J.M.A. Biesheuvel: De weg naar het licht (Nederland, 1977): 234 blz: (Uit "Verzameld werk: deel 1": blz 453-686: Uitgeverij van Oorschot (2008))
"De
weg naar het licht" uit 1977 is de derde verhalenbundel van Maarten
Biesheuvel die is opgenomen in het eerste deel van zijn verzamelde werk.
Na het lezen van de eerste twee bundels ken ik Biesheuvel wel een
beetje. Hij heeft het vaak over de psychiatrie, zijn vrouw Eva die
altijd voor hem zorgt, en af en toe over de grote vaart. Biesheuvel
vermengt op een uiterst knappe wijze verhalen die werkelijk gebeurd
kunnen zijn met verhalen die volledig aan zijn fantasie zijn ontsproten.
Het valt bijna niet uit te maken waar de werkelijkheid ophoudt en zijn
fantasie begint. Voorlopig ga ik nog wel even door met zijn verzameld
werk.
- ... Eva en ik sjokten naar de school. Ik verbaas me altijd weer hoever mijn mare al is gegaan. In zekere zin ben ik een beetje beroemd en ik kan dat niet zo goed verwerken. De directeur van de school schiet me aan en zegt stralend: "Dus u bent de heer Biesheuvel op wie we al een kwartier zitten te wachten?" Iemand anders zegt: "Zo, daar hebben we de schrijver zelf in ons midden." Ik kan om die opmerkingen alleen maar zenuwachtig lachen. Eva en ik werden naar de lerarenkamer gebracht waar men ons koffie gaf. Mijn jas werd vanzelf opgehangen. Ik hield mijn tasje nauwlettend in het oog: daar zaten mijn boeken in en daar zou ik uit moeten voorlezen. "Als het nog eens moet gebeuren, neem ik werk van Joseph Conrad mee," dacht ik, "ze hebben het toch niet in de gaten, als er maar voorgelezen wordt en er maar iemand achter een net iets te klein tafeltje ingewikkeld zit te doen, stotteren, zich met een zakdoek het voorhoofd wissen, met de linkerhand door het haar gaan, in de neus pulken, bril verplaatsen, benen over elkaar slaan en weer rechtzetten, handen in de zakken en weer eruit, neus snuiten, vragen om een glaasje water, alles is goed als het maar een beetje gek of artistiek is."
-
... "Eva, waarom ben ik toch zo bang?" zei ik, "wat is er toch met ons
aan de hand de laatste tijd?" "Ik weet het ook niet," antwoordde ze,
"maar een ding weet ik zeker: het zal allemaal overgaan." "Ja, als ik in
mijn graf lig is het over," mompelde ik. "Dat bedoel ik niet," zei ze,
"het zal eerder overgaan, veel eerder." Ik keek haar aan in de ogen en
had haar lief. "Denk je echt dat het voor mijn dood over zal gaan?"
vroeg ik nog eens. "Ja hoor," zei ze monter en liep door. Ik volgde haar
en wilde huilen. "Eva," zei ik, "ik wil huilen." Met dat ik het zei
dacht ik: "Als ze zegt "hier op straat een potje gaan huilen en aan mijn
schouders hangen dat gaat niet door ..." dan loop ik kwaad weg." Ze
zei: "Huil jij maar als je dat goed vindt."
- "Eva," zei ik, "ik heb toch een baan." "O ja?" zei ze, "wat heb jij dan." "Ik ben schrijver," zei ik trots. "Jij bent helemaal geen schrijver," zei Eva, "wat jij doet dat zijn maar toevallige bijproducten, ga nu zelf eens na hoe vaak je een verhaal schrijft?" "Dat is inderdaad niet zo vaak," zei ik, "maar als het lukt zijn ze toch goed." "Jij hebt last van een grenzeloze zelfoverschatting," antwoordde ze, "Jacobsen, dat was een schrijver, Broch, Roth, Kafka, Canetti, Carmiggelt is er een, Joyce, Toergenjev, Tolstoj, Babel, dat soort mensen kun je rustig schrijvers noemen, maar jou niet. Guy de Maupassant schreef met de regelmaat van een burgerman-kantoormens. Die regelmaat heb jij toch immers niet? Jij kunt er je dag niet mee vullen. Vestdijk studeerde en schreef. Ik heb jou nog nooit zien studeren voor een verhaal. Jij moet gewoon weer een baan hebben en daarmee basta!"
-
Terwijl een jongeman in Connecticut bezig was aan zijn scriptie over
Tolstoj, terwijl in Japan uurwerkmakers bezig waren, terwijl een sleep
door de Middellandse Zee ging, terwijl een man, ergens in Arabië, bezig
was een prachtig boek te schrijven, terwijl er schepen werden gesluisd
in het Panamakanaal, terwijl iemand zich zat te bezatten in Las Vegas,
terwijl er glazen werden geblazen in Leerdam, lag ik hier als een wrak
onder de dekens.
-
... Soms denk ik wel eens: "Kon een mens zijn hele leven maar slapend
doorbrengen, er is toch niets dat mijn hand vindt om te doen." Ik ben
bang, ik ben eigenlijk altijd bang. Nog het meest als ze me vragen of ik
kom voorlezen. De hele avond sta ik dan te zweten van angst. "Jij bent
helemaal geen schrijver," denk ik dan, "de mensen moeten zich vergissen,
ze zitten naar een prutser te luisteren." Na afloop zegt Eva tegen mij:
"Zo, dat was weer echt een leuke avond, je had de hele zaal in je
macht, je kwam boeiend over, je kon een speld horen vallen, wat ben jij
toch knap." Dan vraag ik maar weer om een pilletje en ben blij als ik in
bed lig.
- ... De duivel steekt meteen van wal. "Thema één," zegt hij, "dat gaat over een bedrieger, daar kun je een prachtig verhaal over schrijven. Hij organiseert zogenaamd reizen naar de Seychellen, die eilanden zijn in de Indische Oceaan. Het moet daar nog een waar Paradijs op aarde zijn. Hij maakt erg veel reclame en krijgt veel klanten. Maar die brengt hij naar Tholen. Daar hangt een oud vliegtuig aan een hijskraan. In het holst van de nacht laat hij de mensen in zijn vliegtuig stappen. De hijskraan trekt het vliegtuig een eindje boven de grond zodat het toestel gaat schommelen. "Here is your captain speaking," klinkt het vertrouwenwekkend door de luidsprekers. Van buiten komt het geluid van vliegtuigen, er worden op de grond grote ventilators aangezet zodat het toestel flink tekeer gaat. De volgende dag voor zonsopgang, is de landing. Het decor op Tholen is veranderd. Hier en daar zijn bordkartonnen palmbomen neergezet en de inboorlingen die met het kamp te maken hebben zijn zwart geverfd zodat ze op echte negers lijken. De mensen die tegenwoordig zo dom zijn dat ze, als je ze vraagt waar ze zijn geweest met vakantie, het niet weten, maar wel kunnen vertellen dat het een heel eind vliegen was, zijn ook nu te dom om iets in de gaten te hebben. Ze wanen zich op de Seychellen terwijl ze op Tholen zijn. Dan is er bijvoorbeeld één man die het wel in de gaten heeft en die laat je omkopen opdat hij het niet verder vertelt. Hij heeft bijvoorbeeld de veerpont naar Ierseke zien varen. Ik geef je dit thema maar heel globaal, je moet het natuurlijk sappig uitwerken maar dan heb je er ook wat aan, je moet er een echt lekker smeuïg verhaal van maken."
- Balzac schreef en schreef. In zijn bureau zat een gleuf. Hij kon per dag meer dan veertig bladzijden schrijven. Iedere bladzijde die hij afhad, gooide hij meteen in de gleuf waardoorheen het vel in de drukkerij beneden de kamer van de schrijver terechtkwam. Als Balzac "Fin" schreef op de laatste bladzijde van zijn roman, was beneden de voorlaatste bladzijde in druk al gereed.
- "Op oude schilderijen zie je niet zo vaak vogels in de lucht," zegt Maarten, "ik denk dat wij, ondanks onze fabrieken en vuile lucht, vergiftigd voedsel, kwikhoudende wormen en ga zo maar door, in onze tijd meer vogels in Nederland hebben dan een paar eeuwen geleden, toen werd namelijk alles wat vloog neergepaft en opgegeten. ..."
-
Dit was de eerste keer in mijn leven dat het weglopen echt gelukt was
en nu wilde ik mijn plannen niet in de war gooien. "Maar ik ben mijn
pillen vergeten," dacht ik, "dat is niet zo mooi. Als ik een paar dagen
zonder die pillen zit, niet kan slapen daardoor, als mijn hart dan
steeds wilder gaat kloppen en de gedachten een ongekend hoge en snelle
vlucht nemen, verwarrend veel gedachten en ideeën, dan word ik al gauw
psychotisch en krankzinnig en kunnen we weer overnieuw beginnen."