Lewis
Carroll: Alice in Wonderland & Achter de spiegel (Groot Brittannië,
1865 & 1871): 265 blz: Vertaald door Nicolaas Matsier (1989 &
1994): Uitgeverij Van Goor
Deze
prachtige uitgave door uitgeverij Van Goor bevat de twee beroemdste
boeken van Lewis Carroll "Alice in Wonderland" en "Achter de spiegel".
Alles aan deze uitgave klopt. Het is een gebonden hardcover met een
mooie stofomslag, het boek ligt lekker in de hand, het lettertype is
mooi en duidelijk leesbaar, het bevat de prachtige illustraties van John
Tenniel en, het belangrijkste van alles, een zeer onderhoudende tekst
die prachtig is vertaald.
De
opmerkingen die ik in mijn vorige stukje over "Alice in Wonderland" heb
gemaakt, gelden in gelijke mate voor "Achter de spiegel", dat beschouwd
kan worden als het vervolg op "Alice in Wonderland".
"Achter de spiegel"
bevat in vergelijking met het eerdere boek nog meer gedichten die de
tekst afwisselen. Twee mooie voorbeelden hiervan zijn het gedicht
"Koeterwaals" op bladzijden 146 en 147 en het lange gedicht "De Walrus
en de Timmerman" op bladzijden 175 tot 181. In dit laatste gedicht
nodigen de Walrus en de Timmerman de oesters uit voor de maaltijd. De
oudste oester weigert beleefd, maar de jonkies gaan schoon opgepoetst op
pad, zonder dat ze beseffen dat ze zelf het maal vormen.
"Achter de spiegel" is duidelijk minder beroemd dan "Alice in Wonderland", maar even onderhoudend.
Citaten:
- De Koning zei: "Werkelijk, lieve, ik kreeg het koud tot in de punten van mijn snorrebaard!"
Waarop de Koningin repliceerde: "Je hebt helemaal geen snorrebaard."
"De verschrikking van dat ogenblik," ging de Koning voort, "Zal ik nimmer, nimmer vergeten!"
"Toch wel hoor," zei de Koningin, "tenzij je er een aantekening van maakt."
- "Waar kom jij vandaan?" zei de Rode Koningin. "En waar ga je heen? Kijk me aan, spreek met twee woorden en sta niet de hele tijd met je vingers te wriemelen."
Alice luisterde aandachtig naar al deze aanwijzingen en legde zo goed als ze kon uit dat ze de weg kwijt was.
"De weg kwijt?" vroeg de Koningin. "Hoe kun je iets kwijt zijn dat niet van jou is? Alle wegen hier in de buurt zijn van mij ..."
Over de insecten in spiegelland:
- "... maar ga door met je opsomming van insekten: je verspilt tijd."
"Nou, je hebt de paardevlieg," begon Alice, terwijl ze de namen op haar vingers telde.
"Goed," zei de Mug. "In die struik, op halve hoogte, zie je als je goed kijkt een hobbelpaardevlieg. Hij is helemaal gemaakt van hout en verplaatst zich al schommelend van tak tot tak."
"Waar leeft hij van," vroeg Alice met grote nieuwsgierigheid.
"Spint en zaagsel," zei de Mug. "Ga door met je opsomming."
... "En dan heb je de waterjuffer."
"Kijk
eens op de tak boven je hoofd," zei de Mug. "daar vind je een
theewaterjuffer. Haar lijf is van lange vinger, haar vleugels zijn van
boterbabbelaars en haar hoofd is een kletskop."
"En waar leeft zij van?" vroeg Alice, net als eerder.
"Van kokend water en dorre blaadjes," gaf de Mug ten antwoord.
"En dan heb je de vlinder," ging Alice voort, nadat ze nog eens goed gekeken had naar het insekt dat net een slok kokend water en een hap dorre blaadjes nam, trillend over het hele lijf, waardoor ze bij zichzelf gedacht had: "Die zou wel eens boven haar theewater kunnen zijn."
"Bij je voeten, kruipend," zei de Mug (Alice trok haar voeten een beetje geschrokken terug), "kun je een botervlinder zien. Zijn vleugels zijn van bladerdeeg, zijn lijf is een zuurstok, en zijn kop is een suikerklont."
"En waar leeft hij van?"
"Chocolademelk met slagroom."
Bij Fiedeldij en Fiedeldop:
- "... Denkt u dat het gaat regenen?"
Fiedeldij
stak een forse paraplu op boven zichzelf en zijn broer en keek erin
omhoog. "Nee, ik geloof van niet," zei hij, "tenminste - hier onder niet. Mooi niet."
"Maar buiten regenen, dat wil het wel eens doen, nietwaar?"
