteland hun waren uitgestald: kippen, ganzen, padden, krabben, gedroogde paddestoelen, lotuswortels en minuscule visjes. Het is een vreemde gedachte dat het voor sommige boeren tien jaar geleden onmogelijk was om aan olie te komen, of zeep, of lucifers, omdat elke vorm van handel kapitalistisch was en daarom verboden.

- Het verbaast mij dat ze het zo zien. Vorig jaar had elke student die ik sprak op het Plein veel goede woorden over voor wat er gebeurde in de Sovjet-Unie. Ik herinner me een discussie, precies een jaar geleden, op het Tiananmenplein tussen een Russische toerist en een Chinese student. Iedereen was op dat moment in afwachting van de komst van Gorbatsjov. "Woorden, woorden," zei de Rus over zijn eigen president. "Maar in onze winkels is niets te krijgen." "Jullie hebben perestrojka," zei de Chinees, "wij hebben geen politieke vrijheid."
 De bakens lijken nu verzet. Ik ben sinds tien dagen in China, maar ik heb nog niemand gevonden die Gorbatsjov als leidend voorbeeld ziet.

Hongqi:
- "We waren in een Oostenrijks dorp waar mannen aan het vissen waren in een riviertje. "Zit hier dan vis?" vroeg ik verbaasd, want in China zouden de boeren het met netten en dynamiet al lang leeggehaald hebben." Er was hem uitgelegd dat geen enkele hengelaar meer dan zeven forellen per dag mocht binnenhalen. "Dat vond ik het meest bijzondere van Europa," formuleert Hongqi bedachtzaam. "Er zijn regels waarop het onmogelijk is om toe te zien, en toch houden de mensen zich eraan. 's Nachts als er niemand anders op de weg is, stoppen ze toch voor een rood licht." Xiao Mai schudde ongelovig het hoofd. "Aan zulke zelfdiscipline ontbreekt het bij Chinezen," vervolgde Hongqi. "Daarom is het belangrijk dat de Chinese autoriteiten streng zijn. Control, in China we need strict control," besluit hij ernstig.

- "Wat is alles veranderd," zeg ik tegen Hongqi. "Iedereen ziet er tegenwoordig anders uit. De Cantonese jeugd is niet meer te onderscheiden van die in Hongkong." Hongqi lacht tevreden. We gaan winkel in, winkel uit om kleding, cd's en schoenen te bekijken. Ook al is het tien uur geweest, alle deuren zijn nog open, alle winkels worden fel verlicht. "Alles is er," stelt Hongqi tevreden vast. "Je ziet dat we nu een beter leven hebben." "Ja," beaam ik, "jullie kunnen veel spullen kopen, maar wordt een mens daar gelukkig van?" Hongqi lacht, hij merkt de calvinistische ondertoon in mijn vraag niet op. "Ja," zegt hij beslist, "daar ben ik van overtuigd."

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

zaterdag 28 september 2024

Voor of tegen de doodstraf?

Er wordt mij regelmatig gevraagd of ik voor of tegen de doodstraf ben. Vroeger antwoordde ik altijd dat ik tegen de doodstraf was. Inmiddels ben ik er iets anders tegenaan gaan kijken. Sommige mensen hebben zich werkelijk zo misdragen dat er voor mijn gevoel, en niet te vergeten mijn verstand, geen betere oplossing is dan de doodstraf. Wat te denken van mensen als: Anders Behring Breivik, Marc Dutroux, Saddam Hoessein, Willem Holleeder, Radovan Karadžić, Slobodan Milošević en Vladimir Poetin, die meervoudige moorden plegen, opdracht geven tot het voeren van oorlogen of die onschuldige kinderen doodschieten. Als je zulke mensen levenslang geeft, dan kost dat de maatschappij een kapitaal (gauw een paar honderdduizend euro per persoon per jaar), wat men in mijn ogen veel beter kan besteden aan het helpen van hun slachtoffers.

Ik ben dus voor de doodstraf, maar alleen voor de echte onmensen. Tegelijkertijd ben ik blij dat ik in een land woon waar de doodstraf niet wordt toegepast.

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

dinsdag 24 september 2024

Carolijn Visser: Tibetaanse perziken

Carolijn Visser: Tibetaanse perziken (Nederland, 2003): 300 blz: Uitgeverij Augustus

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ik kreeg in 2003 voor mijn 37e verjaardag "Tibetaanse perziken" cadeau. Ik las het enige tijd later voor de eerste keer. In 2016 las ik het opnieuw en schreef ik een bespreking voor mijn blog. Nu heb ik het voor de derde keer gelezen en mijn bespreking uit 2016 vrijwel ongewijzigd overgenomen.
 
Vanaf 2000 tot 2002 maakte Carolijn Visser 3 reizen naar Tibet.

In haar jeugd had Carolijn Visser gelezen over de Zeeuwse wereldreiziger Samuel van der Putte die in 1730 in Tibet was geweest. Van hem was bijna niets bewaard gebleven behalve een getekend landkaartje waarop een gebied ten oosten van Lhasa staat.

Tijdens een tocht naar een klooster ontmoet Carolijn een Tibetaanse: Dolma. In eerste instantie is Carolijn huiverig om contact te leggen (Iedereen kan een spion voor de Chinezen zijn), maar als zij even later op huisbezoek gaat bij Dolma sluiten de twee vrouwen al snel vriendschap. Samen met Dolma verkent ze Lhasa, ze komt onder meer in een discotheek terecht.

Dolma heeft ook Thomas ontmoet: een Duitse jongen van 28 die vloeiend Tibetaans spreekt. Samen met deze Thomas maakt Carolijn een reis naar het oosten van Tibet.

Op een volgende tocht reist Carolijn naar India af waar ze een klooster bezoekt waar de broer van Dolma zou wonen. Ook bezoekt ze Dharamsala, de residentie van de Dalai Lama, en brengt ze een bezoek aan een Tibetaans hotel in New Delhi.

Vervolgens maakt Carolijn met Dolma een reis naar China, naar Chengdu, naar een klooster. Aan het einde van het boek bezoekt ze ook nog een Chinese boeddhiste in Peking.

Enige citaten:

- Een jonge vrouw in spijkerbroek bleef voor me stilstaan. "Where are you from?" vroeg ze. Ik schrok ervan. Deze ochtend hadden verschillende Tibetanen me vriendelijk toegeknikt, maar niemand, kreeg ik de indruk, sprak een woord Engels. "My name is Dolma," vervolgde ze vriendelijk lachend.

- Gedurende de weken dat Thomas hier logeerde had hij tientallen verschillende kamergenoten gehad: Japanners, Nederlanders, Amerikanen. Na een paar dagen vertrokken ze meestal weer, hij bleef. "Lhasa voldoet niet aan hun verwachtingen," constateerde hij. "Ze komen met een romantisch idee in hun hoofd en willen onbedorven Tibetanen ontmoeten die de hele dag bidden en in nomadententen wonen. Als ze een monnik zien met een mobiele telefoon zijn ze teleurgesteld. "

- "Wat vindt Tsering Wonden van het weer?" riep ik. Thomas haalde zijn schouders op; geen vraag die hij wilde vertalen, begreep ik. "Tibetanen hebben geen mening over het weer," riep hij terug. "Het weer is er gewoon."

-  Ik vroeg welk dier hij het meest waardeerde: het paard of de jak. Tsering Dzamdul vond het moeilijk te kiezen. "Ze zijn allebei heel belangrijk voor ons, het ligt eraan wat je wilt doen." "Jaks gedragen zich erg schrikachtig," zei ik. "Het lijken mij lastige dieren." Dat was Tsering Dzamdul helemaal niet met me eens. "Ze hebben een erg goed hart," zei hij beslist. "Je moet alleen niet proberen om met één jak op stap te gaan." "Hoezo niet?" vroeg ik verbaasd. "Een jak wil niets alleen doen. Je moet er minstens twee bij elkaar hebben, anders verzetten ze geen stap." "Merkwaardig," zei ik. "Helemaal niet," verdedigde Tsering Dzamdul zijn dieren. "Ze houden van gezelschap, zo zijn ze nu eenmaal."

- Fred zocht een nieuwe cd uit en draaide het volume hoger: Bruce Springsteen. "Niet slecht." Hij zette een fles Qingtao voor me neer en begon een Samson-shagje te draaien. "Gisteren en vandaag een paar groepen die lange rondreizen hadden gemaakt. Tempelmoe zijn ze dan. En de noedelsoep komt ze de neus uit. Dus dan willen ze hier bijkomen met Cubaanse muziek en kipsaté met pindasaus."

- De beoefenaars van het boeddhisme interesseerden mij, de leer zelf niet zozeer. Het was als met goudzoekers: goud kon mij niet in vervoering brengen, wel de mensen die er koortsachtig naar zoeken.

- "Wij hebben de wereld drie dingen te bieden. Onze vorm van boeddhisme, Tibetaanse kunst en Tibetaanse medicijnen. Dat zijn de drie aspecten van onze cultuur waar buiten ons eigen land vraag naar is."

Carolijn Visser schrijft in onnadrukkelijk proza dat prachtig leest. Ik durf wel te stellen dat ik haar de beste schrijver in het Nederlands vind. Ze is erg ondernemend, gaat voor niemand uit de weg, stelt de juiste vragen en heeft het vermogen om vriendschap te sluiten met vrouwen uit verschillende vreemde culturen. Kortom, het is een genot om haar te lezen en dit boek beschouw ik als een van de hoogtepunten uit haar oeuvre. Warm aanbevolen!

  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

vrijdag 20 september 2024

Carolijn Visser: De hele wereld

Carolijn Visser: De hele wereld: Een reis langs vijf continenten (Nederland, 2003): 476 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
Carolijn Visser heeft "De hele wereld" in de zomer van 2003 samengesteld. Ze heeft daarbij gekozen voor verhalen uit eerdere verhalenbundels van haar en fragmenten uit boeken die een reis naar één land tot onderwerp hebben. Voor wie, zoals ik, alle eerdere boeken van Carolijn Visser heeft gelezen bevat "De hele wereld" vrij weinig nieuws. 
 
Er staan in totaal 12 nieuwe stukken in "De hele wereld", met een gezamenlijke lengte van 62 bladzijden die niet eerder in boekvorm zijn gepubliceerd. Hieronder: haar eerste gepubliceerde stuk over haar leven als studente pedagogiek in Amsterdam, een bezoek aan de metro in Londen, een bezoek met de organisatie "Women Against Pornography" aan een seksbedrijf in New York, een ritje met een bus vol toeristen langs de westelijke Jordaanoever en een bezoek aan een Turks ziekenhuis waar een Deense vriendin van Carolijn met darmproblemen ligt.

Zoals altijd bij Carolijn Visser is "De hele wereld" een zeer onderhoudend boek, misschien wel één van de meest geschikte boeken van Carolijn om mee te beginnen als je nog nooit wat van haar hebt gelezen. Ik geef een aantal citaten uit de inleiding van Reinjan Mulder:

Over haar eerste grote reis, naar Polen, in 1972 toen Carolijn zestien jaar was:
- Tegelijkertijd maakte ze in Polen voor het eerst kennis met een maatschappijvorm die sterk verschilde van de onze, het reëel bestaande socialisme. "Alles was daar anders. Ik was opgegroeid met de koude oorlog, we hadden thuis nog voorraden in de kelder voor als de bom viel, maar hier zag ik zelf de sjofele kantines waar de mensen cichoreikoffie stonden te drinken. Ik maakte kennis met de zwarte markt, zag handige jongens die overal hun voordeel mee deden, en hoorde over mensen met connecties."

Als studente pedagogiek:
- Ik had me van de wetenschap iets anders voorgesteld: geen propaganda, geen afstraffingen van een eigen mening, en geen stroomlijning van iedereen die uit de pas liep.

- Het stuk over de universiteit, hier voor het eerst herdrukt, werd het begin van een lange reeks stukken en boeken die doorloopt tot aan de dag van vandaag. "Ik had nooit gedacht dat schrijven een beroep kon zijn," zegt de schrijfster, "maar na dat tweede stuk dacht ik: dit is het. Het sprak me enorm aan, de vrijheid, de afwisseling, de haast en het directe."

- Toch was de achterpagina van de NRC bereid een serie verhalen te plaatsen nadat ze in haar eentje een reis door China had gemaakt. En die maakten in brede kring indruk. Hadden voor die tijd Nederlanders alleen maar in groepsverband en met officiële tolken de Volksrepubliek bezocht, haar stukken lieten zien hoe het er in werkelijkheid aan toe ging achter de Chinese muur.

- Nog steeds, zegt ze, kost het haar moeite om gebeurtenissen die eenmaal zijn verwoord opnieuw te formuleren in een andere vorm. Als het dik en doorlopend moet, dan maar liever in één keer goed geformuleerd. Dat is ook de reden waarom ze de laatste jaren een aantal boeken heeft geschreven die niet eerst als artikelen werden gepubliceerd: Buigend Bamboe, weer over China, Hoge bomen in Hanoi, over Vietnam, en over Estland Uit het moeras. En onlangs verscheen over Tibet Tibetaanse perziken.
 
- Doordat Carolijn zich overal snel thuis voelt en met heel veel mensen gesprekken aangaat, ziet ze in de vele landen op haar pad vaak meer dan degenen die er al jaren wonen of die er aan de universiteit hun specialisatie van hebben gemaakt.
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

donderdag 19 september 2024

Carolijn Visser: Uit het moeras

Carolijn Visser: Uit het moeras (Nederland, 2000): 287 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
Carolijn Visser ontmoette in 1990 het Estische stel Aavo en Daina in de Trassiberië-Expres onderweg van Bejing naar Moskou. Ze raakten aan de praat en sloten vriendschap. In 1991 reisde Carolijn voor het eerst af naar Estland om Aavo en Daina op te zoeken.

Sinds dat eerste bezoek was Carolijn vaak in Estland. Ze kocht een oude school om daar een hotel van te maken, ze leerde Estisch en ze was er zowel 's zomers als in de koude winter. Ze voelde zich er helemaal thuis. "Uit het moeras" is een geweldig boek!
 
Citaten:
- Aavo zorgde ervoor minstens één keer per week te lunchen in het café tegenover de vleesfabriek van Poldeotsa, in de buurt van Párnu. Tegenwoordig is dat een verlaten bouwval en heeft niemand er meer iets te zoeken, maar toen ging er heel wat om. Arbeiders smokkelden gigantische filets en biefstukken onder hun kleren de poort uit. In de stinkende wc van het café werden ze tevoorschijn gehaald. Zo kocht Aavo tientallen kilo's eersteklas vlees voor een krats. 's Avonds in Tallinn ging dat voor het vijfvoudige van de hand.
 
In de Transsiberië-expres waarin Carolijn, Aavo en Daina ontmoette:
- En wat moesten we met onze eigen bagage? Vooral die van mij was omvangrijk. In Peking had ik een oud, zwartgelakt kastje gekocht waar vroeger een mandarijn zijn drank in vervoerde als hij op dienstreis was. In Shanghai had ik ellenlange lappen zijde aangeschaft en een koker met gouaches van een kunstenaar die ik bewonderde. Al met al een kilo of twintig, drie barstensvolle gestreepte plastic tassen.

- Aavo haalde zijn schouders op en maakte een relativerend gebaar: wat deed het er allemaal toe. "Nu kennen we ook mijn twee halfzusjes," zei hij lachend. Het was inderdaad vermakelijk: hij vond familieleden zoals een ander schelpen op het strand.

Carolijn bij de ambassade van Estland:
- "Heeft u een uitnodiging?" vroeg ze. Nee, legde ik uit, die had me zo snel niet kunnen bereiken, de post werd immers nog steeds via Moskou gestuurd. Er gingen weken overheen voordat een brief uit Estland Nederland bereikte. "Dat gaat allemaal veranderen," beloofde ze vriendelijk. Voor deze keer wilde ze wel een visum geven zonder uitnodiging. "Nr. 212", schreef ze in het stempel.

- Op mijn middelbare school was de Tweede Wereldoorlog het belangrijkste onderwerp van de geschiedenislessen geweest, maar er was met geen woord gerept over het lot van de Baltische staten. Ik kon slechts met twee wapenfeiten schermen: mijn grootvader had me ooit een Estlandse postzegel uit zijn collectie laten zien en als kind had ik in een muntenzaak een zilveren Estlands twee kroon-stuk vast mogen houden. "Dat land bestaat niet meer," had de handelaar gezegd.

- "De Sovjet-Unie hing van diefstal aan elkaar," vatte Aavo samen. "Iedereen stal en als er niets was om te stelen, stal je tijd. Dan kwam je gewoon niet of nauwelijks op je werk."

- In een uniformenfabriek sprongen mensen voor hem en Daina ter begroeting in het gelid. Daarna lieten ze de bontmutsen zien die ze maakten. "Toen hebben ze het mooiste wijf uit de fabriek getrokken en in een bontjas gehesen," vervolgde Rob, "Nerts, bever, weet ik veel, kostte geen fluit. We kregen een hele modeshow. Maar wat moet ik ermee? Als je in Amsterdam zo'n ding aantrekt krijg je zo een emmer verf over je heen." Ik keek zorgelijk naar de muts op mijn schoot. Zou me daar ook zoiets mee overkomen? "Nee, nee," zei Rob beslist. "Het is merkwaardig, maar over een muts windt niemand zich op, ik loop er al dagen mee rond."

- Ik had er altijd al van gedroomd een hotel te beginnen. In Estland het liefst in een Duits herenhuis, maar een oude school was misschien een goed begin.

- Ik trok een plattegrond van de oude school naar me toe. Het zou een hotel kunnen worden, maar ook een feestzaal, de ruimten waren groot genoeg. Ook overwoog ik om er een tijd zelf te gaan wonen. Ik voelde me hier thuis. Estland deed me aan Zeeland denken, de provincie waar ik ben opgegroeid. De zwarte akkers waar aardappelen aan ontworsteld moesten worden, kwamen me vertrouwd voor en dat de zee nooit ver weg was, stelde me gerust.

- Aavo wist dat hij van oneerlijkheid werd beticht en dat maakte hem razend. Hij had vaak uitgelegd dat voor de garage kosten werden gemaakt, zoals voor verwarming, een nachtwaker, een boekhouder. Iedereen dacht nog steeds dat zulke zaken gratis waren, zoals in de sovjettijd. "Waarom laat je hun de boekhouding niet zien?" Aavo zag daar het nut niet van in. "Dan denken ze dat ik er een dubbele boekhouding op na hou."

- ... Esther zag het ook. "Mannen op Hiiuma zijn slechts vier keer per jaar dronken," verzuchtte ze, "elke keer drie maanden achter elkaar."

- Tante Helen bracht een schaal met gerookte ham. Ze zette ingemaakte augurken op tafel, en tomaten met dille uit de tuin. Vello droeg een emmer melk binnen van de koe die in de schuur huisde. Daarna kreeg hij de opdracht eieren te gaan rapen in het kippenhok. De boter op tafel was zelfgekarnd en ook de zachte kaas was door tante Helen zelf gemaakt. "Alleen voor koffie, zout en suiker gaat ze naar Suuremoisa," zei grootmoeder zacht, het dichtstbijzijnde dorp, zes kilometer verderop.

- Buiten blafte Kahru. In de hal klonk gestommel. De deur zwaaide open en Eduard, met een Russische bontmuts op zijn hoofd, stapte binnen. "Kommen Sie," zei hij en wenkte met een enorme arm in een gewatteerde jas, "kommen Sie schnell. Oscar. Schwein." Hij maakte het gebaar van iemand de keel afsnijden. Het duurde even voordat ik zijn bericht begreep: hij ging een varken slachten en ik had ooit gezegd dat ik daar graag getuige van wilde zijn. Maar Oscar was toch het varken dat jaren geleden op tafel had gestaan, gerookt en gepekeld? "Alle Schwein Estland Oscar," bulderde Edu en hij wenkte weer.

- Toen was het grote moment aangebroken. De mannen verdwenen in de stal en sleepten het varken aan een touw naar buiten. De tractor stond al klaar, er werd een touw om de lift geslagen en het varken ging met zijn kop naar beneden de lucht in. Even krijste het dier, toen stak August het een mes in het hart. Eduard snelde toe met een emaillen emmer om het bloed op te vangen, voor de worst. Toen de stroom minder werd vulde hij nog een klein pannetje. Het varken was dood en had zijn gewimperde ogen gesloten. Eduard liep erop af, sloeg zijn armen om het dikke lijf heen en mompelde: "Oscar, Oscar." Het was zo'n intiem gebaar dat ik mijn ogen afwendde. Eduard had maandenlang eten voor het dier gemaakt, elke dag aardappelen voor hem gekookt, steeds gezorgd dat zijn trog vol was. Het varken bood hem nu zijn hammen. Een schuld werd ingelost.

- Daina zweeg even. "Toen ik met Aavo trouwde, was hij inkoper, snabzenets. Dat was een uitstekende baan in de sovjettijd, zoiets als manager bij IBM nu. Vroeger moest alles bij elkaar gescharreld, geruild, met steekpenningen verkregen worden. Aavo was daar heel goed in. Tegenwoordig wordt wat je maar wenst, voor de deur afgeleverd. Niemand heeft meer een snabzenets nodig."

- Daina en haar stiefvader zaten aan een piepklein tafeltje, geklemd tussen het aanrecht en een sovjetgeiser die eruitzag als een raket en een hels kabaal maakte.

- Net als alle andere Esten verbaasden Daina en Aavo zich erover dat het Westen maar hulp bleef geven aan Moskou. De Estlandse president Lennart Meri had daarover in een interview met een Amerikaanse krant gezegd: "Jullie denken dat als je de tijger steeds meer vlees geeft, hij vanzelf vegetarisch wordt."

- Het Estisch, net als het Fins en het Hongaars, staat als moeilijk bekend. Dat vond ik het ook, maar niet zo moeilijk als het Mandarijn-Chinees. Daarin had ik veel lessen gevolgd, met bedroevend weinig resultaat. Estisch ging me beter af. Na verloop van tijd kon ik eenvoudige gesprekjes voeren en mijn boodschappen doen zonder Engels te hoeven gebruiken. In het dorp reageerde iedereen verrast op mijn geringe kennis. "Jij bent hier nog niet zo lang, maar je begrijpt al meer van onze taal dan Russen die hier twintig jaar geleden gekomen zijn," kreeg ik vaak te horen.

- "Hus suvi," zei ik tegen de mensen die ik op weg naar het dorp tegenkwam. "Wat een mooie zomer!" Het nuchtere antwoord dat ik kreeg was iets in de trant van: "Ja, geniet er maar van, want hij is sneller voorbij dan je denkt." In de zomer had iedereen haast. Gedurende die paar maanden moest er veel werk worden verzet. Het hout voor de kachels moest gekliefd en opgestapeld worden in de schuur, de moestuin moest worden bijgehouden, de aardappelen geoogst, het dak gerepareerd, de riolering hersteld, de auto uit elkaar gehaald. En alles moest klaar voordat de eerste koude kwam en het leven weer zou worden lamgelegd. De zomer was de tijd waarin je je wapende tegen de winter.

- Toen ik met Andra frambozen aan het plukken was, zei ze: "We moeten er veel van eten, anders krijgen we van de winter spijt dat we er niet meer gegeten hebben."

 
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

dinsdag 17 september 2024

Carolijn Visser: De kapers van Miskitia

Carolijn Visser: De kapers van Miskitia (Nederland, 1997): 249 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
"De kapers van Miskitia" is het verslag van een lang verblijf van Carolijn en haar Australische echtgenoot Wayne in Nicaragua. Het grootste deel van de tijd verbleven ze tussen de Miskita-indianen die in kleine dorpjes aan de kust leven. Een geweldig reisverslag!
 
Citaten:
- Hotel PEREZ was een blauw houten gebouw aan de ongeplaveide hoofdstraat van Puerto Cabezas. Op de begane grond werd tweedehandskleding uit de Verenigde Staten verkocht; ropa Americana werd dat genoemd. Grauwgewassen hemden, blouses en jurken hingen aan grote rekken binnen in het stoffige halfduister. 's Morgens werden de houten deuren geopend, ramen had de winkel niet. Het hotel was keurig onderhouden en geverfd, maar door die treurige handel beneden kreeg het een armoedig aanzien. Mevrouw Perez had me verteld dat het zinloos was nieuwe spullen aan te bieden, niemand in Puerto Cabezas had geld.

- Onder de toehoorders bevond zich een groot aantal internationalistas, buitenlandse supporters van het sandinistische regime; veel Nederlanders, maar ook Zweden, Duitsers en Amerikanen. Je hoorde ze trots vertellen dat een van de sandinistische kopstukken iets tegen ze had gezegd of dat een of andere commandante hun een lift had aangeboden in zijn militaire jeep. Dat waren gebeurtenissen, kreeg je de indruk, die ze hun hele leven niet zouden vergeten.

- Ik knikte, want ik kende wel meer mensen die leefden met de bijbel. In Puerto Cabezas was ik bevriend geraakt met Peter, uit Californië, en zijn Britse vrouw Emma. Ze woonden vlak bij hotel Perez en waren lid van een evangelische kerk. Er waren meer Amerikaanse evangelisten neergestreken in het stadje. Ik trok met ze op, maar over religie sprak ik niet met ze. Dat was ik van huis uit zo gewend. Mijn ouders hadden geen geloof, maar onze buren, in Zeeland, waren streng in de leer. Op zondag, als wij in bikini in de tuin zaten te zonnen, gingen zij in het zwart gekleed ter kerke, de vrouwen en de meisjes met hoeden op. Op de dag des Heren groetten wij elkaar niet, dat was stilzwijgend zo afgesproken. Die dag brachten wij door op verschillende planeten. Ik vond dat niet erg, 's maandags mocht ik weer bij ze spelen.

- Ook al waren de sandinisten officieel niet meer aan de macht, ze waren nog steeds op hun post. De verschillende instanties waar buitenlandse hulp werd ontvangen en gedistribueerd waren nog immer in handen van vooraanstaande partijleden. Het plaatselijke radiostation Caribe en de enige krant van Puerto, Autonomia, werden geleid door sandinisten. Zo kon je doorgaan: de twee supermarkten waren eigendom van sandinisten, net als het machtigste houtvestersbedrijf, het grootste restaurant, het mooiste café en de vrachtwagens die de verbinding onderhielden met Waspam.
 Er bestond zelfs een speciale term voor deze roverij: de mensen spraken over vóór en na de piñata, Een piñata is een snoepzak die op kinderfeestjes wordt opgehangen. Jongens en meisjes prikken er met stokken gaten in en mogen de zuurtjes die eruit vallen van de grond grabbelen.

- Drinkwater bewaarde ik in aparte flessen, ik had het behandeld met een desinfecterend middel, anders kon je er ziek van worden. In Puerto heersten allerlei soorten darmkwalen. Eigenlijk moest ik het water eerst koken, maar dat was wel heel veel werk.

- Op een zondagochtend was ik naar de markt geweest. Zeven dagen in de week waren daar vrouwen te vinden met manden verse vis. Ik had een paar kilo makreel gekocht en liep terug naar huis. Op de hoek van onze straat stonden twee jongetjes me op te wachten. "Señora," riepen ze opgewonden, "er is iets vreselijks gebeurd, kom kijken, kom kijken," ze draafden voor me uit. Ik kende ze wel, die twee kleine schooiertjes, ze slenterden vaak langs. Bij de poort haalde ik ze in. "Un ladron," een dief, riep de kleinste.

- Het was alsof ik in een ouderwets bruin café in Berlijn of Amsterdam was binnengestapt. Miskito-indianen voelden geen behoefte om sociale problemen in kaart te brengen en daar oplossingen voor te bedenken. Mijn Australische levensgezel evenmin. Het ontbrak ook hem ten enenmale aan dat ijkpunt in de toekomst dat Duitsers en Nederlanders zo duidelijk voor zich zien: een rechtvaardige wereld.

- ... Linda mengde zich in het gesprek. "Daarom mag ik nooit naar de kerk!" Wolfgang lachte: "Welnee, ik zeg alleen altijd: als je iets voor je medemens wilt doen, ga dan eten koken voor de armen." Maar er waren nog een heleboel andere redenen om naar de kerk te gaan, vond Linda. "Als je mensen wilt ontmoeten of een reden zoekt om je op te doffen, ga dan naar de disco," ried Wolfgang.

- "Kom," zei Wolfgang, "het regent niet meer zo hard als eerst." We hadden de bescherming van de hut nauwelijks verlaten of een nieuwe plensbui diende zich aan. "Maakt niet uit." Hij stapte vastberaden de modder in. Ik verdween tot mijn knieën in het moeras. Zouden hier slangen zitten? vroeg ik me af. Ik had gehoord dat slangen altijd de tweede persoon in een rij bijten. Door de eerste passant worden ze verrast, de tweede pakken ze. We kwamen bij het riviertje, dat uit zijn oevers was getreden. Wolfgang stond al tot zijn middel in het water. Hij gebaarde me te volgen. Ik voelde glibberige dingen onder mijn laarzen en speurde de stroom af naar waterslangen.

- De laatste keer dat de jongen met Wolfgang in Puerto was, had hij een meisje ontmoet in de disco, een creoolse. Hij schreef haar in het Engels. "Je bent zo mooi als een slanke cipres," las hij voor. "Hier groeien geen cipressen," corrigeerde Wolfgang hem. "Ze weet niet wat dat is. Maak er maar caoba van, dat is ook een mooie boom." Geconcentreerd bracht de jongen de verbetering aan. "De laatste regels zijn heel mooi," zei hij: "Ik mis je verschrikkelijk. Zonder jou ben ik als een tijger zonder tijgerin, als een auto zonder wielen." Tevreden likte hij de envelop dicht.

- Wayne had met zijn bemanning afgesproken hoe er gehandeld zou worden in geval van een cocaïnevangst; als buitenlandse scheepseigenaar wilde hij absoluut geen drugs aan boord, hij zou voor jaren de gevangenis in draaien. Maar de cocaïne laten drijven was ook gevaarlijk. Hij knikte naar de mannen in de kuip. "Als ik geen toestemming zou geven om het spul mee te nemen, zou ik overboord gaan, met een kogel door mijn hoofd." Daarom was er een compromis gesloten: de cocaïne zou met de Creole Princess onmiddellijk aan land worden gebracht en daar worden verborgen. Later konden de mannen het met een ander schip ophalen.

Carolijn aan het vissen:
- Ik voelde iets bewegen en inspecteerde mijn haak; de garnaal was verdwenen. Joseph legde uit dat ik mijn draad voortdurend gespannen moest houden en onmiddellijk moest handelen als ik iets voelde. Zo hield je contact met je prooi. Een lichte beroering. Ik gaf een ruk en haalde een geelstaart boven. Voor het eerst van mijn leven had ik een vis gevangen. Meedogenloos wrong ik de haak uit zijn bek.

- Op de voorste bank pakten Claudia en Tomás elkaars hand. Hazel wierp me een samenzweerderige blik toe. Wolfgang onderschepte die, hij lachte: "Een mens kan het beste altijd verliefd zijn, dan functioneren we beter." Hazel hief verwonderd haar gezicht. Miskita-vrouwen hebben niet zo'n hoge pet op van de liefde. "Wij houden van een man die ons te eten geeft," had ze me eerder uitgelegd.

- Cristino trok nog maar eens een fles open en stak op luide toon een verhaal af. Verschillende passagiers draaiden zich om en keken me aan. Had hij het over mij? Ik zag angst in de ogen van de domineesvrouw. "Wat zegt hij?" vroeg ik Hazel ongerust. "Dat zal ik je later vertellen," weerde ze af. "Nee," zei ik, "ik wil het nu weten." Hazel zocht naar Engelse woorden. "Hij zegt dat hij verschillende wapens aan boord heeft en jou kan verkrachten en ontvoeren als hij daar zin in heeft." "Wat?" vroeg ik geschokt. Hazel keek peinzend voor zich uit. "Ik weet niet of het waar is van die wapens," zei ze praktisch.

- ... maar onderweg bleef Hazel weer karig met haar vertalingen. Ik schepte moed toen we naast elkaar liepen over een modderig pad en zei: "Zou je me misschien wat vaker kunnen uitleggen waar iedereen het over heeft? Anders sta ik overal zo buiten." Ze keek me verbaasd aan. "Ja, natuurlijk,"zei ze, maar ze deed het niet. Ze vond, geloof ik, dat iedereen alleen hoefde te doen waar hij zin in had. Soms vond ze het leuk om te vertalen, andere momenten deed ze liever iets anders. Dat ik haar betaalde om mijn tolk te zijn, was niet van belang. We waren allemaal gelijk, was haar uitgangspunt.
 
- Ik schommelde in de mahoniehouten stoel, in de ban van de verhalen van de dominee. Hoe was het mogelijk, vroeg ik me af, dat iemand hier op een calvinistische manier orde had willen scheppen? In dit land, waar elk jaar orkanen overheen raasden, waar voortdurend coups dreigden, waar het gewoon was dat een man vijftien kinderen maakte bij zes verschillende vrouwen. Waar iemand rustig vijf dagen aan één stuk dronken kon zijn.
 
 
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

maandag 16 september 2024

Carolijn Visser: Het goud van Bonanza

Carolijn Visser: Het goud van Bonanza (Nederland, 1996): 54 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
"Het goud van Bonanza" is door Carolijn Visser geschreven in opdracht van het CPNB (Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek). De meeste boeken die in opdracht van het CPNB zijn geschreven, zijn op zijn best erg matig. "Het goud van Bonanza", over een bezoek van Carolijn Visser aan een goudmijn in Nicaragua, is uitstekend geschreven. Met een lengte van slechts 50 bladzijden, vind ik het een beter boek dan alle boekenweekgeschenken die ik de laatste 30 jaar heb gelezen.
 
Citaten:
- Een stoet van revolutionaire toeristen trok voorbij aan het Managuaanse adres waar ik dertien jaar geleden logeerde. De Nederlanders in het pension droegen T-shirts waarop "Viva Sandino" stond te lezen. Een kraker uit Tilburg combineerde dat met een camouflagebroek en een stoppelbaard; het grootste compliment dat je hem kon geven was dat hij op Che Guevara leek. 
 In de kamer naast mij woonde een Noorse dichter, in de volgende een punk uit Zürich. Hij werd opgevolgd door een Zweedse feministische fotografe die de kracht van haar revolutionaire zusters kwam vastleggen. Vrijwel alle pensiongasten waren gekomen met een opdracht: er werd dag in dag uit gefilmd, geschreven en gedicht voor het thuisfront, dat niet te verzadigen leek.
 Overal in de stad klonk wapengekletter, de televisie vertoonde voortdurend militaire parades. De juntaleden doorkruisten Managua begeleid door jeeps vol bewapende soldaten. Ook op de universiteit hing een militaire sfeer. De studenten leerden marcheren en op de campus stond een metalen beeld dat een man met een machinegeweer voorstelde. Ik zag een Amsterdamse haar hand op zijn schouder leggen toen ze poseerde voor een foto: de Nicaraguaanse burgeroorlog was een vakantiedoel geworden.

- Violeta Chamorro [destijds de presidente van Nicaragua] heeft in het desolate centrum borden met teksten laten opstellen: "Met z'n allen moeten we werken aan de opbouw van het land", "Kinderen zijn de toekomst van Nicaragua". Geen uitspraken die westerse intellectuelen op de been zullen brengen. De sandinistische leuzen, destijds in zwart en rood op alle muren aangebracht, waren door een beter en bloeddorstiger tekstschrijver bedacht: "Vaderland of dood! Alle wapens aan het volk."

- ... In het openbaar durfde niemand een woord van kritiek te spuien omdat je dan gearresteerd kon worden. Gloria had een broodfabriek en dertig mensen in dienst. Ik vond haar een goede representante van de groeiende oppositie in het land en schreef een verhaal over haar in een Nederlandse krant. Dat ontketende een lawine van ingezonden brieven. Hoe kon de kwaliteitskrant zoiets plaatsen? Collega's wezen me terecht: de sandinistische revolutie bekritiseer je niet; denk aan je toekomst.

- In de stoffige achterbuurt waar ik terechtkom zijn de winkels beveiligd met tralies alsof er zich binnen geen rijst maar goud bevindt; de klanten worden bediend door een loket van staal. Het huis van buseigenaar Baltadano wordt omheind door een hoog hek waarachter motoronderdelen liggen opgetast. "Ze zijn nog onderweg," roept iemand van binnen, "kom vanmiddag maar terug." Ik neem een kamer in hospedaje La Flor, een krot met een mooie naam, en wacht tot de martelende hitte van de dag is overgedreven.

In een vliegtuig:
- Wanneer ik me heb vastgegespt in mijn stoel sla ik tot mijn verbazing bezwerend een kruis, net zoals de vrouw naast mij.
 
- Na een veilige landing zegt mijn buurvrouw dat we het "dank zij God" overleefd hebben en dat beaam ik; als ik vaker aan zulk gevaar werd blootgesteld, zou ik zeker gelovig worden.

- Lacayo concludeert kwaad: "Mijn voormalige sandinistische vrienden hebben nu de economische macht in handen. Ze hebben veel geld en heel veel bezittingen. Het is onmogelijk om dat aan te tonen, want alles staat op naam van familie, vrienden en loyale werknemers."

- Het is al uren donker. Als ik aanstalten maak om te vertrekken zegt Walter Smit: "Je bent van harte welkom hier te logeren." Dat aanbod wimpel ik beleefd af, ik heb er geen behoefte aan onder één dak te slapen met een ex-militair, een berouwvolle professor en een wraakzuchtige Amerikaan.

- De mooiste straat van Bonanza heeft de vorm van een halve maan. Hier is de best gesorteerde winkel van het dorp te vinden: aan het plafond hangen kleren, op de toonbank staan pannen, er zijn tientallen laden met gereedschap en knopen. Vrijwel alles wat te koop is in Bonanza, is gemaakt in China.
 
- Als Smit naar buiten loopt drukt hij mij een papier in handen, een fotokopie van een kranteartikel: het gaat over de voormalige sandinistische manager van de mijn in Bonanza. Hij moest het veld ruimen voor Walter Smit en werd daarna directeur van een steengroeve van de staat. In het artikel wordt hij ervan beschuldigd dat hij het bedrijf "gesnoepzakt" heeft, een Nicaraguaanse uitdrukking die betekent: alles van enige waarde meenemen en verkopen. Van het bedrijf rest slechts een leeg gebouw.

- "Iedereen zoekt werk," zeg ik. "Betaalde vrije tijd," vindt Kastl, "de mensen hier weten niet wat werken is." Hij kan het weten, want Kastl kent de wereld: destijds was hij een naaste medewerker van Allende, in Mozambique werkte hij jaren voor de FAO. Nu gaat hij in Nicaragua zorgen voor "biodiversiteit" in het regenwoud en "Lebensraum" voor de indianen. Ik knik enthousiast, daar kan immers geen mens tegen zijn, al klinkt het woord Lebensraum een Nederlander niet zo sympathiek in de oren.

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

zondag 15 september 2024

Aimée de Jongh (tekeningen en bewerking) & William Golding (tekst): Heer van de vliegen

Aimée de Jongh (tekeningen en bewerking) & William Golding (tekst): Heer van de vliegen (Nederland, 2024): 336 blz: Uitgeverij  Scratch
 
Lord of the Flies
 
Donderdag kwam het nieuwste boek van Aimée de Jongh uit en hoorde ik van het bestaan ervan. Vrijdag heb ik twee exemplaren besteld bij Bol. Gisterenmiddag kreeg ik te horen dat mijn exemplaar pas dinsdag zal worden bezorgd. Even later kreeg ik het boek cadeau van een vriend met een gedeelde liefde voor Graphic Novels. En nu heb ik het boek al uit. Dat laatste was niet heel moeilijk: er staan vooral plaatjes en vrij weinig teksten in het boek en daar race ik zo doorheen.
 
Van het verhaal van de originele versie uit 1954 zullen de meeste mensen wel ooit gehoord hebben. Na een vliegtuigongeluk komen een stel jonge kinderen, allemaal jongens, in de leeftijd van ongeveer 6 tot 12 jaar, op een onbewoond eiland terecht en moeten ze zich zo goed mogelijk in leven zien te houden totdat ze gered worden. Al gauw brandt er een strijd los tussen een groep kinderen, aangevoerd door Ralph, die redelijk blijven, een groot vuur ontsteken om de aandacht te trekken, en een groep, onder leiding van Jack, die op jacht willen gaan en zich wild uitdossen. Het loopt van kwaad tot erger en er vallen zelfs doden.

Er wordt altijd over dit boek gezegd dat dit de mensenvisie was van William Golding en dat het laat zien hoe makkelijk een groep mensen, zelfs op het oog onschuldige kinderen, kan vervallen tot barbarij als de regels van de samenleving wegvallen. Eerlijk gezegd betwijfel ik of dit de juiste verklaring is van het boek, daarvoor is het ook te bloeddorstig. Kan het niet gewoon zo zijn dat Golding een boeiend verhaal wilde schrijven en dat dat makkelijker lukte met een groep bloeddorstige kinderen, dan met een groep vredelievende kinderen? Ik kan mij erg moeilijk voorstellen dat kinderen van 12 jaar elkaar gewoon afmaken.
 
Aimée de Jongh heeft van "Lord of the Flies", zoals het boek in het Engels heet, een geweldige Graphic Novel gemaakt. Zij doet dat op de haar bekende manier, met tekeningen die zeer aangenaam zijn voor het oog (eerder had ik die associatie nog niet gemaakt, maar ik vind haar tekeningen erg lijken op de animaties van de Ghibli-studio's), ze gebruikt vrij weinig tekst (altijd een sterk punt in een Graphic Novel) en haar tekeningen zijn prachtig ingekleurd, het is net alsof je steeds naar kleine schilderijtjes kijkt. Ik ga zo ver om te zeggen dat ik dit de mooiste Graphic Novel vind die ik ooit heb gezien!

   
 
Blijkbaar is de verkoop van dit boek erg hard gegaan, het is bij Bol nu niet meer leverbaar.   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

zaterdag 14 september 2024

Carolijn Visser: Ver van hier

Carolijn Visser: Ver van hier (Nederland, 1995): 309 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
Met de Rainbow Pocket "Ver van hier" was ik wel heel snel klaar. Alle verhalen in deze bundel, op het laatste na, staan in eerdere boeken van Carolijn Visser. Alleen het laatste verhaal "Terug naar Middelburg" was nog niet eerder in boekvorm gepubliceerd. Dit verhaal met een lengte van slechts 4 bladzijden kun je rustig overslaan. Er is dus geen enkele reden om dit boek te lezen of te kopen, tenzij je erg van pockets houdt.  

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

vrijdag 13 september 2024

Carolijn Visser: Brandend zout

Carolijn Visser: Brandend zout (Nederland, 1994): 267 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
In "Brandend zout" staan verhalen van Carolijn Visser die nog niet eerder in boekvorm zijn gepubliceerd over een reis met de trein van Beijing naar Moskou, en over reizen in Estland, China, Vietnam, Haïti, India en Australië.

Hoe meer ik van Carolijn Visser lees, hoe meer ik onder de indruk ben van zowel haarzelf als haar schrijven. Carolijn is een uiterst innemende vrouw die makkelijk contacten legt en vriendschappen sluit met mensen over de hele wereld, ze schrijft met veel empathie over de levens van de mensen die ze ontmoet, ze stelt kritische vragen, is ondernemend, stelt zich bescheiden op en laat zich ook regelmatig van haar zwakke kant zien. Daarbij schrijft ze uiterst helder, gebruikt ze geen woord teveel en haar dialogen klinken zeer natuurlijk.

Ik denk dat ik Carolijn Visser zowel de beste Nederlandstalige schrijver vind die ik ken, als de beste reisverhalenschrijver überhaupt, in ieder geval degene die ik met het meeste plezier lees. Ook "Brandend zout" is een boek met erg goede verhalen.
 
Citaten:
In de trein door Siberië:
- De Chinese restauratiewagen werd hier afgekoppeld en het was maar de vraag of er in Mongolië of in de Sovjet-Unie iets te eten of te drinken zou zijn. Daarom was het verstandig nu zoveel mogelijk in te slaan. Er waren twee winkeltjes en daaromheen werd geduwd en getrokken. Ik kocht koekjes, instant-noedels, glazen potten met mandarijnen en peren. En drie onduidelijke flessen sterkedrank.
 "Daar word je blind van," waarschuwde een Ier die naast me stond. Meteen ruilde ik de flessen om; Ieren hebben immers veel verstand van alcohol. Bij een ander kraampje kocht ik een tiental blikjes bier. Uitstekend bier wordt er in China gemaakt, door de Duitsers eind vorige eeuw geïntroduceerd. Met die vracht ging ik weer aan boord.
 
- Ik ging weer op bezoek bij de twee Esten. Zij bleken ervaren overlevers te zijn. Aavo regelde iets met de kok van een trein die op een ander spoor stond te wachten. De passagiers van de gewone Russische treinen zijn doorgaans te arm om in de restauratie te eten. Hij kwam terug met een grote zak gekruide inktvis en een pot mayonaise. Op het volgende station werd de maaltijd aangevuld met warm brood.
 
Estland:
- ... "Ben je dan helemaal niet blij?" vroeg ik teleurgesteld. Daina en hij hadden me in de trein toch verteld hoe zij als Esten leden onder de Russische onderdrukking. "Blij waarmee?" wilde Aavo weten. "Je bent vrij!" "Hoe kan ik vrij zijn?" vroeg Aavo en startte zijn Moskwitsj, "ik ben een Homo Sovjeticus."

- Al lang daarvoor hadden Aavo en Daina alle vertrouwen opgegeven in welke financiële instelling dan ook. "Alleen oude mensen zetten hun geld op de bank," zei Daina. Ze wilde me laten zien wat zij met hun roebels hadden gedaan en ging me voor op een trap naar de zolder. Met een zaklamp bescheen ze auto-onderdelen die daar lagen uitgestald: autobanden, startmotoren, carburatoren, complete portieren. Alles wat Aavo de laatste jaren tegenkwam kocht hij op. Het getuigde van een ontroerende ondernemingslust, toch vond ik die berg onderdelen deprimerend. Estland was onafhankelijk, maar het was deze verzameling oud roest die Daina en Aavo zekerheid moest verschaffen.

Bij een volgend bezoek aan Daina en Aavo twee jaar later:
- ... Toch waren er tekenen dat een nieuwe welvaart, hoe bescheiden ook, Estland had bereikt. Daina en Aavo waren veel beter gekleed dan tijdens mijn laatste bezoek. En er waren producten in huis die eerder niet te krijgen waren: afwasmiddel, margarine, chocola en frisdrank. Het leek op een volstrekt willekeurige selectie uit een westerse supermarkt.

- 's Morgens werd ik wakker van een klein stemmetje. "Good morning, breakfast is ready." Het was de zevenjarige Anneli die op de dorpsschool Engels leerde. Russisch als tweede taal was afgeschaft.

Vietnam:
- Verbaasd wandelde ik de eerste avond door de straten. Sinds mijn bezoek van een jaar geleden had Hanoi een metamorfose ondergaan. Overal waren winkeltjes gekomen, koopwaar stulpte naar buiten: tassen, kleren, borduurwerk, plastic emmers, gedroogde kruiden; er was geen ruimte meer op de trottoirs.

- Duong was aan de oorlog gewend  geraakt. Om hem vervolgens nooit meer te vergeten. "Een goed geheugen is een geluk voor een schrijver, maar een ramp voor een mens," besloot ze treurig.

- Duongs leven lijkt op dat van de hoofdfiguren uit Blind paradijs: verraden door het communisme, verraden door de mannen en gekneveld door een traditioneel denkende familie. Dat beaamde ze: "Een vrouw leeft in dit land nooit voor zichzelf. We leven in het verleden, voor onze voorouders, en we leven in de toekomst, voor onze kinderen."

China:
- "Mijn vrouw en dochter komen zo thuis," zei meneer Wu. In de tussentijd ging hij een lunch voor me maken. "Chinese specialiteiten," beloofde hij, en verdween in de keuken. Even later kwam hij binnen met een dampende schaal waarin ik tot mijn verbazing tientallen wezentjes zag liggen. Het leken net heel kleine mensjes die in grote opwinding hun armpjes in de lucht hielden alsof ze mij iets belangrijks te vertellen hadden. Meneer Wu zocht gejaagd naar de juiste vertaling in zijn woordenboek. "Padden," wees hij aan en toen het woord "miniatuur". Daarna bracht hij het tweede gerecht: gebakken zijdewormen. Die zagen er veel minder afstotelijk uit, precies kleine handgranaten, maar ze smaakten gruwelijk. Alsof je een hap oud stof naar binnen slikte.

Haïti:
- Ik zag de propere lokalen voor me, de onberispelijke Haïtiaanse leraressen voor de klas, de gedempte stemmen: een eiland van rust en orde.
 Maar zo rooskleurig was de situatie niet, volgens zuster Borgia. Waar ik netheid zag, verschool zich de ellende, zei ze met spijt in haar stem. "Toen we hier kwamen, vonden onze meisjes werk in een atelier, maar de laatste jaren is er geen werk meer." De opleiding had zo zijn doel verloren. De kleding die tijdens de lessen werd gemaakt, bleek van geen enkel nut en was onverkoopbaar omdat de prijs veel te hoog zou zijn. De mensen konden voor een paar kwartjes een tweedehands overhemd of een jurk uit de Verenigde Staten krijgen. "Kennedykleding" noemden de zusters dat, het had iets met liefdadigheid te maken.

- Een man die ons voorbijliep drukte zich even tegen me aan toen zuster Maria niet keek. "Baby, you need any black power tonight?" fluisterde hij en vervolgde lachend zijn weg.

- Het landschap om ons heen was uitgestrekt en eenzaam geworden. Toch steeg van vrijwel elke heuvel rook op. Daar werd houtskool gemaakt, had Dorvilier uitgelegd. Zelfs hier werden alle bomen die voorhanden waren gekapt. Alleen de mangobomen, wees Dorvilier, lieten de mensen staan, omdat ze daar de vruchten van wilden plukken. "Arme bomen," verzuchtte ik. Dat irriteerde Dorvilier: "Als de mensen het beter hadden, lieten ze de bomen wel staan."

India:
- Zodra we Suri vertelden van ons plan een bezoek aan Delhi te brengen pakte hij de telefoon en stelde hij zijn familie op de hoogte van onze komst. Er was geen sprake van dat we een hotel zouden boeken. Kwamen we wel gelegen? wierpen wij tegen, misschien was de familie heel druk? Hij schudde lachend het hoofd. "Dan maken we tijd, in India ligt dat allemaal heel anders dan hier," hield hij vol.

Een Indiase bruiloft:
- Nu was al bekend hoeveel gasten er zouden komen, rond de duizend. De moeder begon op te sommen: "Alle collega's van mijn man met hun gezinnen. Al mijn familieleden, alle familieleden van mijn man. Bij elkaar zijn dat vijfhonderd mensen. Dan de gasten van de bruidegom, dat zijn er ongeveer net zoveel." Het hele feest kwam voor rekening van de familie van de bruid. Dan was er natuurlijk nog de bruidsschat die betaald moest worden, maar daarover liet de moeder niet veel los.

- Over het beroemde Mayo-college in Aimer, ongeveer tweehonderd kilometer van Udaipur vandaan, had ik kort geleden iets gelezen. De school moest een kopie zijn van het Engelse Eton, maar de Indiase leerlingen, vrijwel allemaal prinsen, brachten zoveel bedienden, koks en chauffeurs mee dat er van een ascetische Britse opvoeding niet veel terechtkwam.

- Toen ik aanhield wilde hij wel onthullen dat hij ooit getrouwd was geweest met een Deense en later met een Ierse, maar dat de beide dames over niet erg mooie karakters beschikten. Ja, trok ik in gedachten partij, vergeleken bij Indiase echtgenotes zullen westerse vrouwen wel haaibaaien zijn.

Australië:
- Als vreemdeling kon je in Coober Pedy op drie manieren de nacht doorbrengen: in een hotel onder de grond, in een hotel boven de grond of in een tent. Een hotel, zo bleek, kostte tweehonderd gulden per nacht. Ik reed de parkeerplaats op van een van de campings en zocht naar een plek waar ik mijn tijdelijke onderkomen kon opslaan. De beheerder kwam uit een stacaravan te voorschijn en wees naar de stoffige, rotsige vlakte. "Je hebt toch wel een hamer bij je om de haringen erin te meppen?" vroeg hij. Even later hoorde ik hem schamper tegen een collega zeggen: "Een grasveldje zocht ze, die is goed."

- Ook Quinn reed in een tank. "Fris vandaag," stak hij van wal. Ik lachte. Typische Australische humor: de werkelijkheid omdraaien in haar tegendeel. We naderden onze Holden, Wayne zat er vlakbij onder een boom. "Wat doet die man?" vroeg Quinn verbaasd. "Hij leest een boek," zei ik. "Heb je ooit!" riep Quinn uit. "Wat is daar vreemd aan?" Quinn haalde zijn schouders op. "Zoiets heb ik nog nooit gezien: een man die een boek leest naast zijn gestrande auto."

- Wayne bestudeerde het interieur. "Er is niets veranderd," stelde hij tevreden vast en leunde ontspannen achterover. Nooit eerder had ik hem zo thuis gezien. Zou het waar zijn dat een mens zijn leven lang de gevangene blijft van zijn jeugd? We kunnen een andere taal leren, elders een woning inrichten, aan de andere kant van de wereld ons hart verliezen en toch blijven we, zelfs na vele jaren, alleen maar verlangen naar hoe het vroeger was.

- Quinn schetste mij het leven van een Australisch varken. Overdag, vooral tijdens een hittegolf zoals nu, "kamperen" ze. Ze verschuilen zich onder struiken of, als daar gelegenheid toe is, wentelen ze zich in de modder. Dat had deze jongen net gedaan, die kwam uit de "waterhole", hier vlakbij, de modder zat nog op zijn rug. Quinn sprak met tederheid over hun gewoonten: een jager moet zich verplaatsen in zijn prooi.
 
- "Je moet ook nooit met één hond gaan jagen, dat is vragen om problemen," verweet Quinn. "Je moet er rekening mee houden dat één hond uitgeschakeld kan worden. Je moet ook niet in je eentje op jacht gaan, als jou iets overkomt moet je iemand bij je hebben, al is het een kind, die je wagen naar het ziekenhuis kan rijden. Daarom heb ik mijn kinderen al op hun vijfde leren autorijden."
 De drie jachthonden snuffelden om ons heen. Het viel me toen pas op dat hun huid onder de littekens zat. "Ja, ze worden weleens te pakken genomen," bekende Pat. "We hebben altijd een naald en tanddraad in de auto liggen, we naaien ze meteen weer dicht. Dat moet je doen als ze nog verhit zijn, dan voelen ze geen pijn."
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

donderdag 12 september 2024

Recept: Appelsouflee

Het recept voor dit geweldige toetje komt uit een oud kookboek van mijn moeder. Ik heb het tussen 1984, toen ik op kamers ging wonen, en 2009, toen mijn oven sneuvelde, zeer vaak gemaakt voor flatgenoten en vrienden. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die dit toetje kent, en ik ben ook nog nooit iemand tegengekomen die dit geen lekker toetje vindt. Kortom succes verzekerd!
 
Ingrediënten voor vier personen:
4 appels (ik vind Goudreinetten, Jonagolds en vooral Elstar zeer geschikt)
ongeveer een half potje kersenjam 
60 gr margarine of roomboter
60 gr bloem
60 gr witte basterdsuiker
4 middelgrote eieren
1 zakje vanillesuiker
2 dl melk
 
Je kunt dit gerecht zowel met margarine als met roomboter maken. Ik heb een grote voorkeur voor roomboter. Bestrijk een ovenvaste schaal met een beetje boter. Schil de appels en haal het klokhuis eruit met een appelboor. Snijdt de appels doormidden en vul de gaten royaal met de kersenjam.
Maak een roux door 60 gram boter te smelten. Als de boter gesmolten is voeg dan de bloem toe, roer het mengsel goed en voeg dan geleidelijk de melk toe totdat je een mooie gladde saus hebt zonder klontjes. Als laatste voeg je de basterdsuiker en het zakje vanillesuiker toe. Laat het geheel een beetje afkoelen en roer dan een voor een de eieren door de saus. 
 
Als de saus klaar is, giet je die over de met jam gevulde appels, en zet het onderin de voorverwarmde oven op 200-225 graden Celsius en laat het daar een uur staan totdat de souflee mooi gerezen is. Maak niet de fout om tussendoor de oven te openen, want dan stort de souflee in elkaar. Na een uur is de souflee mooi gerezen, en haal je hem uit de oven en dient hem gelijk op. Smakelijk eten!

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

dinsdag 10 september 2024

Carolijn Visser: Hoge bomen in Hanoi

Carolijn Visser: Hoge bomen in Hanoi (Nederland, 1993): 235 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 
Hoge bomen in Hanoi
 
In 1992 maakte Carolijn Visser een lange reis door Vietnam. Ze was gefascineerd door de Vietnamoorlog die ze in haar jeugd via de televisie had meebeleefd. Opvallend vergeleken met haar reizen door China is dat Carolijn in Vietnam veel makkelijker contact kon leggen en vriendschap sluiten met de inwoners van het land. "Hoge bomen in Hanoi" is een geweldig reisverhaal.
 
Citaten:
- Ik zit op de voorplecht en neem alles heel precies in me op. Ik ben sinds een paar dagen in Vietnam en kan nergens anders aan denken dan aan de oorlog. In gedachten zie ik helikopters hangen boven de bomen, gruwelijke films spoken door mijn hoofd.
 Hoe kon je toen weten, vraag ik me af, de rivier afkijkend, wie een machinegeweer verborgen hield in zijn schuitje? Wie was doodgewoon onderweg naar de markt en wie werkte voor de Vietcong?
 
- Nog geen honderd kilometer verderop ligt de grens met Cambodja, een gebied vol misdaad en maffia, weet meneer Hanh. "Vanuit Thailand worden televisies, brommers en zelfs auto's door het oerwoud van Cambodja naar de Vietnamese grens gebracht, alle douaniers zijn omgekocht." "en wat gebeurt er dan met die spullen?" vraag ik nieuwsgierig. "Die laden ze op een vrachtwagen en daarmee rijden ze naar Saigon of Cholon, de Chinese wijk. Alles, alles wat je daar op de markt ziet is gesmokkeld, en vaak is het niet wat je denkt dat het is," besluit hij mysterieus. "Hoezo?" vraag ik geïntrigeerd. "Wel," legt hij uit, "je koopt bijvoorbeeld een Japanse scooter, een Honda, splinternieuw, voor tweeduizend dollar. En wat blijkt? Alle onderdelen die erin zitten zijn niet van Japanse maar van goedkope Chinese makelij; ze hebben alles omgewisseld. Een gekookte scooter noemen we dat."

- Naast het hotel licht even later in neon het woord "massage" op. Ik informeer of dat aanbod ook voor vrouwen geldt. "Zeker," zegt de receptioniste, "vijfenveertig minuten kost tienduizend dong." Na afloop vraag ik of meneer Hanh misschien ook belangstelling heeft. "O nee," zegt hij verschrikt, "massage heeft in Vietnam altijd met seks te maken en daar krijg je aids van." "Ik ben er net geweest," zeg ik, "er was niets dubbelzinnigs aan." Meneer Hanh houdt voet bij stuk. "Daar doe ik niet aan mee," zegt hij beslist.

- Het politiebureau bestaat uit een krot tegenover een vijver waarin twee hokjes staan die je met een bruggetje kunt bereiken. "Wc's," wijst meneer Hanh, "zodat er geen kostbaar voedsel voor de vissen verloren hoeft te gaan."

- Mijn kamer lijkt de vleugel van een paleis; in een riant vertrek kan ik bezoekers ontvangen, de slaapkamer is enorm en kan ik ook gebruiken als kantoor. Alleen: de muren zijn beschimmeld en de ruiten zwart van het roet. In de badkamer liggen prachtige tegels, maar ze zijn allemaal gebarsten. De wasbak heeft geen afvoer. Dat hoeft ook niet, want het water komt niet uit de kraan maar uit de muur. Elektriciteitsdraden steken dreigend uit de stopcontacten en de airconditioner is groots aanwezig, maar zwijgt in alle talen.

- Een paar donkere straten verderop is een hel verlichte bar. Ik hou van cafés; een goed café is als een huiskamer waar alles mag. In China bestaan ze niet, Chinezen houden niet van drinken met volslagen onbekenden. Daarvoor wantrouwen ze elkaar te zeer en ze vinden waarschijnlijk dat een mens zijn tijd beter kan besteden. In Saigon struikel je over de cafés, in de meeste wordt louter koffie gedronken, maar dat komt alleen maar omdat er geen geld is voor iets anders. Vietnamezen houden van praten, met iedereen. Als je wilt luisteren doen ze hun hele leven uit de doeken in een minuut of vijf, wat dat betreft lijken ze op Amerikanen. De meeste cafébezoekers zijn mannen, zoals overal in de wereld.

- Marc koopt een oorkrabber en verzinkt daarna in gepeins. Als ik vraag waar hij aan denkt, zegt hij: "Oh, wel, ik dacht aan de nacht dat ik erachter kwam dat we de oorlog nooit zouden winnen." Hij zat naast een zwaargewonde te wachten op de dageraad. De jongen was bleek door bloedverlies, Marc moest hem bij kennis houden, anders was het gedaan. Toen leek het of hij onder de grond iets hoorde, iets voelde bewegen. De Vietcong, dacht hij, ze zijn tunnels aan het graven. "Ik verbeeldde het me," zegt Marc, trekkend aan zijn joint, "maar gek genoeg maakte dat niet uit. Dat visioen van de Vietcong die zelfs midden in de nacht onder je kont tunnels aan het graven was, maakte dat ik vanaf dat moment wist dat het een verloren zaak was."

- De eerste weken in Vietnam dwaalden mijn gedachten steeds af naar de "Amerikaanse oorlog" zoals de Vietnamezen die noemen. Nu valt het mij steeds meer op dat Saigon op een ouderwetse Franse provincieplaats lijkt: er is een enorme kathedraal, de Notre Dame, die overal bovenuit steekt, en onder de bomen die de avenues koel houden waggelt een enkele 2 CV. Het geel gestucte stadhuis hoort eigenlijk thuis in Cannes en het imposante postkantoor waar heel veel wordt gestempeld, kan zo figureren in een historische Franse film.
 Op terrasjes langs de boulevards drinken de mensen koffie, een zeldzaam drankje in dit werelddeel. De aluminiumfilters die daarbij worden geserveerd zijn gemaakt van neergestorte Amerikaanse helikopters, wordt gezegd, maar de koffie smaakt er niet minder Frans om.

- Na jaren reizen in China kan ik slechts twee bewoners van dat onmetelijke land mijn vrienden noemen; daar was het een zeldzame gebeurtenis als iemand mij in vertrouwen nam. In Vietnam gaat het anders; hier word ik regelmatig uitgenodigd bij mensen thuis, ze nemen mij mee uit eten en vertellen me verhalen, ze komen me opzoeken in mijn hotel.

- We scharen ons rondom de tafel met het beste uitzicht over het park, meneer Trang wenkt de ober om ernstig met hem te overleggen en de bestelling te regelen. "Een aantal specialiteiten," belooft hij opgewekt. Twee schalen met krokante loempia's worden gebracht, die moeten samen met verse kruiden in slablaadjes worden gewikkeld. Er is ook Chinese soep en Franse biefstuk, in stukjes gesneden zodat je het met stokjes kan oppakken, en friet. Het laatste gerecht dat gebracht wordt, ken ik niet. Het is iets wits, het smaakt stevig, zoals inktvis. "Wat is dit?" vraag ik. "Baarmoeder van een rund," zegt meneer Trang, en hij legt nog een stukje in mijn kom.

- Ik koop een paar blikjes Heineken en loop naar de antiekwinkel. "Cyclo, madam, cyclo," roept een haveloze man die met mij opfietst. Als ik geen sjoege geef, roept hij kwaadaardig: "Lienxo", Rus, de grootste belediging voor een buitenlander in Saigon.

- Ik huiver, wat betreft ziektes ben ik geen held. Als ik maar iets ongewoons voel, verbeeld ik meteen het ergste. Ooit werd ik opgenomen voor een maagperforatie die niet te vinden was. Kort daarna werd een specialist teruggeroepen van zijn weekendverlof, omdat het erop leek dat ik een hartinfarct had. Verschillende keren was ik ervan overtuigd dat virussen mijn lichaam aan het slopen waren, maar altijd bleek ik weer kerngezond, alleen een beetje zenuwachtig.

- De oude man brengt me hijgend naar een parkeerplaats aan de rand van de stad, waar een paar minibusjes staan. "Dalat! Dalat!" roept iemand en pakt de cyclo beet. Als ik twee kaartjes koop kunnen we meteen vertrekken, begrijp ik, want er zijn nog twee zitplaatsen over. Niet de beste vanzelfsprekend, ik moet door de achterklep naar binnen klauteren. Die wordt gesloten en dan zitten we samengepakt als in een onderzeeër. In geval van nood komt niemand hier levend uit.

- Ik had toen [tijdens de Vietnamoorlog] een heel duidelijk beeld van Noord-Vietnam. De Noordvietnamezen werkten hard en gingen gekleed in eenvoudige zwarte katoenen pakken. Als de Amerikaanse bommenwerpers naderden ging er een sirene, haastig verdwenen ze dan in schuilkelders. De Noordvietnamezen streden allemaal voor een doel en een ideaal, daar offerden ze alles voor op. Ze waren erg arm, maar het weinige dat ze hadden werd rechtvaardig verdeeld. Ik herinner me geen enkel bericht waarin dat werd tegengesproken.

- Meneer Thuy knikt, hij lijkt zich te ontspannen nu hem duidelijk wordt dat hij zich niet hoeft te verdedigen: "Bij de radio verdiende ik tien dollar per maand, nu krijg ik twintig keer zoveel." Hij zwijgt even en zegt dan: "Er is een brain drain aan de gang in dit land, onze ministeries, onze ziekenhuizen, de universiteiten en de scholen lopen leeg. Iedereen die de kans krijgt om voor buitenlanders te werken, grijpt die aan."
 Meneer Thuy verwondert zich wel over meer ontwikkelingen in Vietnam. "Vroeger was iemand die arm was per definitie beter dan iemand die rijk was. Nu kan iemand arm zijn omdat hij lui is," vat hij samen.

- Meneer Thuy doorbreekt de stilte: "Schilderijen en oorlog kun je het beste van een afstand bekijken," mompelt hij treurig.

- Het is een publiek geheim in Vietnam dat de meeste artsen tegenwoordig weinig op hun werk komen, ze hebben verschillende bijbaantjes, anders zouden ze niet genoeg verdienen om hun kinderen te eten te geven.
 
Carolijn spreekt de schrijver Bao Ninh:
- "Waarom heet uw boek Het verdriet van de oorlog?" begin ik aftastend. "Zo heet het in het Zuiden," smaalt Bao Ninh. "In het Noorden mocht ik het zo niet noemen. Het woord "oorlog" is hier taboe. Je kunt over de "vrijheidsstrijd" spreken, maar het woord oorlog in combinatie met verdriet, dat kan niet. Het boek heet hier daarom Het lot van de liefde."
 
- In Hanoi wordt veel gefluisterd over de illegale grenshandel. Vietnamezen brengen kreeft, honden, metalen en hout naar China, soms in een vrachtwagen, soms in een mand aan een bamboestok. Ze komen terug beladen met flessen bier, kleren, pannen en andere huishoudelijke artikelen die overal in de stad in de winkels liggen.
 
- Voor elke reis zie ik altijd een aantal beelden voor me. Soms lijken die op foto's uit toeristische brochures: een zonovergoten kust, een fonkelend groen oerwoud. Maar meestal zijn het visioenen waarin ik ergens bijhoor: galopperend op een paard tussen Mongoolse nomaden, voortzeilend op een Chinese jonk in het gezelschap van Cantonese schippers. Het is altijd het diepe verlangen ergens anders thuis te zijn dat mij keer op keer mijn eigen deur uitjaagt.
 
- Wel, denk ik, hier zit ik nu in een afgelegen berghut te midden van een Muong-familie en ik heb een glaasje rijstwijn voor me staan. De ziel van Vietnam wordt me alleen niet erg veel duidelijker. Dit bezoek kan net zo goed plaatsvinden in Thailand of Indonesië. Als westerling maak je kennis met een plaatselijke familie in primitieve omstandigheden. Je voert een gesprek dat voorspelbaar is. Iedereen is van goede wil, er is iets te eten, te drinken en te roken en er zijn souvenirs te koop. En aan het eind van het bezoek geef je wat geld.
 
- Thiep gaat naar binnen om de theekopjes hierheen te halen. Teruggekomen betoogt hij dat hij een doodnormale Vietnamese burger is. "Ik voer mijn varkens, ik werk in mijn tuin, ik probeer de eindjes aan elkaar te knopen. ..."
 
- Meneer Tuong legt een hand op de mijne. "Jij bent anders," vleit hij, "jij bent, hoe zal ik het zeggen, zachter."
 Ik verwacht dat hij nu uiteen gaat zetten dat je met vrouwen niet over politiek moet praten, maar over de liefde. Dat is een opmerking die op een moment als dit wel vaker uit de hoed getoverd wordt, maar meneer Tuong zwijgt. Hij kijkt naar de maan en steekt een nieuwe sigaret op.

       

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

zaterdag 7 september 2024

Carolijn Visser: De koude heuvels van Mongolië

Carolijn Visser: De koude heuvels van Mongolië (Nederland, 1991): 94 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
Mongolië valt uiteen in twee gebieden. Je hebt het land Mongolië dat ingeklemd ligt tussen Rusland en China, en je hebt Binnen-Mongolië, dat een grote provincie in het noorden van China is en dat tegen Mongolië aanligt. 
 
Carolijn Visser had op een eerdere reis door China een aantal schilderijen van een Mongoolse kunstenaar gekocht en namens hem weer verkocht. Zo kon de kunstenaar een nieuwe flat kopen en hij hielp Carolijn toen zij toestemming wilde krijgen om de uitgestrekte graslanden van Binnen-Mongolië te bezoeken. Het eerste wat Carolijn te doen stond was om te leren paardrijden. 

In Binnen-Mongolië reden Carolijn en haar vriend Wayne paard, terwijl de begeleiders volgden op een tractor. Ze bezochten onder meer een traditionele Mongoolse bruiloft en een groot feest. "De koude heuvels van Mongolië" geeft een inkijkje in een snel uitstervende cultuur.
 
Citaten:
- Mongolië, besloot ik, kon alleen per paard bereisd worden. Ik nam lessen in een manege en verdiepte me in de geschiedenis van de Mongolen.
 Djengis Khan was overleden aan de gevolgen van een val van zijn paard, las ik tot mijn schrik. Ik vond het verontrustend dat zelfs een Mongool op zo'n manier aan zijn einde kan komen.
 
- De kunstenaar begon meteen over de risico's van de reis. Die moest ik vooral niet onderschatten. Het kon verschrikkelijk koud zijn op de graslanden, ook al was het zomer. Er waren woeste honden die ons konden verslinden als we niet uitkeken. En dan de Mongolen! Die zijn "uncivilised" zei hij, nadat Liya het woord had opgezocht in een woordenboek. "Maar hij is toch zelf een Mongool?" vroeg ik verbaasd. "In de stad is alles anders," vertaalde Liya. De Mongolen op de graslanden drinken sterke drank als water. Hairhan deed voor hoe ze grote glazen alcohol in één teug achteroverslaan. En als ze dronken zijn, leggen ze hun armen rond elke vrouw die maar in de buurt is.

- In een restaurant bestelde de kunstenaar de specialiteiten van het dorp: runderhoef en runderstaart. De hoef was doorzichtig en in substantie vergelijkbaar met een bepaald soort inktvis of zeewier. "Heel bijzonder," maande de kunstenaar ons, "er gaan heel wat hoeven in zo'n schotel."

- Toen ik hem vroeg zijn leven op de graslanden te beschrijven, zei hij: "Een heel eenvoudig bestaan. We stonden vroeg op, gingen vroeg naar bed. We leefden van het land, we aten paddestoelen, muizen, alles wat we konden vinden." "En had je grootvader ook schapen?" vroeg ik. Een treurig lachje gleed over zijn gezicht. "De schapen waren van het collectief."

- "Wat is dit witte spul?" vroeg ik Liya, die haar tranen gedroogd had en aan tafel zat alsof er niets was voorgevallen. "Tofu," zei ze met afgrijzen, "gemaakt van schapemelk: melk-tofu." "Oh," zei ik, "nu begrijp ik het; kaas noemen wij dat." ze keek me ongelovig aan: "Eten jullie dat ook?" Gruwend nam ze een hap.

- In de aangrenzende keuken was de zuster aan het koken op twee verschillende vuren. Ik vroeg haar waar de wc was en verlegen, zonder mij aan te kijken, antwoordde ze: "Die is overal." Ik deed mijn laarzen aan, trok een regencape over mijn hoofd en ging naar buiten. Op dat moment hadden de twee honden blijkbaar zitten wachten, want onmiddellijk sprongen ze tegen mij op. De zuster was mij geruisloos gevolgd, ze riep de dieren gebiedend iets toe waardoor ze afdropen.

- Tijdens eerdere reizen door China had ik altijd geprobeerd me te verplaatsen in Chinezen, hun gedachten te volgen, maar hier wilde ik dat niet, ik zag hen nu als indringers. Ze knaagden aan het land van de Mongolen die voor mij onzichtbaar, tot achter de heuvels, waren verdreven.

Na een opmerking over geboortebeperking:
- We knikten allemaal, te veel mensen is een groot probleem in China. Wel is het zo, overwoog ik, dat er in Binnen-Mongolië achttien miljoen Chinezen wonen en slechts twee miljoen Mongolen. De Mongolen worden overspoeld door Chinezen, dat is het probleem, maar die gedachte hield ik wijselijk voor me.

- Nijdig bedacht ik me dat het onmogelijk is om in een discussie of een onderhandeling van een Chinees te winnen. Hairhan had al voor ons vertrek besloten dat er niet per paard gereisd ging worden, dat had ik moeten aanvoelen. Ik was nu voor de zoveelste keer in China en nog kon ik niets voor elkaar krijgen, nog steeds ging ik ervan uit dat een confrontatie een oplossing zou brengen, terwijl ik beter moest weten. Openlijke verwijten leiden in China nergens toe. Degene die de dingen duidelijk bij naam noemt, is onfatsoenlijk en gaat in ieders ogen af.

- Toch kreeg ik de indruk dat de Li's veel van hun hond hielden. Het was hier niet als in de rest van China waar ze honden alleen maar als een lekker hapje zien. Hier waren honden vrienden, waar je in barre tijden op moest bouwen.

- "Daar is iemand," zei Wayne en toen ik opkeek zag ik een man met een pet diep over zijn ogen vanaf zijn paard naar ons kijken. Hij had een grote stok in zijn hand en in zijn ogen zag ik de paniek langzaam aanzwellen. Zijn mond viel open. "Women shi waiguorem, wij zijn buitenlanders," riep ik, omdat ik zo gauw niets anders kon bedenken in mijn beperkte Chinees. Er gleed een grijns over het gezicht van de man. "Ja, jullie zien eruit alsof je hier niet vandaankomt," antwoordde hij.

- Het gezicht van de man lichtte op. "In Australië heb je goede schapen," zei hij. "En groot ook," voegde hij eraan toe, en hij gaf het formaat aan van een uit de kluiten gewassen paard.

- De verweerde reiziger voegde zich nu ook bij ons, hij was binnen gebleven en had geen idee van wat er was voorgevallen. Hij moest verder, verontschuldigde hij zich; hij was op weg naar een bruiloft. "Ooh," zei Hairhan enthousiast, "een Mongoolse bruiloft?" De man knikte. "Dat is net iets voor deze buitenlanders," vond Hairhan. De man trok nog meer rimpels in zijn voorhoofd. "Die kunnen met mij meerijden," zei hij vriendelijk. "De zoon van Li weet zelf wel waar het is." Guoguo, de verlegen broer van Lizhanguo, knikte, hij had al  van de bruiloft gehoord. We stegen op onze paarden en meteen zette onze nieuwe vriend er een flinke draf in.

- Een ceremoniemeester stookte het vuur op, wees de plaatsen enm bracht een grote schaal binnen met geroosterd schapevlees, die ze op een laag tafeltje voor de vader van de bruidegom neerzette. Plotseling haalde hij een grote dolk te voorschijn en sneed langzaam van een grote bout twee stukken vet af. Op het lemmet presenteerde hij die, eerst een aan Wayne, daarna een kleiner stukje aan mij. Ik walgde van de aanblik, wit en glibberig was het. Liya porde in mijn zij en voordat ze iets kon zeggen stak ik mijn hand uit. Het vet smaakte niet slecht, alleen aan de substantie moest ik wennen.

- Het was me al vaker opgevallen dat Chinezen elkaar geen enkele fout vergeven. Een meisje dat één keer in haar leven een scheve schaats rijdt bijvoorbeeld, vindt nooit meer een echtgenoot.

- "Wie zijn dat?" vroeg ik Ho nieuwsgierig. "Model-arbeiders," antwoordde hij. Daarna traden de sportlieden aan: worstelaars in leren jacks en wijde pofbroeken in felle kleuren. Achter hen kwamen de jonge ruiters; meisjes en jongens van een jaar of tien met gekleurde doeken om hun hoofd geknoopt en in fladderende rode blouses. De stoet werd gesloten door praalwagens waarop, legde Ho mij uit, stokpaardjes van de Chinese regering waren uitgebeeld: "industrialisatie", "wetenschap en techniek", en het "één-kind-gezin". Voor mij was het een verwarrende culturele hutspot, maar Ho vond er niets vreemds aan dat de Chinese regering een traditioneel Mongools feest aangreep om propaganda te verspreiden.

Een Duitse professor zegt:
- In Ulan Bator is geen melk te krijgen, moet u zich voorstellen, in een land van veehouders. Als u uw spaarpot omkeert, kunt u Mongolië kopen, zo droevig is het gesteld.

- Veel bezoekers deden vandaag hun inkopen. Mensen liepen te slepen met grote tassen. Er was van alles te krijgen: cassetterecorders, televisies, horloges, zonnebrillen, maar ook nuttige spullen voor het Mongoolse herdersleven. In een kraam kon je spanten krijgen voor een joert en handgeschilderde deuren. Ik keerde steeds terug naar dezelfde kraam waar geborduurde Mongoolse gewaden en mutsen hingen uitgestald. Ik kocht een hoofddeksel zoals de kleine ruitertjes droegen en een gouden punthoed met een grote knoop erboven op. Ook liet ik me een geborduurde herenmuts aanpraten die gevoerd was met bont. Het werd een hele stapel.

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.