F.B. Hotz: Ernstvuurwerk (Nederland, 1978): 263 blz (Uit "Het werk" (1997): Deel 1: blz 285-547): Uitgeverij de Arbeiderspers
"Ernstvuurwerk" was de tweede verhalenbundel die F.B. Hotz publiceerde. In deze bundel staan 12 verhalen, in lengte variërend van 10 tot 38 bladzijden. Zoals eigenlijk altijd bij Hotz vind ik alle verhalen de moeite van het lezen meer dan waard.
Om één verhaal moest ik erg lachen, "De auditie van mevrouw Stulze". Mevrouw Stulze heeft een kruidenierswinkel. Zij heeft ook drie jonge huurders die zij met genegenheid beziet en die regelmatig uit deze zelfbedieningszaak spullen betrekken zonder daarvoor te betalen. Op een gegeven moment krijgen de drie jonge muzikanten mevrouw Stulze zover om als zangeres mee op tournee te gaan.
Ik kan nog wel even vooruit met de verhalen van Hotz, maar ik ga nu eerst weer eens wat anders lezen.
Citaten:
- Eenmaal verkocht An op zo'n uitverkoop een kinderschortje van 98 cent in de laaiende drukte van de ellebogende vrouwen voor 86 cent. Het kwam direct uit toen een andere vrouw verongelijkt ook zo'n schortje voor die prijs wenste. An had het prijsje op de kop gelezen. Ze werd door tante met een grauw en een ruk aan haar arm weggestuurd; de vrouw huilde haast van drift over de verloren 12 cent. "Kost je ons nog niet genoeg," siste ze in de opkamer achter de winkel.
- Haar boezem droeg ze nu hoog in een getailleerd mantelpak. Ze kreeg er de voornaamheid van een rondstappende kropduif door.
-
Lansberge stapte in Amsterdam CS en keek op de stenen trappen voor zich
naar mee afdalende vrouwen in spijkerbroeken. Die veerden daarbij
expressief door hun heupen zodat de blauwe stof om hun achterwerk trok.
Het spijkergoed was ter plaatse meestal voorzien van opzettelijk
aangebrachte wituitgevreten plekken: een soort anti-versiering met
religieus sociale inslag. ...
-
... Hij wist ook best dat zijn half beledigde treurnis van de nacht
eigen spot verdiende. Iets niet hebben kan ermee door, hebben is meestal
erger. Of was dat misschien berebluf?
-
Hij loog niet; het geheugen is dikwijls groothartig en bovendien: het
goede of goedaardige had die avond wel degelijk ruim overheerst. Alleen,
pas als al het aardige op een rij gezet wordt, riekt het voor derden al
vaag naar ongeluk.
- Met m'n jas al aan keurde ik zo op de valreep een jammerlijk stapeltje platen. Er was er niet één uit de gezochte periode bij: het was verbijsterende rommel van kort voor en zelfs vlak na de oorlog. "Dit is zeker nog van je man geweest?" vroeg ik kregel. Ze wist het niet meer. Uit beleefdheid nam ik een Zarah Leander van haar aan, dat enge wijf dat bovendien een hele of halve nazi geweest moest zijn. Ik dankte en we namen afscheid. "Kom nog eens aan," vroeg Betty. Ik beloofde het. Bij m'n eigen huis liet ik de plaat zachtjes in de gracht om de hoek zakken.
- Ik hoopte dat er een ijswagen langs zou komen, maar dan een "goeie", waarmee bedoeld werd dat het geen schepijs mocht zijn, dat tyfus of de ziekte van Weil kon opleveren, maar verpakt banketbakkersijs. Het waren witte karren met "IJsco" in rode letters, en geen bel maar een bronzen gongetje, dat de kaki-geüniformeerde ijscoman beroerde met een bijpassend houten hamertje.
-
Buiten ontnuchterde hij niet, hij werd baldadig vrolijk: hij vond dat
hij morgen zo'n vlak langs fietsende kantoormeid een vijl in de spaken
kon steken, zodat ze hem als een gebraden eend in de schoot zou vallen.
Maar goed, dat was maar aangeschoten onzin natuurlijk.
-
Onbezorgd was die vrouw in haar blauwe mantel, ondanks het weer, het
was te horen aan haar stap... Maar ze had dan ook dat kind en bovendien
nog een opdringerig soort onschuld. Zó kan je rustig slenteren, op weg
naar eigen huis. Ze "hoeft" niets, ze hoeft aan geen eeuwigheid te
denken want ze wordt wel liefgehad op aarde. Maar een man moet betalen,
z'n ik is geen liefde, bij god nog lang niet.
-
Opnieuw aangeschoten op z'n lege maag vergat hij het gesprek en hij
dacht opeens grinnikend: ik verlang naar liefde, alleen niet zozeer om
te geven, maar om te krijgen.
- De oude architect kwam juist in zijn nachthemd achterstevoren overeind en toonde aldus als eerste z'n dik katoenen achterwerk.
-
De dominee vond grammofoons ordinair en citeerde bovendien Calvijn die
van muziek gezegd had dat het beuzelachtig was óf van de Boze kwam.
- Als puber is men al minder zichzelf dan als kind; niet opvallen wordt een bange hoofddeugd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten