Posts tonen met het label Lieve Joris. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lieve Joris. Alle posts tonen

vrijdag 29 november 2024

Lieve Joris: Hildeke

Lieve Joris: Hildeke (België, 2022): 140 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
Na "Terug naar Neerpelt", waarin Lieve Joris het vooral had over haar problematische oudste broer Fonny, is "Hildeke" het tweede boek met herinneringen van Lieve Joris aan haar eigen familie. In "Hildeke" staan haar vader en haar mongoloïde zusje Hildeke centraal. Opnieuw een erg mooi boek, vol met mededogen geschreven. 
 
Citaten:
Over Lieves moeder:
- Na vierhonderd kilometer gereden te hebben was ze zonder benzine gevallen. De versnellingsbak was stuk. Ook bleek ze een klapband te hebben gehad; iemand had die vervangen door het reservewiel, al herinnerde ze zich daar niets van. De auto rook naar de meloenen die mijn vader en zij de dag tevoren hadden gekocht en in de achterbak waren vergeten. Vast een aanbieding want het waren er een heleboel. Op de passagiersstoel lag een briefje van tweeduizend frank. Had ze de persoon die haar band had verwisseld willen betalen en had die dat geweigerd? Het zou een raadsel blijven. Eenmaal thuis rilde ze van vermoeidheid. Wies legde haar in bed, stond een tijdje naar haar te kijken en besloot bij haar te kruipen.

- Tijdens een bezoek aan Aline kroop haar kat bij mijn vader op schoot. De manier waarop hij zijn hand door haar vacht haalde, telkens opnieuw - het was voor het eerst sinds de dood van mijn moeder dat hij ergens aandacht voor had. Diezelfde avond reisde Bollie in haar mand mee naar zijn huis.

- "Ons ma is hij compleet vergeten," klaagde Aline.
 "Wees blij," zei ik. Al voelde ik me schuldig toen ik op de Vlaamse radio hoorde dat eenzamen tegenwoordig onvoorwaardelijke liefde kochten voor de prijs van een pak dierenvoer, en dat kinderen liever honden- of kattenbrokken bij hun ouders lieten bezorgen dan bij hen op bebzoek te gaan.

- Iedere bezoeker brengt vreugde aan, al is het niet met komen dan is het wel met gaan.

- Nietsvermoedend lag mijn vader in de ambulance die hem naar het verzorgingstehuis bracht. Het woord "revalidatie" was enkele keren gevallen, verder hadden we niets gezegd en hij had niets gevraagd. Ik zat naast hem en voelde me een verrader toen we de straat voorbijreden waarin hij dertig jaar had gewoond. Bollie was de afgelopen weken vaak alleen geweest. Ze streek langs je benen als je binnenkwam, sprong op je schoot zodra je ging zitten, spinde luidruchtig als je haar streelde. Wat poezen betreft neig ik naar mijn moeder, maar ik had zo met Bollie te doen dat ik haar bij me liet slapen en haar nachtelijke gespin en gesnor voor lief nam.

- Mijn vader was allang niet meer in staat geweest voor Hildeke te zorgen, toch leek zij pas na zijn dood onder onze hoede te komen. De laatste jaren was hij zich soms aan haar gaan ergeren. Alsof hij, nu hij zelf behoeftig werd, ook haar gebreken niet meer kon verdragen. Hildeke lachte vaak in zichzelf als ze in de woonkamer zat te puzzelen of te naaien. Dacht ze aan Guido, op wie ze verliefd was? Had ze een binnenpretje over iets wat er in de instelling was voorgevallen? Verheugde ze zich omdat er straks iemand op bezoek zou komen of omdat er een vlaai op het aanrecht stond? Je kwam er niet achter.

- Net voordat Hildeke naar de zusters van Maaseik ging, had mijn vader een brief gestuurd naar het Speciaal Onderstandsfonds in Brussel met de vraag om financiële tegemoetkoming voor de verpleging van zijn "debiele" dochtertje. Pas anderhalf jaar later kreeg hij antwoord. Zijn aanvraag werd afgewezen. Hij ging in beroep en bracht al zijn epistolaire talenten in stelling om zijn protest kracht bij te zetten. De beslissing aangaande zijn "door de natuur misdeeld kindje" had hem en zijn vrouw pijnlijk getroffen. "Gelet op het inkomen van het gezin" had hij geen recht op bijstand. Terwijl hij drie keer meer mocht verdienen om voor een van zijn kinderen een universitaire studiebeurs te krijgen! Een universitair student, goed bedeeld door de natuur, werd dus "kwistig bijgespijsd door de Staat" en een "zorgenkindje" elke hulp ontzegd? 

- Zijn gezonde kinderen mochten via de ziekenkas regelmatig goedkoop naar zee en naar Zwitserland, terwijl zijn gehandicapte dochtertje slechts één keer met vakantie was geweest - met de Bond der Gebrekkigen en Verminkten. Ook de universitairen die door "Vadertje Staat" werden bevoorrecht, moesten het weer ontgelden. "Toekomstige dokters profiteren van de gemeenschap dankzij studiebeurzen, waarna ze ons, als ze hun beroep eenmaal uitoefenen, opnieuw uitzuigen."

- Tegen Fonny wapenen we ons; Hildeke zullen we van jongs af aan beschermen. Op haar twaalfde geeft Wies in de klas een spreekbeurt over haar familie. Als ze vertelt dat haar jongere zus "een mongooltje" is, begint ze te huilen.
 Mijn moeder verstopt Hildeke voor de vrijers van Nicole en Aline - ze mochten eens denken dat ze ook zo'n kind zouden krijgen - maar leert ons tegelijkertijd onvoorwaardelijk van haar te houden. Soms staren mensen naar Hildeke als we in de speeltuin zijn of wandelen in het dorp, en vervolgens naar ons. Alsof ze willen zeggen: "Wat hebben jullie nu meegebracht? Moeten wij dit zien? Waarom laten jullie haar niet thuis?" Anderen zijn extra vriendelijk, knikken ons toe, maken een praatje. Hildekes aanwezigheid scherpt onze blik; dankzij haar kunnen we dieper in de harten van mensen kijken.

- Hildeke heeft nieuwe kleren nodig, heeft Nicole beslist. In het grootwarenhuis durft ze de roltrap niet op. Ik wil op zoek gaan naar een lift, maar Nicole geeft haar kordaat een zetje en daar gaan we met z'n drieën de hoogte in.
 T-shirts, sweaters, truien - in de rekken lijken ze mooi; als je klein bent en rond, worden ze vanzelf lelijk.
 Nadat ik het zoveelste shirt over haar hoofd heb getrokken, kijk ik naar haar in de spiegel.
 "Je bent te dik," zeg ik.
 Ze begint te huilen, draait zich om, omarmt me en zegt: "Maar da kind moet toch eten."
 Ik schaam me: zoekt ze troost bij me terwijl ik haar zelf aan het huilen heb gebracht.

- Ons Aline was vroeger de liefste thuis, ze zorgde voor iedereen en bleef dat zelfs doen nadat ze getrouwd was. Hildeke herinnert zich die zorgzaamheid, ze leeft op zodra ze Aline ziet, weet dat ze haar kan vertrouwen, geeft zich onvoorwaardelijk aan haar over. Zelf ben ik dwarser, opstandiger, veeleisender - bij mij is ze op haar hoede, ik moet haar telkens weer voor me winnen.

- Ik denk aan de keer dat ik de Malinese zanger Kar Kar mee naar Hasselt nam. Al had Hildeke nooit een zwarte man van zo dichtbij gezien, ze stapte op hem af en gaf hem spontaan drie kussen.

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

woensdag 27 november 2024

Lieve Joris: Terug naar Neerpelt

Lieve Joris: Terug naar Neerpelt (België, 2018): 255 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
Nicole, Aline, Fonny, Rik, Lieve, Wies, Hildeke, Filip en Polly. Lieve Joris is de middelste uit een groot gezin met 9 kinderen. "Terug naar Neerpelt" is het eerste boek dat Lieve Joris publiceerde over haar eigen familie. Het is een combinatie van memoires over haar eigen leven en een biografie van haar oudste broer Fonny, die een problematisch leven leidde als gevolg van een combinatie van psychiatrische problemen en drugsgebruik. 
 
Lieve Joris is natuurlijk vooral bekend door haar prachtige reisverhalen over Congo, Mali, Hongarije en Syrië. Ik denk dat er meer boeken als "Terug naar Neerpelt" geschreven zijn het Nederlands. Misschien is het boek iets minder uniek dan de reisverhalen van Lieve Joris, maar het is een prachtige aanvulling op haar overige werk en een absoluut genot om te lezen.
 
Citaten:
- Wanneer ik die middag naar boven ren om verslag uit te brengen van het zoveelste telefoongesprek, zegt Marek: "Als ik jou was zou ik alles opschrijven."
 "Wat dan?"
 "Wat ze zeggen. Straks ben je het allemaal vergeten."
 Ik ben verbaasd. Doorgaans is Marek niet zo gesteld op mijn familieperikelen en al helemaal niet op de blinde obsessie waarmee ik me erop stort. "Waarom zou ik het willen onthouden?"
 "Je weet nooit waar het goed voor is. Doe maar - anders heb je later spijt."
 Na enige aarzeling open ik op mijn computer een document dat ik "Fonny" noem en begin ik notities te maken. Niet alleen over wat er die dagen gebeurt, maar gaandeweg ook over dingen die vroeger zijn voorgevallen.

- Fonny was in Neerpelt eens alleen thuis toen een collega van mijn vader aanbelde. Fonny ontving hem in het salon, bood hem iets te drinken aan en maakte een praatje. De collega was op de hoogte van de problemen die mijn vader met een van zijn zonen had. Nadat mijn vader gearriveerd was en Fonny zich had teruggetrokken, zei hij: "Gij hebt er wel ne slechte tussen zitten, maar die ik just heb gezien, dat is toch ne goeie." De anekdote zong jarenlang rond in de familie en werd, bij gebrek aan beter nieuw, een wapenfeit.

- Op een middag botste mama in de Stock Américain tegen papa op, die na zijn werk ook wat ontspanning was komen zoeken tussen het Bavariaporselein. Ze stopten op de terugweg bij een antiekzaak. In de etalage stond een grote Chinese vaas. "Kijk daar eens," zei mama, "precies dezelfde als de onze." Dat had ze goed gezien. Bij hun thuiskomst bleek één van de twee Chinese vazen op de vensterbank in het salon verdwenen te zijn.

- Twee maanden geleden dachten we dat hij dood zou gaan, maar daar is hij, onze Fonny. Enigszins gehavend, dat wel, met een flink gat in zijn kop, metalen pinnen in zijn rechterbovenarm en zijn verbrijzelde linkerpink in het verband, maar zoals hij die zondagmiddag tegen de bar van De Spaanse Club leunt in zijn zomerse beige broek, sportschoenen en veelkleurig hemd, het kruisje dat hij van Annie cadeau kreeg om zijn nek, is hij er weer helemaal.

Over Lieves vader:
- Als hij voor diezelfde staat werkt en middels examens is opgeklommen van klerk tot opsteller, verificateur, controleur en ten slotte tot ontvanger van de belastingen trekt hij zich het lot van onvermogende betalers zodanig aan en tracht hij zo vaak uitstel van betaling voor hen te krijgen dat een collega opmerkt: "Die man deugt niet voor de belastingen - daar is hij veel te goed voor."

- "Toen ik laatst een telefoongesprek met papa afbrak omdat ik naar een verjaardagsfeestje in mijn schoonfamilie moest, schold hij me uit voor feestvierder," klaagt Wies.
 "Dat komt omdat wij geen feestvierders zijn, maar miserievierders," valt Aline haar bij.
 "Miserievierders," dat is een mooi woord, dat ga ik noteren. Al doende mis ik wat Wies te berde brengt en vraag: "Wat zeg je?"
 "Miserievierders!" roept Aline.

- Ik leg mijn hand op zijn roze arm. "Filip maakt zich zorgen, papa, net als wij allemaal. Dat is toch normaal, wij houden van jullie ..."
 "Nee, nee, er is hier geen liefde, dat is juist het probleem. Laatst zei ik tegen Wies: Jij zou eens een ritje met Fonny moeten maken, dat zou hem goeddoen. Weet je wat ze antwoordde, de brutalerik? "Als je mij een pistool geeft en vraagt hem dood te schieten, dan zeg ik ja, maar een ritje maken - geen sprake van." En dat noem jij liefde."

- Hier woont Jeanne, de naaister, daar is het winkeltje van Anneke, waar de snoep in dozen zonder deksel ligt uitgestald. Jaren later, als ik boodschappen doe voor bomma, zal ik eens drie gekleurde hosties met zoetzuur poeder, die zo heerlijk wegsmelten op je tong, in mijn tas laten glijden en daar een kropsla overheen leggen. Wanneer ik de sla wil afrekenen, steekt Anneke haar hand uit. "Laat eens kijken wat ge daar nog hebt?"
 "Niks, eh ..." Over de toonbank heen reik ik haar mijn tas aan. Anneke haalt de hosties er een voor een uit, zegt ten overstaan van iedereen: "Foei, foei, dat had ik niet van u gedacht" en roept me na: "Dat ga ik tegen uw bomma zeggen." Maar ze doet dat niet, zodat het geheim tussen ons in blijft hangen.

- Die zomervakantie zit Fonny in Neerpelt met een groepje buurjongens op zijn uitkijkpost bij de groene poort als een vrachtwagen volgeladen met bier en limonade pal voor hun neus een te korte bocht neemt en in de greppel terechtkomt. In een mum van tijd heeft een achttal jongens zich om de vrachtauto verzameld. Onder toezicht van de chauffeur laden ze de kratten drank af. Daar moet iets voor hen in zitten, zo'n buitenkansje kunnen ze niet laten passeren. Met enkele gebaren maakt Fonny hun duidelijk wat te doen.
 "Kijk daar eens," roept hij tegen de chauffeur.
 Verstoord kijkt die op. "Waar?"
 "Daar!" Fonny wijst in de richting van het kanaal. "Ziet ge 't niet? Nen olifant!"
 "Maar waar dan?"
 "Daar, bij 't kapelleke."
 "Ik zie niks."
 "Ja, nu is het te laat - hij is net de hoek om." De twee kratten bier die in de tussentijd in het bosschage achter de poort zijn beland, drinken ze op zodra de vrachtwagen vertrokken is.
 
- Tegen de tijd dat de politie mijn vader terugbrengt, is Fonny langs het kanaal naar huis gewandeld en zit hij boven, op zijn kamer. Aline is net zestien geworden, hij wilde bij zijn nieuwe baas in Lommel een armband voor haar kopen, zegt hij. En zo gaat dit verhaal de geschiedenis in: niet als een ongeluk waarbij Fonny op zijn veertiende zijn vaders auto perte totale reed en een Hollander maandenlang rugklachten bezorgde, maar als het accident dat hij veroorzaakte toen hij op weg was naar Lommel om van zijn eerste loon een cadeau voor Alines verjaardag te kopen.
 
- "Waarom bellen mensen Teleonthaal eigenlijk?" zegt Fonny nadat hij haar heeft geïnformeerd over zijn drankprobleem.
 "Hoezo?" vraagt de vrijwilligster geduldig.
 "Wel ... ik heb hier geen echte voldoening van. Ik zeg u wat er met mij aan de hand is, dus ik geef u iets, maar ik krijg er niets voor terug, want het blijft anoniem."
 De mevrouw weifelt, dan antwoordt ze: "Maar wat verwacht u dan? Is dat niet te veel?"

- "Zij daar," roept Fonny, wijzend op mij, "zij doet alsof ze een heilige is, maar ik ken haar heel goed, zij heeft geen scrupules. Op haar achttiende had ze een verhouding met een getrouwde vent met drie kinderen. Drie kinderen! Ze reist de hele wereld af en wat denkt ge dat die Pool van haar doet als ze weg is? En wat denkt ge dat zij doet?" Hij is nog niet klaar. "Gij!" schampert hij tegen mij. "Gij voelt u zeker interessant als mijn bekende zuster. Want gij zijt toch bekend, niet? Gij verwacht zeker dat ik tijdens de therapie in Munsterbilzen ga zeggen dat ik dankzij u tot inkeer ben gekomen."
 Geschrokken en beschaamd laat ik zijn gescheld over me heen komen. Ik mag dan door de binnenlanden van Congo hebben gereisd en als vrouw alleen door de Golflanden hebben getrokken, tegen Fonny's gemeenheid kan ik niet op. Hij is nog steeds in staat me te kwetsen.

- ... Fonny laat met groot gemak een diepvrieskip in een binnenzak van zijn parka glijden, een fles wijn in de andere. "O, ik ben nog iets vergeten," fluistert hij bij de kassa, loopt naar het rayon met sigaretten en schuift een slof Belga-filters achter in zijn jeans. 
 Ik ben minder bedreven dan Fonny, al is een zekere steelvaardigheid mij niet vreemd. Als ik in mijn kostschooltijd boodschappen deed voor bomma, verstopte ik kaas en vleeswaren in de dubbele bodem van de tas, maar verrekende die wel met haar, zodat ik thuis op maandagochtend niet hoefde te bekvechten over mijn vaders ondeelbare briefje van duizend frank.

- Van je familie moet je je bevrijden, zegt Sus. Ouders proberen je klein te houden en je te modelleren naar hun kleinburgerlijke idealen. Als ze je niet willen laten gaan, kan je maar best radicaal met ze breken. Tegelijkertijd wil hij een kind van me. Ik denk aan de drie blonde wezentjes in dat andere huis, die soms ook bij ons zijn. Het gemak waarmee Sus afstand van ze neemt. En het mijne zou nummer vier zijn? Nee, dat lijkt me geen goed idee.

- Ik heb een studiebeurs, maar krijg geen geld meer van mijn ouders sinds ze weten dat ik bij Sus ben en dus ga ik aardbeien plukken. Dagenlang zit ik op mijn hurken in de kassen tot ik, net als vroeger, 's nachts in bed nog aan het plukken ben. Eindelijk kan ik een nieuwe Levi's-jeans kopen. "O, mag ik die eens passen?" vraagt Fonny als hij langskomt. En dan: "Kan ik ze even lenen?" Ik protesteer, waarop hij een scène maakt, roept dat ik een egoïst ben, altijd geweest, en ervandoor gaat met mijn broek. Die krijg ik nooit meer terug.
 
- "Weet je wat jij moet doen in plaats van de muizenissen in je hoofd te beschrijven?" suggereert mijn begeleider als hij me ziet lijden. "De straat op gaan en luisteren naar wat andere mensen te zeggen hebben."
 Ik zal zijn raad opvolgen.
 
- Er is weinig overgebleven van de knappe man die Fonny ooit was. Een tijdlang heeft hij zijn haar gepermanent om zijn beginnende kaalheid te verbergen, inmiddels draagt hij het heel kort. Eén keer maakt iemand nog een interessante foto van hem. Als je alleen naar de linkerhelft van zijn gezicht kijkt - de zelfverzekerde blik, de welgevormde lippen, de stevige wenkbrauw - is de aantrekkelijke man van vroeger er weer. Aan zijn rechterkant - het gat in zijn hoofd, de ingeklapte kaak, het opengesperde oog - is hij het type geblutste junk waar ik in Amsterdam schichtig aan voorbijloop. "Dit heb ik niet gewild," schrijft hij in zijn dagboek, "en toch is bijna alles gebeurd waar ik bang voor was."

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

zaterdag 23 november 2024

Lieve Joris: Op de vleugels van de draak

Lieve Joris: Op de vleugels van de draak: reizen tussen Afrika en China (België, 2013): 318 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
Afrika is een beetje een verloren continent. Terwijl overal in de wereld sprake is van een economische groei, worden de landen in Afrika al sinds de jaren 80 jaar na jaar armer.
 
Lieve Joris heeft veel gereisd door Afrika, met name door de republiek Congo (het voormalige Zaïre). In eerste instantie ging ze op zoek naar het land waar haar oudoom als missionaris heeft gewoond. Geleidelijk ging ze houden van het land en zijn bewoners.
 
In "Op de vleugels van de draak" bekijkt Lieve Joris hoe de relatie is tussen de verschillende Afrikaanse landen en China. Terwijl de westerse landen steeds minder zaken lijken te doen in Afrika springen de Chinezen in het gat in de markt dat is ontstaan. Overal in Afrika zorgen de Chinezen voor de infrastructuur, ze kopen op grote schaal grondstoffen en openen winkeltjes.
 
In het begin van het boek is Lieve Joris in Dubai. Daar ontmoet ze een aantal Afrikanen die hier inkopen doen, winkels hebben en vervolgens ook naar China reizen. Lieve Joris besluit om een Afrikaan naar China te volgen en te kijken hoe de relatie is tussen de Afrikanen en de Chinezen.
 
Zoals in al haar boeken is Lieve Joris zeer betrokken bij de mensen die ze ontmoet. Ze logeert bij mensen thuis, sluit vriendschappen en volgt hen overal. Zodoende ontstaat een genuanceerd beeld. Opnieuw een prachtig boek!
 
Citaten:
- De man van de zaagmachine belt weer. Tijdens Alberts laatste bezoek aan Kisangani gaf die hem een diamant mee om in Dubai te verkopen. Met een deel van de opbrengst kocht Albert een elektrische zaag, de rest van het geld bewaarde hij. De man kondigt aan dat een bevriende commerçant op weg is naar Dubai; Albert mag hem het resterende bedrag geven, zodat die het ter plaatse kan besteden.
 "En hoe krijgt hij zijn geld dan terug?"
 "Dat heeft zijn vriend hem net gegeven. Daarom krijgt die straks cash van mij." Alles werkt in Dubai op deze manier, zegt hij, doorgaans komt er geen bank aan te pas. Hawala - ook Sachin en Vishal maken gebruik van dit informele transactiesysteem. Er gaan miljoenen in om, zal ik leren, waaronder veel zwart geld. De Verenigde Staten zijn er beducht voor, want ook Al Qaida doet betalingen via hawala.
 
- In een lift kwam Albert onlangs een Ugandese vrouw tegen die zijn telefoonnummer vroeg en hem het hare wilde geven. Eerst weigerde hij, maar vervolgens gaf hij het toch. Toen ze hem belde, vroeg hij haar naar de winkel van de Duseja's te komen en sprak haar streng toe. "Het leven dat je leidt is niet goed," zei hij, "ik ben een predikant en ..." "Maar dat is geen probleem," riep ze, "ik heb een heleboel klanten die predikant zijn!"
 
- 's Ochtends neem ik de taxi naar het oude centrum van de stad. De chauffeurs komen veelal uit Bangladesh of Pakistan, hun Engels is net goed genoeg om me naar mijn bestemming te brengen. Nu en dan maken we een praatje. "Hoe is het leven hier?" vraag ik aan een Afghaan die nors door de straten stuurt. "Money good, life no good," zegt hij.
 
- ... "Regent het in België ook?" vraagt Anne. Dubai is haar eerste niet-Afrikaanse bestemming, ik heb al eerder ondervonden dat zij niets over het land van haar vroegere kolonisator weet. Verbouwen wij pinda's en avocado's, wonen dorpelingen bij ons in hutten? Dat zijn de vragen die ze me de afgelopen dagen stelde.

- Op het plein voor de Olifantgalerij zit een dikke man op een krukje te praten, een blikje Heineken in de hand. Al onttrekt een zwart petje zijn gezicht deels aan mijn oog, zijn profiel is me bekend, evenals de gebaren waarmee hij zijn betoog kracht bijzet. In enkele passen ben ik bij hem. "Dédé?"
 Hij kijkt me verbaasd aan. "Hoe kom jij hier." En dan: "Jij volgt me tot op de maan!"
 We zijn elkaar jaren geleden ook al eens tegen het lijf gelopen op een terras in Uganda's hoofdstad Kampala. Zijn broer Guy en hun vrouwen Zaytoun en Rashida zijn er ook en plotseling is het alsof ik in deze stad familie heb. De Lusangi's nog wel, die in Congo behalve een busmaatschappij, restaurants en hotels ook palmolieplantages beheren - die tout-terrain zijn, zoals de Congolezen het noemen.
 
- Guangzhou staat bekend om zijn fixatie op verse gerechten; tijdens een etentje met een Chinese kennis kieperde de ober voor mijn ogen een partij springlevende sardientjes in een kom kokende rijstepap.

- In het zuiden van China draait volgens Abu alles om geld en sinds de toestroom van Afrikanen doen bedrijven hun uiterste best hen te lokken. Op de Huanshi Zhongstraat werden eens flyers uitgedeeld voor een beurs in Shantou, 450 kilometer ten oosten van Guangzhou. De bus ernaartoe, het hotel, het eten - alles was gratis. "De autoriteiten van Shantou waren geschokt door het gebrek aan etiquette van de Afrikanen die op het buitenkansje waren afgekomen: ze gristen de gerechten van het buffet en stopten eten in hun tas. Maar de lokale bevolking was verrukt, die dacht dat een bus vol Amerikaanse basketbalspelers was gearriveerd en stond in de rij om hun handtekening te vragen."

- " ... Tot voor kort dachten Afrikanen bij een fabriek aan Duitse gevaartes, waar je een gebouw van drie etages omheen moest bouwen. Die mythe is ontmaskerd: tegenwoordig kan je een fabriek runnen met tien mensen. Een drukkerij, dat zijn drie machines. Voor 5.000 dollar installeer je in je garage een machine om sap te maken, thee in te pakken of mobiele telefoons in elkaar te zetten. "
 
- De Chinezen leggen wegen aan in het Rwandese binnenland. "Onderweg zien ze weleens een hond lopen," vertelt Albert. "Tot voor kort pakten ze die op, stopten hem in hun vrachtwagen, aten hem 's avonds in hun compound op en lieten de botten slingeren. Wij moesten hun uitleggen dat zij zich daardoor de vijandigheid van de bevolking op de hals halen, want een hond in Rwanda is een bewaker. Als je die doodt, vrezen mensen dat zij daarna zelf aan de beurt zijn."
 
- Het is prettig te praten met een Afrikaan die van zoveel inzicht getuigt in wat China voor Afrika kan betekenen en zich tegelijkertijd zo goed bewust is van de valkuilen. "Chinezen vragen mij voortdurend of ik misschien de zoon of de neef van de Rwandese president ben," zegt Albert. "Hoe kan ik anders op mijn jonge leeftijd al zo'n hoge functie hebben? Ik antwoord steevast: "Als ik de zoon of de neef van de Rwandese president was, zou ik niet in China hebben gestudeerd, maar in de Verenigde Staten of in Europa, zoals de kinderen van jullie elite. Dan zou ik nu niet hier zijn, maar daar."" Hij kijkt me aan met dat slimme lachje van hem. "Reken maar dat ze dan hun mond houden."
 
- Een Chinese student kwam eens naar hem toe en zei: "Het spijt me je dit te moeten vragen, maar klopt het dat jullie in Afrika in bomen leven en alleen kleren aantrekken om hiernaartoe te komen?" Zo iemand neemt Franck te grazen. "Jazeker leven wij in bomen," antwoordde hij, "en je weet toch dat China een ambassade heeft in Rwanda? Wel, de Chinese ambassadeur woont drie bomen bij ons vandaan."
 
- Na Xiangtan en Changsha begin ik een idee te krijgen van hoe middelgrote steden in het Chinese binnenland eruitzien. Jinhua is niet anders: brede boulevards met lawaaierig verkeer, karakterloze flats, hotels met grote entrees, supermarkten met schreeuwerige reclames. Hier en daar een stuk braakliggend land waarop grijpkranen gretig het roodbruine zand afgraven, want de bouwwoede gaat onverminderd verder.
 
- Het is aangenaam tegenover Guo Dong te zitten, stapels boeken over Afrikaanse kunst binnen handbereik. De Chinezen hebben alles, zegt hij: geld, luxe, en toch zijn ze niet gelukkig. In Afrika wordt er altijd gelachen, al hebben de mensen niets. "En de lucht is er schoon. God slaapt elke nacht in Uganda, want daar is het paradijs." Die uitdrukking ken ik uit Rwanda - alleen zeggen ze daar dat God elke nacht in Rwanda slaapt.

