F.B.
Hotz: Duistere jaren (Nederland, 1983): 199 blz (Uit "Het
werk": Deel 2: Blz 1-199 (1997)): Uitgeverij de Arbeiderspers
"Duistere
jaren" telt 9 verhalen met een lengte van 8 tot 37 bladzijden. Opnieuw
zijn alle verhalen uit deze bundel de moeite meer dan waard.
- Zijn verstervende lectuur hielp hem blijkbaar niet: zo goed als begeerte hem soms trof, zo ook woede. Eerder bracht zijn studie hem terug bij zijn oudste gevoelens: hij was niet te gek op mensen. Niet op zijn hospita, niet op Boré en niet op deze beambte. "Gods vriend, dus aller creatuur vijand," mompelde hij het motto dat een dertiende-eeuwse kaperkapitein op zijn scheepsvlag gevoerd zou hebben.
Zijn kleinzoon Mark is zoek op het strand:
- Langs de zeereep begon ik noordwaarts te lopen. Na een halve minuut viel m'n oog, ondanks zekere belofte, op een prachtig meisje in bikini. Ze had een kleine jongen aan de hand. Ze kwebbelden vrolijk samen. Het meisje zette koers landinwaarts, diagonaal in de richting van de witte consumptietent. De jongen wees naar die tent en tegelijk zag ik dat het Mark was.
-
Thuis was m'n logé gaperig. Ik maakte brood voor hem en er was een
gebakje. Voor mij hoefde hij een keer geen melk. Ik had de krant uit de
bus gehaald en hoog op een kast weggestopt. Hij zei nog: "Ik had een
vriendmeisje op het strand, zag je wel opa?" En wát voor een, dacht ik.
Ik vond dat eigen woord aardiger dan ons precaire "vriendinnetje" en
verbeterde hem niet.
In
het logeerbed verzocht hij nog om een verhaaltje. Ik vertelde hem van
twee domme mannetjes die alles fout doen. Hij lachte mat. (Vertelt ooit
een moeder over domme vrouwtjes? Nooit.) Toen het verhaal nog niet
helemaal uit was zei hij: "Nou ga ik maar slapen, opa." Hij had gelijk.
-
Wonderlijk was de geheime sympathie van sommige vrouwen voor het
grofste volk; als ze de weg vroegen deden ze dat aan een lugubere
zwerver of een dronken vogelverschrikker.
-
Hannie liep een paar maal op de weg toe om gebaren te maken naar
passerende auto's. Men stopte niet en Nicolaas had daar vrede mee. Niets
zo weerzinwekkend als de lust te wekken van zo'n bestuurder door een
aardige meid, en dan als oude man je plotselinge aanwezigheid te moeten
verontschuldigen. Neem me niet kwalijk dat ik nog leef.
- Ik begin aan de wandelingen met Belie te hechten. We gaan de stad rond als bezoekers van een kermis. We lijken een beetje vader en dochter en ik neem soms even haar warme hand als zo'n jonge roodjas haar van dichtbij met begeerte beziet. Ze neemt die hand niet direct terug en dat ontroert me. Maar ook bloost ze met blije ogen naar zo'n Brit en dat bevalt me minder.
- Ze had het vastbesloten kwade gezicht van vrouwen die liefhebben en die ieder ander uitsluiten, zelfs als menselijk wezen.
- Ze knikte en wreef haar ogen droog. Ze keek nu weer haast even verwerpend als Belie. Ik was een echtgenoot die geen zorg droeg. Mijn afwezigheid zou ze me vergeven, maar afzijdigheid in alles viet verkeerd. Ze zou me weer aannemen als ik een man was, of wat vrouwen daaronder verstaan. Ik dacht: Ze wil trots op me zijn, haar keus van echtvriend moet de goede zijn. Vrouwenliefde brengt dat mee. Ze neemt me niet zoals ik ben.
- Belie heb ik nog zien lopen met die Engelse soldaat van haar. Hij strompelde. Ze keek als een kip die een prachtei gelegd heeft.
Over een intelligentietest:
- Het was een oud gebouw, waar hardboard voor de nodig geachte indeling zorgde. Twee jongelieden in zwart pak, maagden op ieder gebied maar academisch voor hun taak geschoold, onderwierpen hem aan een reeks testjes die leken afgestemd op het beroep van jeugdherbergvader. Hij moest blokjes inpassen, op een wandbord een touw via pennen in een geometrische figuur leggen, en een verhaal verzinnen bij een reeks amateuristische tekeningetjes.
- Ze volgde hem met de langbenige stap van een melkboer achter z'n kar.
- Ze keek hem aan als een veertigjarige vrouw die een bontjasje geweigerd krijgt.
Op een excursie is een meisje zoek:
- Zegers zocht gehaast op de paden, op de open plekken tussen de verlaten tenten en hij drong tussen de boomstammen. Overal droop het nog na. Hij zocht onordelijk en panisch en natte takken zwiepten in z'n gezicht. Hij riep, te zwak van volume door gêne, haar naam. In gedachte beloofde hij haar van alles als ze maar snel te voorschijn kwam. Rolschaatsen zelfs. Of was ze daar alweer te oud voor? Tien minuten dwalen en roepen leidde tot niets.
- Die nacht sliep Mehrens weer niet. Onrechtvaardige vragen kwamen op. Hij werd "afgeschaft" op een theorie, of omdat hij te eerlijk met zijn onrust geweest was. Het ging om woorden. Men gelooft te lichtvaardig dat werkelijkheid en taal samenvallen.
- Wills gezicht stond geleerd en zwak tegelijk. Hij gaf een eigen samenvatting van - natuurlijk - een Engels boek. Hij sprak haast verontschuldigend. In die tijd verhulde men z'n "denkbeelden" nog niet met wetenschapsjargon, dat maakte zo'n betoog helder maar mager, en wat geen steek hield was sneller bloot te leggen.
-
Had iemand me naar een vriendin gevraagd dan zou ik gelachen hebben.
Een werkloze hoorde geen vriendin te krijgen. Jonge vrouwen zochten
mannen met werk en wat geld en dat waren oudere mannen. Jarenlang zag ik
op straat en in restaurants heel jonge meisjes met grijzende heren. In
treincoupés vlijden ze hun blonde haren slaperig tegen bijna vaderlijke
maatcolberts. Dat nam ik ze niet kwalijk; ik nam me mijn werkloosheid
kwalijk. Honderdduizenden mannen leefden in die beginjaren van '30 in
onthouding als bedelmonniken in boetekleed.
-
We gingen lopen. Het stormde en we leunden voorover tegen de wind. Ik
hield m'n hoed vast, en ook m'n hart; waarom weet ik niet.
-
Vosz zeurde door en sprak van de dictatuur van de middelmaat, of zelfs
de ondermaat. "Het gaat om de cultuurmens," snerpte hij; "de geldmens is
te machtig en de vreetmens te talrijk. De mensheid moet geordend worden
naar z'n wáárde! Gelijkheid is een droom."
Geen opmerkingen:
Een reactie posten