vrijdag 9 mei 2025

F.B. Hotz: Eb en vloed

F.B. Hotz: Eb en vloed en andere verhalen (Nederland, 1987): 155 blz: (Uit "Het werk": Deel 2: Blz 201-355 (1997)): Uitgeverij de Arbeiderspers
 

 
In "Eb en vloed en andere verhalen" staan 11 verhalen, met een lengte van 8 tot 26 bladzijden. Mijn favoriete verhaal uit deze bundel is "Toonkunst" dat gaat over hoe hij een instrument (trombone) is gaan spelen. Opnieuw zijn alle verhalen de moeite van het lezen meer dan waard.
 
Citaten:
- De senioren genoten van het uitstel hun vergund. Ze babbelden met lichte zelfingenomenheid: het was te zien dat ze hun redelijke gezondheid aan eigen verstandige inzichten toeschreven. De menselijke ijdelheid, tot nul gedaald of in schroom veranderd bij zojuist gepensioneerden, klimt weer op na de zeventig.
 
- Op een zaterdag in oktober hielden mijn ouders een van hun "dansavondjes". Al vroeg in de middag brachten kruidenier en slijter overdadig spijs en drank. Vader stapte rond twee uur uit zijn zakenauto, liep de trap op, nam uit de diepe gangkast een paar flessen wijn van het huis dat hij vertegenwoordigde en zette ze in een hoek van de kamer. Het was een jaar na de krach van Wallstreet maar van crisis was bij ons nog niet veel te merken.

- De ondergang van de wereld was in ons spraakgebruik doorgedrongen. "Ik eet eerst het lekkerste op," zei mijn zus soms monter aan tafel, "als de wereld vergaat heb ik dat vast binnen."
 
- In werkelijkheid besefte ik wel geen bêta-mens te zijn. Ik had geen technisch bloed. Dat ik op deze school zat was de diepe wens van mijn ouders, die vonden dat ik zo handig met mijn handen was.
 Dat was misschien waar, maar ik was niet handig met mijn hoofd. Ik nam wiskunde te letterlijk. Dat men, bij een formule die nota bene de Harmonische Slingerbeweging heette, de versnelling van de zwaartekracht moest delen door de lengte van een gewichtsloos gedacht touwtje, kwam me ongeloofwaardig voor. Men kan ook zeggen: ik had er geen zin in.
 
- Die zondagmiddag moest ik met moeder wandelen, vanwege plotselinge, voorjaarsachtige zon. Ze wilde "trots" op haar "grote zoon" zijn zei ze, en ik moest haar "een stevige arm" geven. Zoiets had ik ook al eens van vader gehoord: "Zorg dat we trots op je kunnen zijn." Ik dacht ook toen al dat om iemand geven niets met trots te maken had, en zweeg puberachtig.
 
- Wel kocht ik op een van die eerste dagen nog een schrift, om me dagelijks in schrijven te oefenen. Alleen de eerste bladzijde werd beschreven. Er stond: "13 mei 1942. Ik wou dat ik een kreupele meid had om aardig voor te zijn."
 
- Toen mijn moeder oud was geworden, behield ze de gretigheid haar leven met nieuwe dingen te vullen. Nieuwe kleren, nieuwe belangstelling en nieuwe werkzaamheden.
 
- Zo was ze nog steeds. Ze gaf niet om het verleden. Ze hield van de nieuwe architectuur met de grote ramen van haar flat. Ze prees haar nieuwe woning, en richtte die modern in.
 
- Toen ik Miff Mole trombone had horen spelen met Red Nichols' avant-gardegroep uit midden twintig - op de plaat natuurlijk - wilde ik nog maar één ding in m'n leven: musicus worden. Al zou ik er dood aan gaan.
 
- Ik meende dat passerende Duitse soldaten mij extra onverdacht zouden vinden met mijn speeltuig: Böse Menschen maken geen muziek.
 
- Hij vroeg me of ik al wat blazen kon. Ik zei bevend het te zullen proberen maar m'n mondstuk was zo koud dat er geen toon startte. "U moet uw mondstuk nooit in uw instrument laten zitten maar altijd in uw broekzak steken als u niet speelt," zei hij, "dan is dat alvast op temperatuur." Het was de eerste praktische raad die hij me gaf uit een lange reeks.
 
- Soms denk ik met verbazing aan die jaren. Aan de intensiteit van leven en willen, met zoveel dood rondom. Het maniakale vervuld zijn. De volheid per minuut.
  Het luisteren. Ik kon alle complexe solo's van Mole meeneuriën in dankbare herkenning en begrip. Geen gehelmde Duitser kon zo in z'n vaderland, partij of Führer opgaan, meende ik, als ik in Mole.
 
- De avant-garde uit het eerste kwart van deze eeuw! Alles werd nieuw. De wereld ging open. Mijn platen maakten daar deel van uit. Hoewel er vijftien lange jaren verstreken waren sinds die opnamen, wist ik dat die muziek moderner was dan de dode "Swing" van '30 en '40. Naar de geest, technisch en harmonisch.

- De afschuw die ik voelde voor de Duitse vijand was er óók een voor de platte domheid van z'n snoevende marsmuziek, waarmee onze straten vergeven werden. Ook voor de Duitse radioliedjes met de vette L van Liebe. En niet te vergeten de wagneriaanse fanfares bij de extra nieuwsuitzendingen, wanneer weer zoveel honderd bruto registerton Engelse scheepsruimte tot zinken was gebracht. "Mijn" muziek zouden die speknekken nooit kunnen begrijpen.
 
- Op de volgende les begon ik er direct weer over. Ik beklaagde me over m'n primitieve trombone. "Het is geen doen," zei ik, "het is absoluut onmogelijk op dit goedkope ding een hoge bes te spelen."
 "O nee?" zei Schweitzer geduldig.
 "Nee," snauwde ik. "U krijgt van mij zó tien gulden als u op mijn trombone een hoge bes blaast."
 "Geef eens hier dat ding," zei hij. Hij pakte het instrument aan, zette zijn eigen mondstuk erin en blies een volmaakte, volle hoge bes.
 
- Een getrouwd man was gauw lachwekkend. Als híj iets zei in gezelschap, lachten de vrouwen toegeeflijk als tegen een idioot.
 
- Hij had geen slaap en liep voorzichtig wat rond door de saaie kamer. Wat een smaak. Kanten kleedjes. Thomas dacht met spijt aan zijn eigen achteruitgang. De inrichting van het hem toegewezen huis was geen schijn meer van die in zijn duinvilla. Zijn schilderijen en grafiek opgeslagen, z'n meubels grotendeels verkocht. De oorlog stompte af. Lezen was geblader geworden en z'n grammofoonplaten lagen op zolder. Concert, toneel en film waren vervallen. Men zat maar, kletste wat, hoopte en wachtte.
 
- Van muziek hield ze niet overdreven veel. Met de betweterige bekeringswil van de minnaar draaide ik platen voor haar haar die ik licht verteerbaar vond, maar die zij zwaar noemde. Mijn twintigste-eeuwse componisten gingen terug in de lp-koffer. Ze hield alleen van Tsjaikovski en Mendelssohn. "Je hebt toch ook geen negentiende-eeuwse kamer!" zei ik nog, maar verder lieten we het zo. Er zijn ergere dingen.

- Hij stond op de roltrap naar boven; naast hem, gescheiden door leuning en afgrond, gleden  vrouwen en meisjes stram omlaag.
 
- De dood was niet voor te stellen. Wat een onzin die met de slaap te vergelijken. Slaap ademt en droomt en verteert en geneest, en steeds is er een dicterend brein: een ik, het middelpunt van de aarde. Als mijn ik weg is, wie valt dan met mijn middelpunt samen? Wie betrekt mijn kleine uitkijkpost? Een lege ruimte laat ik na, niet groter dan een kist, tenzij ik mijn ervaringen vastleg.
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten