I.S. Toergenjev: Verhalen (Rusland,
1852-1882): 991 blz: Vertaald door Froukje Slofstra (2024): Uitgeverij
Van Oorschot: serie de Russische bibliotheek
Ik
wachtte al jaren op de aangekondigde nieuwe vertaling van de verhalen
van Ivan Toergenjev. Afgelopen januari is die eindelijk verschenen in
prachtig Nederlands van vertaalster Froukje Slofstra. Zelden heb ik zo
uitgezien naar een boek.
Ik
las in augustus en september 2004 de vijf delen Toergenjew die destijds
verschenen waren in "De Russische bibliotheek" van uitgeverij Van
Oorschot. Ik was het meest enthousiast over de verhalen en dan vooral
over deel 2 "Jagersverhalen en andere verhalen". De romans van
Toergenjev zeiden mij minder en die ga ik dan ook niet meer herlezen.
In
de nieuwe vertaling staan een groot deel van de verhalen die vroeger in
deel 2 en deel 3 stonden. In mijn herinnering vond ik de jagersverhalen
het meest interessant. Misschien bedriegt mijn herinnering mij, of is
mijn smaak veranderd, want nu bij herlezing vond ik die jagersverhalen
niet meer zo interessant. Veel prachtige lyrische natuurbeschrijvingen,
maar verder hadden die verhalen mij niet heel veel te bieden. Ze zijn
overigens wel in prachtig Nederlands vertaald.
Bij
deze herlezing was ik het meeste te spreken over de langere verhalen in
het tweede deel van het boek en dan met name over het langste verhaal
uit het boek: "Lentebeken", dat voor mij het mooiste is wat Toergenjev
heeft geschreven. In "Lentebeken" ontmoet een jonge Rus op doorreis in
Wiesbaden een knappe Duitse jonge vrouw om wie hij een duel uitvecht en
op wie hij verliefd wordt. Om nog wat zaken te regelen reist hij voor
een paar dagen af en ontmoet een femme fatale.
Citaten:
-
Begin augustus hangt er vaak een ondraaglijke hitte. In die periode is
de meest voortvarende en vastberaden man tussen twaalf en drie uur 's
middags niet in staat tot jagen en begint de meest toegewijde hond "de
sporen van de jager te likken", dat wil zeggen: hij sjokt met getergd
toegeknepen ogen achter hem aan, laat zijn tong overdreven ver uit zijn
bek hangen en reageert op de verwijten van zijn meester met nederig
gekwispel en een bedremmelde blik, maar is niet vooruit te branden.
- ... soms zijn het kleine voorvallen, schijnbaar van geen belang, die je het pijnlijkst raken.
-
In de herfst zitten de houtsnippen vaak in oude lindeboomgaarden. Daar
hebben we er nogal veel van in het gouvernement Orjol. Toen onze
voorvaderen een plek uitkozen om te gaan wonen, bestemden ze altijd een
paar desjatienen goede grond voor een boomgaard met lindelanen. Vijftig,
hooguit zeventig jaar later zijn die landgoederen, die "adelsnesten",
geleidelijk van de aardbodem verdwenen, de houten huizen zijn vergaan of
verkocht om afgebroken te worden, van de stenen dienstvertrekken resten
alleen nog hopen puin, de appelbomen zijn doodgegaan of gekapt voor
brandhout, de schuttingen en omheiningen zijn neergehaald. Alleen de
lindebomen zijn net als vroeger glorieus opgeschoten en nu, omringd door
geploegde akkers, herinneren ze onze lichtzinnige generatie aan onze
"in God ontslapen vaderen en broeders".
-
Rond het herenhuis, dat met de achterkant naar de straat lag, speelde
zich af wat je rond alle herenhuizen ziet: dienstmeisjes in verschoten
sitsen jurkjes vlogen heen en weer, huisbedienden ploeterden door de
modder, bleven af en toe staan en krabden peinzend hun rug; het
vastgebonden paard van de veldwachter zwaaide lui met zijn staart en
knauwde met hoog opgeheven snuit aan het hek; kippen kakelden,
teringachtige kalkoenen schreeuwden onophoudelijk over en weer. ...
- Want zo is het gesteld bij ons in Rusland: een mens kan zich niet aan één kunstvorm wijden, hij wil ze allemaal omarmen.
Een van de lyrische natuurbeschrijvingen uit "Notities van een jager":
-
Het hele bos bestond uit zo'n twee-, driehonderd reusachtige eiken en
essen. Hun statige, machtige stammen staken prachtig zwart af tegen het
gouddoorschenen groen van de hazelaars en de lijsterbessen; hoog en
welgevormd reikten ze naar het heldere blauw van de hemel en spreidden
daar hun brede, knoestige takken uit als een tentdak. Haviken,
roodpootvalken en torenvalken vlogen fluitend over de onbeweeglijke
toppen, bonte spechten hamerden krachtig op de dikke schors; plotseling
klonk uit het dichte gebladerte eerst de kwinkelerende roep van een
wielewaal en daarna het welluidende lied van een merel op; beneden, in
het kreupelhout, zongen en kwetterden roodborstjes, sijsjes en
boszangers. Vinken hopten vlug over de paadjes; een sneeuwhaas schoot
behoedzaam zwenkend langs de bosrand; een roodbruine eekhoorn sprong
dartel van boom naar boom en bevroor toen ineens, met zijn staart hoog
boven zijn kopje. In het gras, rond de hoge mierenhopen, bloeiden in de
zachte schaduw van de mooi uitgekerfde varenbladen viooltjes en
lelietjes-van-dalen en er groeiden russula's, sparrenkegelzwammen,
melkzwammen, heksenboleten en rode vliegenzwammen, en op de weitjes
tussen de breed uitwaaierende struiken lichtten bosaardbeitjes rood op
...
- Het luidruchtige gesprek veranderde in een gedempte, aangename conversatie, als het voorjaarszoemen van bijen in hun korven.
-
Hij kwam uit een rijk geslacht. Zijn voorvaderen hadden op grote voet
geleefd zoals landheren in de steppe doen, dat wil zeggen: ze ontvingen
alle gasten zonder onderscheid, genode en ongenode, gaven ze overdadig
te eten, deelden met gulle hand haver voor de paarden uit aan hun
koetsiers, hielden muzikanten, zangers, narren en honden, schonken op
feestdagen wijn en bier aan het volk, reisden 's winters met hun eigen
paarden, in zware reiskoetsen naar Moskou, maar zaten soms ook
maandenlang op zwart zaad en leefden dan van hun eigen vee en land.
-
"Het is een mooie stad," merkte Veretjev op, "maar volgens mij is het
overal goed. Ja, ik meen het. Zolang er een paar vrouwen zijn en, neem
me mijn openhartigheid niet kwalijk, een fles wijn, blijft een mens toch
niets te wensen over."
- Doorstane gevaren vervullen het menselijk hart met een zoete mildheid.
-
"... Ik heb niet naar behoren gestudeerd, en het vervloekte Slavische
gebrek aan discipline doet me de das om. Zolang je droomt over het werk
dat je wil doen zweef je er in adelaarsvlucht boven en denk je bergen te
kunnen verzetten, maar zodra je eraan begint verlies je de moed en de
energie."
- "... U kijkt als een konijn wiens halve brein verwijderd is."
-
Het is pas heel laat in het leven - en alleen na uitgebreide ervaring -
dat een mens leert om, geconfronteerd met de nederlaag of de zwakte van
een medemens, met hem mee te leven en hem te helpen zonder zich
heimelijk te verlustigen in de eigen deugd en kracht, maar, integendeel,
met diepe deemoed en begrip voor het natuurlijke, haast onvermijdelijke
van de menselijke schuld.
De laatste 7 citaten zijn uit "Lentebeken".
- Als elke ware Rus greep hij verheugd het eerste het beste voorwendsel aan om zelf maar niet gedwongen te zijn iets te doen.
-
De laatste tijd worden er in de Russische literatuur, na een vergeefse
zoektocht naar "nieuwe mensen", vaak jongelieden opgevoerd die
vastberaden zijn tegen elke prijs fris te blijven, fris als de
Flensburgse oesters die worden geïmporteerd in Sint-Petersburg.
Over het hondje tijdens een uitje:
-
Alleen Tartaglia hield de stemming erin. Uitzinnig blaffend stoof hij
achter elke lijster aan die hij in het oog kreeg, sprong over greppels,
boomstronken en plassen, wierp zich met een plons in het water,
slobberde het gulzig op, schudde zich uit, kefte snerpend en vloog er
dan weer als een pijl uit een boog vandoor, met zijn rode tong ver uit
zijn bek hangend.
-
Sanin en Gemma waren voor het eerst verliefd; alle wonderen van de
eerste liefde voltrokken zich voor hen. De eerste liefde is een
revolutie: de eentonige, reguliere orde van het leven wordt in een
oogwenk stukgeslagen en verwoest en de jeugd staat op de barricades,
laat het felle vaandel hoog wapperen en zendt een uitbundige groet aan
wat haar ook te wachten staat, de dood of een nieuw leven.
-
Er was nog één dat hem onrustig maakte en hem stoorde: hij dacht met
liefde, vertedering en dankbare vervoering aan Gemma, aan een leven met
haar, aan het geluk dat hem wachtte in de toekomst, en ondertussen
zweefde hem voortdurend die vreemde vrouw, die dame Polozova voor ogen
... Nee, ze zeefde niet, zo formuleerde Sanin het in gedachten hatelijk,
ze had zich pal in zijn blikveld geplant, en hij kon zich niet van haar
beeld ontdoen, hij kon haar stem niet uit zijn oren krijgen, niet
vergeten wat ze had gezegd. Zelfs de speciale geur die haar kleren
uitwasemden, een frisse, verfijnde en doordringende geur als die van
gele lelies, kreeg hij maar niet uit zijn neus. Die vrouw hield hem
duidelijk aan het lijntje en maakte op alle mogelijke manieren avances.
Waarom?
- Zwakke mensen maken nooit zelf ergens een eind aan - ze blijven afwachten.
-
Mensen die Marja Nikolajevna goed kenden beweerden dat wanneer haar
krachtige, solide wezen opeens iets teders en bescheidens kreeg, een
haast meisjesachtige schuchterheid - waar haalde ze het vandaan? vroeg
je je af - dat de dingen dan, ja, op dat moment, een gevaarlijke wending
namen.
Het verhaal "Lentebeken" krijgt van mij 5 sterren.
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.