- "Jou neem ik met plezier in dienst, dat staat vast!" zei de Koningin. "Een stuiver per week en jam om de andere dag."
Alice kon haar lachen niet houden toen ze zei: "Ik wil niet dat u mij in dienst neemt - en om jam geef ik niet."
" 't is heel goeie jam," zei de Koningin.
"Nou, vandaag wil ik hem niet, in elk geval."
"Al wou je hem wel, dan kreeg je hem nog niet," zei de Koningin. "De regel is: jam morgen en jam gisteren - maar nooit jam vandaag."
"Zo nu en dan moet het wel "jam vandaag" worden," wierp Alice tegen.
"Nee, dat kan niet," zei de Koningin. "Het is jam om de andere dag: vandaag is geen andere dag, namelijk."
- "Wat had je gehad willen hebben?" zei het Schaap ten slotte, even opkijkend van haar breiwerk.
"Ik weet het nog niet precies," zei Alice heel vriendelijk. "Ik zou graag even rondkijken, als dat mag."
"Je kunt vóór je kijken en aan beide kanten, desgewenst," zei het Schaap; "maar rond kijken, dat gaat niet - tenzij jij ogen achter op je hoofd hebt."
- "Ik heb hem gekregen," vervolgde Wiggel Waggel nadenkend, terwijl hij de ene knie over de andere sloeg en zijn handen eromheen vouwde, "ik heb hem gekregen - als onverjaardagscadeau."
"Pardon?" zei Alice met een verbluft gezicht.
"Ik ben niet beledigd," zei Wiggel Waggel.
"Ik bedoel, wat is een onverjaardagscadeau?"
"Een cadeau gegeven wanneer het niet je verjaardag is, natuurlijk."
Alice dacht even na. "Ik hou het meest van verjaardagscadeaus," zei ze ten slotte.
"Je weet niet waar je het over hebt!" riep Wiggel Waggel. "Hoeveel dagen zitten er in een jaar?"
"Driehondervijfenzestig," zei Alice.
"En hoeveel verjaardagen heb je?"
"Eén."
"En als je één aftrekt van driehonderdvijfenzestig, wat blijft er dan over?"
- "Ik zou je niet herkennen als ik je weer zag," repliceerde Wiggel Waggel op misnoegde toon terwijl hij haar een van zijn vingers gaf om te schudden, "je lijkt zo ontzettend op andere mensen."
"Gewoonlijk gaat men op het gezicht af," merkte Alice op bedachtzame toon op.
"Daar
beklaag ik me juist over," zei Wiggel Waggel. "Je gezicht is net als
dat van iedereen - de twee ogen, zo -" (hij gaf hun plaatsen in de lucht
aan met zijn duim) "neus in het midden, mond onder. 't Is altijd
hetzelfde. Als je nou de twee ogen aan dezelfde kant van de neus had bij
voorbeeld - of de mond bovenaan - zou dat iets helpen."
- "... Kijk de weg eens af en zeg me of je een van de twee ziet."
"Ik zie niemand op de weg," zei Alice.
"Had ik maar zulke ogen," merkte de Koning spijtig op. "Dat jij Niemand kan zien! Op die afstand nog wel! Tjonge, en dat terwijl ik alleen maar echte mensen kan zien, bij dit licht!"
-
"Ik stond me net af te vragen waar de muizeval voor was," zei Alice.
"Erg vaak zal het niet voorkomen, dat er muizen zitten op het paard z'n
rug."
"Erg vaak misschien niet," zei de Ridder, "maar als ze komen, heb ik toch liever niet dat ze daar allemaal rondlopen."
"Zie
je," ging hij na een korte stilte verder, "je moet toch op alles
voorbereid zijn. Daarom heeft het paard al die enkelstukken om zijn
voeten."
"Maar waar zijn die voor?" vroeg Alice uiterst verbaasd.
"Ter bescherming tegen de beten van haaien," gaf de Ridder ten antwoord. " 't Is een bedenksel van mijzelf. ..."
- "Wij hebben jou de gelegenheid ertoe geboden," merkte de Rode Koningin op, "maar vergis ik me of heb je nog niet zoveel lessen in goede manieren gehad?"
"Manieren worden niet geleerd in lessen," zei Alice. "In lessen leer je sommen maken en dat soort dingen."
- Het is een heel lastige gewoonte van katjes (Alice had het al eens opgemerkt) om, wat je ook tegen ze zegt, altijd te spinnen. "Konden ze maar spinnen bij wijze van "ja" en mauwen bij wijze van "nee" of zoiets regel," had ze gezegd, "dan kon je een gesprek met ze voeren. Maar hoe kun je met iemand praten als ie altijd hetzelfde zegt?"