- "Hebben jullie het later nog over zijn vaders dood gehad?"
 "Nee, nee, hij praat er niet graag over."
 "Het was het eerste waarover hij mij vertelde toen we elkaar ontmoetten."
 "Dat komt omdat jullie treinconversaties voeren?"
 "Hè?"
 "Zo noemde een journalist het ooit. Hij ging conversaties aan met treinpassagiers en werd geen enkele keer afgewezen omdat mensen ervan uitgingen dat ze hem nooit meer zouden zien."
 Dat is wat ik doe: treinconversaties voeren. Alleen duren die soms jarenlang.

- Hij kopieert de afbeelding op mijn stick alsof het een kostbaar cadeau is, waarna ik hem de geheugenkaart van mijn camera geef om de foto's te kopiëren die ik op de Expo van hem maakte. Hij slaat ze op onder de naam Liwu, zoals hij me is gaan noemen.
 "Betekent dat iets?"
 "Ja: Geschenk."
 Vroeg of laat, heb ik gehoord, geeft iemand in China je een naam.
 "Het is een mooie naam," zegt hij, "hou die maar."

- Ik heb aangeboden de boodschappen te betalen en in de supermarkt laadt Eureka kip, olie, tomatensaus, groente en fruit in zijn karretje. "Ho, ho," protesteer ik als hij een pak bloem van vijf kilo uit de rekken haalt, "waarom zoveel? We zijn maar met z'n vieren." Schuldbewust bekent hij van de gelegenheid gebruik te willen maken een voorraadje aan te leggen.

- Op zijn tiende toog hij met zijn vader naar de markt in een dorp verderop en kocht een blik melkpoeder waarmee hij thuis langs de deuren ging. Hij verkocht het poeder per plastic lepeltje: voorzichtig kieperde hij een lepeltje in de handpalm van zijn klanten, die het poeder oplikten en erop zogen alsof het een snoepje was. 10 CFA kostte het. Vaak vonden ze het zo lekker dat ze nog een lepeltje wilden. Zelf at Cheikhna er tussendoor ook een beetje van. Toen het blik leeg was, had hij tweeënhalf keer zoveel geld als hij ervoor betaald had.

- De laatste vijftien jaar vliegt Makam niet meer. "Eén reis zou ik nog willen maken," zegt hij, "terug naar Mali. Een moslim moet begraven worden op de plaats waar hij sterft, en ik wil niet in vreemde aarde liggen. Maar dan zou ik mijn huis moeten verkopen en waar moeten mijn kinderen en kleinkinderen dan wonen?"

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

woensdag 20 november 2024

Lieve Joris: Mijn Afrikaanse telefooncel

Lieve Joris: Mijn Afrikaanse telefooncel (België, 2010): 158 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
"Mijn Afrikaanse telefooncel" is alweer het twaalfde boek van Lieve Joris dat ik heb herlezen en besproken. Het is een dun boekje, het telt 11 verhalen uit de periode van 1982 tot 1998, die allen gaan over gebieden waar Lieve Joris het meest mee heeft, natuurlijk Afrika en verder ook het Midden-Oosten en Oost-Europa. Het mooiste verhaal van het boek, vind ik dat over haar bezoek aan Ryszard Kapuściński in Polen. Binnen het oeuvre van Lieve Joris is "Mijn Afrikaanse telefooncel" een tussendoortje, wel prima te lezen natuurlijk.
 
Citaten:
- Langs de hoofdstraat van Kokry, tegenover de markt en ingeklemd tussen twee winkeltjes, lag Bina's telefooncel: een lemen raamloos vertrek met een ijzeren deur waarboven een pas geverfd bord hing. Cabine téléphonique Lieve. Bina lachte om mijn verbazing. Ik was naar Markala gekomen om hem te troosten toen hij terneergeslagen was, ik was met hem naar de hoofdstad gereisd toen hij zijn eerste aanbetaling ging doen - Rose en hij hadden besloten dat de telefooncel mijn naam zou dragen.
 
- "Natuurlijk heeft hij gelijk, maar is dit soms een normaal land? Als ik in Oeganda woonde, zou ik graag belasting betalen, want daar zijn de wegen geasfalteerd, daar weet je waar je geld naartoe gaat. Je zou een Oegandese ambtenaar trouwens niet durven om te kopen, want misschien werkt hij wel voor de staatsveiligheidsdienst en president Museveni is geen doetje. Maar de Congolese douane wordt nog steeds niet betaald, dus als ik met honderd vaten benzine uit Kenia kom, registreert de douane er tien en maken we een deal over de rest van de invoerrechten, volgens het adagium van Mobutu: Koyiba ndambo, kotika ndambo. Steel een deel, laat een deel." Salumu lachte schamper. "Zolang de staat niets voor mij doet, doe ik alles zigzag. Als handelaar komt dat me goed uit, maar voor het land is het natuurlijk slecht."

- Voorzichtig liep ik naast hen door de duisternis, vloekend op mijn zaklamp, die al aardig aan het afrikaniseren was: ze deed het alleen nog als ik er flink op sloeg.

- Salumu keek hen peinzend na. Vissers waren net zulke sloebers als diamantdelvers, zei hij: altijd arm en altijd dronken. Zij werkten, maar een ander ging er met het geld vandoor. "Het zijn baantjes voor bedriegers. Ik lieg tegen de jongen die diamanten voor me zoekt, de Libanees die mijn diamanten opkoopt liegt tegen mij, en wordt op zijn beurt bedrogen door de Belg in Antwerpen aan wie hij zijn diamanten verkoopt."

- Tegen de avond naderden we Bunia. Plotseling keek Tshekende verrast uit zijn raam. Er rolde een wiel voorbij, met alles erop en eraan. God is goed, dacht hij een fractie van een seconde, een wiel, dat is precies wat ik nodig heb, daar is hier al maanden een schrijnend gebrek aan. Het volgende moment kwamen we met een schok tot stilstand. Het was ons eigen linkervoorwiel dat de straat op was gerold. Mijn hoofd suisde van verbazing. Ik begreep niet hoe zoiets mogelijk was, maar niemand keek ervan op. Sommige passagiers stapten uit en liepen naar voren om de schade op te nemen.

- De volgende dagen loop ik soms door het kleine Bombay dat Rashids landgenoten in Dar es Salaam geschapen hebben. Er hangt een doordringende geur van kruiden, Zaïrese popmuziek schettert dwars door de zangerige Indiase liedjes heen. De Indiërs hebben er hun eigen moskeeën, ziekenhuizen en restaurants, zoals in veel Afrikaanse steden. Ze behoren tot een bevolkingsgroep die door het hele continent opgejaagd wordt. Het gaat hun te goed, ze wekken jaloezie op. Amin verdreef hen uit Oeganda, Mobutu kortwiekte hen in Zaïre. Maar hun veerkracht is legendarisch: ze gaan niet weg, verhuizen hoogstens van het ene land naar het andere. Vaak beginnen ze na enige tijd op dezelfde plaats opnieuw.

- De eigenaar van Hôtel de la Poste liet me de dakkamer zonder veel enthousiasme zien. Een bed en een stoel stonden er, meer niet. Het waaide er vervaarlijk, zei hij, wijzend naar de glazen deur die door een windstoot aan diggelen was gegaan. Maar ik stond al weg te dromen voor het raam, dat een grandioos uitzicht bood op de rivier de Senegal. Het terras keek uit over de daken van Saint-Louis en in de verte glinsterde de Atlantische Oceaan.
 Diezelfde dag nog sleepte het hotelpersoneel een bureau naar boven. De Libanese winkelier om de hoek leende me een ijskast, vrienden gaven me een gasstel, van een Mauritiaans tapijt en kussens maakte ik een zithoek, een vriendin bracht me een stel kleurrijke panen waarmee ik mijn meubeltjes bedekte. Ik liet een poster inlijsten van de Malinese zanger Boubacar Traoré, over wie ik aan het schrijven was, en hing die aan de kale muur. Mijn kamer was klaar.

- Het hele centrum van Warschau is vol oude vrouwen, gewapend met boodschappentassen. "Dat is het echte einde van de oorlog," zegt Kapuściński. De meesten hebben geen enkel familielid meer. Ze zijn hier na de oorlog neergestreken en gaan niet weg. "Dit is een land van weduwen, want Poolse mannen sterven doorgaans rond hun vijfenvijftigste aan een hartaanval." Altijd als hij bij de dokter komt zit de wachtkamer vol vrouwen, zij zorgen beter voor zichzelf.

- Zelf woont hij met zijn vrouw in een flat aan de rand van de stad. Tijdens de staat van beleg zag hij de oude mensen in zijn buurt opleven. Ze kregen een nieuwe functie: zij waren de enigen die tijd hadden om in de rij te staan. Tegen betaling deden ze boodschappen voor de hele buurt. Zij wisten waar en wanneer er vlees zou aankomen, waar je lampen kon krijgen, een tv of wasmachine. "Zij zijn vóór deze regering," zegt hij, "want die heeft hun leven weer zin gegeven."

- "... Laatst vroegen ze op de radio aan een jong meisje waarom ze een kind wilde. "Omdat dat het enige is dat ik kan krijgen," zei ze"

- Op een avond gaan we naar een restaurant. Het is pas zes uur, maar de ober komt vertellen dat ze gaan sluiten. Problemen met de elektriciteit. Op weg naar de auto maak ik er een opmerking over. Hoe kan zoiets gebeuren? Ineens valt hij uit, gekweld. Die westerlingen altijd met hun stomme vragen! Waarom zijn er niet genoeg taxi's, waarom komen de treinen niet op tijd, waarom is er geen toiletpapier? Voor alles moet hij zich verontschuldigen.

- Eén keer bleef Kapuściński drie jaar achter elkaar in Afrika. "Weet je wat mijn vader zei toen ik terugkwam?" Hij kijkt me van terzijde aan. ""Warm daar, hè?" Verder niets, geen woord."

- Nu en dan vraagt Kapuściński naar zijn eigen boeken. Van sommige heeft hij zelf geen enkel exemplaar meer. Maar hij vindt er geen. "Een goed boek zie je hier nooit in de etalage liggen," zegt hij, "mensen horen er alleen maar over, een boekhandelaar reserveert het voor zijn beste klanten." toen zijn eerste boek in 1962 uitkwam was hij doodongelukkig, want het lag in stapels op de toonbank.

- In een winkel zijn we getuige van een felle discussie. Een klant vraagt of er vulpennen zijn. De winkelierster valt uit. Ooit waren er vulpennen, zegt ze. Zodra mensen hoorden dat ze aangekomen waren, stonden ze vanaf vijf uur 's ochtends in de rij. Sommigen kochten er vijf, anderen tien. In één ochtend waren alle pennen op. Sindsdien komt iedereen om vulpennen vragen. "Ik bestel ze nooit meer," zegt de vrouw, "want ze sturen er altijd te weinig. Ik krijg er alleen maar gedonder mee."

- "... Een volk kan niet eeuwig vechten," zegt hij, "het moet nu en dan op adem kunnen komen. Dit is een tijd van rust, een tijd om je huis op te knappen, een gezin te stichten, te discussiëren, koffie te drinken in een café." Een flauwe glimlach glijdt over zijn lippen als hij eraan toevoegt: "Een tijd om vulpennen te kopen."

- Szabolcs is al met zijn tweedehandskleren naar het familiecentrum getrokken dat hij hier heeft opgezet. "Voor de Hongaarse intellectueel zijn er twee wegen," zei hij vanochtend met een bitter lachje, "de ene is de alcohol, de andere loopt dood."
 
- Hij sympathiseert met een van de nieuwe oppositiepartijen in de hoofdstad, vertrouwt hij me toe. Zijn vader is een fanatieke communist, van hem heeft hij geleerd hoe het niet moet. "Als we tegenwoordig met elkaar praten, is het alsof er twee tv-stations tegelijk aanstaan."
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

maandag 18 november 2024

Lieve Joris: De hoogvlaktes

Lieve Joris: De hoogvlaktes (België, 2008): 140 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
"De hoogvlaktes" is na het vorige boek van Lieve Joris, de roman "Het uur van de rebellen" veel minder ambitieus van opzet. Ik vermoed dat het schrijven van "De hoogvlaktes" haar veel minder tijd en moeite heeft gekost dan het schrijven van "Het uur van de rebellen". Het is ook een terugkeer naar de literaire reportage, een genre dat haar volgens mij veel beter ligt dan de traditionele roman. Het is een vrij rechttoe rechtaan boek, maar voor mij beduidend sterker dan haar vorige boek. In "De hoogvlaktes" laat Lieve Joris eens te meer zien dan ze een van 's werelds beste schrijvers is van literaire reisreportages.
 
Lieve Joris heeft veel gereisd en over die reizen geschreven. Ze is in de Golfstaten geweest, ze heeft een verslag geschreven van de revolutie in Hongarije, ze heeft bij een Syrische vrouw in Damascus verbleven en ze heeft een boek over Mali geschreven. Maar het land dat haar het meeste trekt is toch wel het voormalig Belgische Kongo, later Zaïre geheten en nu weer gewoon Congo. "De hoogvlaktes" is het vierde boek van Lieve Joris over Congo.
 
"De hoogvlaktes" is een verslag van een voettocht van 5 weken door een afgelegen gebied in het oostelijk deel van Congo. Er gebeurt niet veel tijdens de reis, maar wel krijg je als lezer een beeld van hoe de mensen hier leven.
 
Als je het werk van Lieve Joris nog niet kent, dan zou ik niet met "De hoogvlaktes" beginnen, maar met een van haar eerdere boeken over Congo, zoals "Terug naar Congo" of "De dans van de luipaard". In het boek gebeurt vrij weinig, maar het is in een trefzekere stijl geschreven en het geeft een goede aanvulling op haar overige boeken.
 
Citaten:
- Hoezeer het beeld van André met zijn kip ook op mijn netvlies gebrand stond, mijn eigen bagage dijde steeds verder uit. Ik had een slaapzak, een lakenzak, thermisch ondergoed, een fleecejack, wandelschoenen, sportschoenen en proviand uit de stad in het dal meegebracht, maar volgens curé Jorojoro, die mijn spullen aan een nauwkeurige inspectie onderwierp, had ik ook rijst, suiker en thee nodig. Het menu bestond hier uit aardappelen en melk, de mensen bij wie ik overnachtte zouden blij zijn met iets extra's.

- Mannen krijgen hier tot op hoge leeftijd kinderen. Als hun vrouw ziek is leggen ze haar lot in Gods hand in plaats van een koe te verkopen om haar naar het ziekenhuis te brengen. Na haar dood hertrouwen ze met een jongere. Een vrouw die sterft is als een kalebas die stuk is, zeggen ze, die moet je vervangen.

- Bavire zuchtte. "Het is moeilijk om een geschikte vrouw te vinden. Ik ben jaren weg geweest, het leven in het dal heeft me veranderd, terwijl ze hier intussen ..." Wie een vrouw wilde huwen moest koeien aan haar vader geven. Veel jongeren konden niet voldoen aan de hoge eisen van hun schoonvader en en besloten hun vrouw te schaken.
 "Schaken? Hoe doen ze dat?"
 "O, heel eenvoudig. Een jongen lokt een meisje met hulp van zijn vrienden naar buiten, zogenaamd om een ommetje te maken. Hij neemt haar mee naar zijn huis ..." - Bavire zocht naar woorden - "où ils se cognent," zei hij uiteindelijk. Waar ze tegen elkaar opbotsen.
 Ik lachte. "Heet dat zo?"
 "In dat geval wel, ja. De schoonvader heeft dan geen keuze meer. Zodra zijn dochter onder het dak van een vreemde man heeft geslapen, is ze niets meer waard."

- ... Zijn blik viel op mijn Samsonite-koffer die opengeklapt op de grond lag; nieuwsgierig bestudeerde hij de inhoud.
 Sigaretten, kleine flesjes whisky - er wachtte me onderweg naar beneden een keur van militaire versperringen en ik had een voorraadje ingeslagen om mijn doorgang te vergemakkelijken. Hoestbonbons, lolly's voor de kinderen - de spullen die hier boven op de markt te koop waren staken er zo grauw bij af dat mijn koffer vanzelf was veranderd in een winkel vol glimmende kostbaarheden.
 
- Ik ben mijn eigen dorp in een ver verleden ontvlucht, maar niets maakt me gelukkiger dan weg van huis de eenvoud van mijn jonge jaren terug te vinden.
 
- Zelf was hij de dag ervoor helemaal naar de markt in Ilumba gegaan om een reistas te kopen. Op de markt was hij zijn eerste verloofde tegengekomen. Terwijl hij in het dal studeerde, was ze met een ander getrouwd. In het begin was hij verdrietig geweest. "Maar nu niet meer, want mijn huidige vrouw is veel mooier." Hij keek me dromerig aan. "Net zo mooi als u."
 O, o - en met dit jochie moest ik naar Uvira! Curé Jorojoro had gelijk: er zat geen kwaad bij.
 
- Aangespoord door zijn vrienden vuurde Ruhuri een salvo vragen op me af. Sebagabo was naast me neergezegen en vertaalde. Woonden de mensen in België en Nederland in hutten met strooien daken? Waren er bij ons ook koeien? Hoeveel stuks had een man doorgaans? Gaven goede vrienden elkaar soms een koe? Gingen mijn landgenoten tijdens het droge seizoen op transhumance? Hoeveel koeien betaalden zij als bruidsprijs? Waren onze koeienhoeders zwart of blank? Waarom woonde ik niet in mijn geboorteland?
 Om al mijn antwoorden moesten ze lachen. Wist ik niet hoeveel een koe in mijn land kostte, alleen hoeveel ik per kilo rundvlees in de winkel betaalde? Dan was ik net als de Bembe, die alleen geïnteresseerd waren in de koe als biefstuk. Dat een man in mijn land geen bruidsprijs betaalde, begrepen ze niet. Wie was dan de baas van de familie?

- "De beste scholieren vertrekken vroeg of laat naar het dal om hun middelbare school af te maken," zei Prosper. "Wij blijven achter met de rest." Als een leerling niet geslaagd was, kwam zijn vader op school om de directeur en de leraren te bedreigen. "Met het gevolg dat veel leerlingen overgaan, waarna ze natuurlijk zakken voor het staatsexamen in het dal." Wat hun ouders dan weer toeschreven aan het feit dat de Banyamulenge in dit land niet geliefd waren.

-  "Wat ga je daar doen? Er valt bij ons niets te beleven. Mensen lopen weggedoken in hun kraag door de heuvels en kruipen om vier uur al in bed van verveling." De waarschuwingen van mijn vrienden in het dal echoden in mijn oor. Je kon hier maar beter in beweging blijven, want zodra je halt hield, viel de tijd stil. Niemand had mij nodig, integendeel, ik stoorde: ik droeg geen paan, hield mijn wandelstok in mijn linkerhand, gaf geen getuigenis van mijn geloof, kwam geen molen of medicijnen brengen noch projecten opzetten of beurzen uitdelen - ja, wat deed ik hier eigenlijk? 
 
- De eerste huizen doken op en mensen staarden ons aan met open mond. Een mooi stel waren we: David met zijn malle hoedje en zijn paraplu, Pacifique met zijn tasje om de lendenen, de twee dragers met hun in plastic gewikkelde bagage op het hoofd en ik, een vuile blanke met een wandelstok en een zonnehoed waaronder het zweet naar beneden gutste.

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

zondag 17 november 2024

Lieve Joris: Het uur van de rebellen

Lieve Joris: Het uur van de rebellen (België, 2006): 246 blz: Uitgeverij Augustus
 

 
Het is knap als je een roman kunt schrijven. Als je een roman kunt schrijven die van het begin tot  het einde boeit en geloofwaardig is dan is dat heel knap. Als je dan ook nog een geslaagde roman kunt schrijven over iemand die niet uit je eigen cultuur komt, dan is dat wel bijzonder knap. 
 
"Het uur van de rebellen" is het eerste boek waarin Lieve Joris is afgeweken van haar vertrouwde vorm: de literaire reisreportage. Het boek gaat over de woelige periode in de Congolese geschiedenis tussen 1990 en 2003. Je zou het een eigentijdse historische roman kunnen noemen, een oorlogsroman of een biografische roman. 
 
Lieve Joris heeft er bijzonder veel aandacht aan besteed dat alle details van het boek authentiek overkomen. Ik heb bij "Het uur van de rebellen" wel de gebruikelijke reserves die ik heb bij een historische roman: wat is waargebeurd, en wat is verzonnen door de schrijver?
 
Ik vind zoals gezegd "Het uur van de rebellen" een zeer knappe roman, maar ik geef duidelijk de voorkeur aan de literaire reportages van Lieve Joris.
 
Citaten:
- De mobutisten hielden zich in die dagen gedeisd, maar inmiddels waren ze weer present. Van heinde en ver waren ze aan komen vliegen en al hadden de zorgen van de voorbije jaren sporen achtergelaten op hun gezicht, hun pakken waren geperst, Mont Blanc-pennen staken in hun borstzakjes, ze klemden de laatste modellen mobiele telefoons in hun handen en eigenzinnige tunes - van het Congolese volkslied tot het geblaf van honden - klonken op. Ze waren gekomen om te informeren of ze hun villa's in de heuvels van de stad konden terugvorderen nu de nationale verzoening was uitgeroepen. 
 
- Dat een chef 10 procent nam om in zijn behoeften te voorzien, kon Assani bevatten. De blanken die hem bezochten probeerden 20 procent te krijgen. Maar zijn landgenoten, die namen 80 procent! Hij begreep hen niet - ze gedroegen zich niet als burgers van een natie, ze waren als vaders die het voedsel van hun eigen kinderen stalen.
 
- Niet veel later was er een bijeenkomst van ministers en officieren waarbij ook president Kabila aanwezig was. De ministers deden wat ze altijd deden: ze zeiden dat alles goed ging, bewierookten de president en creëerden al doende zoveel rook dat al hun malversaties erachter verdwenen.
 
- "De Rwandezen zijn naar Congo gekomen om de moordenaars van hun familieleden op te sporen," zei de Congolese manager van een textielfabriek, "maar gaandeweg ontdekten ze dat ze in een paradijselijke tuin waren beland. Waarop ze hun zoektocht staakten en de vruchten uit het paradijs begonnen te plukken."
 
- Aimée was gehecht aan haar familie. Ze wilde dat hij haar moeder belde, dat hij haar tante leerde kennen, dat hij met haar op bezoek ging bij een oom, dat ... Wat moest hij met al die mensen, wat hadden die met hun tweeën te maken? Families verlamden je: iedereen hing maar aan elkaar en vroeg elkaar maar om advies. Hij was tegen dat soort afhankelijkheid - je werd er lui van.
 Bovendien was Aimée religieus, nog zoiets waar hij tegen was. Religie was vervreemdend, hij zag het vaak bij gelovige mensen. God regelde alles, ze gaven zich volledig aan hem over en waren geen meester meer over hun eigen leven. Hij kon dat soort onderwerping niet aanvaarden.
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

donderdag 14 november 2024

Lieve Joris: Dans van de luipaard



 
Deze bespreking is een licht gewijzigde versie van mijn bespreking uit 2015. Lieve Joris reisde voor "Dans van de luipaard" in 1997 en 1998 ruim een jaar door Congo (Er worden in het boek geen data gegeven). Lieve Joris heeft kennis van en liefde voor Congo en zijn bewoners, maakt makkelijk vrienden met onbekenden, maakt scherpe observaties en stelt kritische vragen. Dit alles maakt haar boek tot het ideale gezelschap voor een leunstoelreiziger en zorgt ervoor dat dit haar beste boek tot op heden is en voor mij het beste Nederlandstalige reisverhaal dat ik ken.

Lieve Joris vangt haar reis aan in Kinshasa, de 6 miljoen inwoners tellende hoofdstad van Congo, en reist van daaruit naar verschillende uithoeken van het land om vervolgens steeds weer in Kinshasa terug te keren. Op het moment van haar aankomst is het onrustig in Congo, dictator Mobutu is net verdreven door een leger van kindsoldaten onder aanvoering van Laurent Kabila. "Dans van de luipaard" is een prachtige combinatie van een persoonlijk reisverhaal gecombineerd met een politieke analyse van de situatie in Congo. Het boek is vergelijkbaar met de boeken van haar literaire voorbeelden V.S. Naipaul en Ryszard Kapuściński. Ik vind van deze drie schrijvers, de boeken van Lieve Joris het prettigst om te lezen.
 
Citaten:
- Bij Mobutu's zoon Kongolo - beter bekend als Saddam Hussein - werden stapels voetbaltickets gevonden, die hij vóór elke wedstrijd confisqueerde en doorverkocht. "Die kleine Saddam oefende hier een ware terreur uit, het was een echte maffioso. Hij stal een hele rits Mercedessen van het laatste model bij een dealer en reed er met zijn gevolg mee over de boulevard, op klaarlichte dag, met alle lichten aan. Wanneer hij een meisje zag dat hem beviel, liet hij haar oppikken door zijn bodyguards. Mobutu wist dat zijn zoon zo was, het kwam hem goed uit, op die manier kon hij zijn volk terroriseren."

- "Die baas van jou is behoorlijk over zijn toeren," zeg ik later tegen Christian. "Hij had teveel macht," zegt Christian, "hij weet niet waar hij het zoeken moet nu hij die kwijt is. Iedereen die veel met de president omging, gedroeg zich thuis op den duur als een kleine Mobutu."

- "Gaat het?" Christian staat voor me met een grijns op het gezicht. "Hebben we je niet te erg gepest?" Ik haal mijn schouders op. Hij leunt met zijn rug tegen de muur en kijkt me tersluiks aan. "Ik maak me zorgen over je," zegt hij. "Oh ja?"
Hij heeft op iets zitten broeden, geloof ik, maar weet niet goed hoe erover te beginnen. "Ik zou je iets willen vragen," zegt hij na een tijdje, "maar ik ben bang dat je me indiscreet zal vinden." "Voor de draad ermee," moedig ik hem aan, volgende week ben ik weg en zie je me nooit meer, wat maakt het uit?
"De manier waarop jij over zwarten praat, het lijkt wel alsof je niet zou aarzelen om ... intiem contact met hen te hebben." Ik schiet in de lach.

- "Waarom denk je dat deze mensen zwart zijn?" vraagt Bove knorrig. "God heeft hen te lang in de oven laten zitten. Ze zijn verbrand."

- Ik overwin mijn weerzin en neem een bad, volgens de beproefde methode: ik steek mijn grote teen als stop in de afvoer en wind een handdoek om de kapotte kraan, tegen het spetteren. Terwijl het bad volloopt, kijk ik naar de kakkerlakken die in het licht van mijn zaklamp aan mijn slippers snuffelen.

- "Plunderaars zijn net kinderen," zegt hij, "ze gaan recht op hun doel af en stelen alles, zonder na te denken. Ze doen alsof het einde der tijden is aangebroken, maar na afloop zitten ze daar, verdoofd, zonder afzetmarkt, met een grasmaaier van de zusters terwijl ze geen gazon hebben, met een wasmachine terwijl ze geen elektriciteit hebben, met een tafel terwijl ze in een hut wonen, met Vlaamse boeken terwijl ze geen Vlaams praten!"

- Mobutu wist precies wat hij met schreeuwers aan moest: hij gaf hun een ministerspost en schakelde hen daarmee in één klap uit. Zo'n minister werd doorgaans na een halfjaar weer vervangen, niet lang genoeg om zijn dossiers te bestuderen, maar wel om zijn zakken te vullen.

- De minister van Landbouw kondigt trots aan tweeduizend tractoren te hebben besteld. Zomaar, pardoes, zonder enig vooronderzoek. Tweeduizend tractoren om de noodlijdende Congolese landbouw uit het slop te halen! Ik zie de roestende wrakken in de brousse alweer voor me.

- Tijdens mijn eerste reis riepen Zaïrezen vaak: "U had hier in 1960 moeten zijn, toen was dit een prachtig land, toen werkte alles nog!" Nu zeggen ze: "Oh, was u hier in '85 en '86, dat waren goede jaren, toen liep alles nog op rolletjes!" Wat zullen ze over tien jaar zeggen? Denken de nieuwkomers wel eens aan de mogelijkheid dat alles slechter zou kunnen gaan, dat hun roestige jaren-zestig ideeën het land misschien nog verder zullen doen wegzinken?

- Niet de politici, maar de zangers praten in dit land tot hun volk en rijgen de steden die door slechte verbindingen uit elkaar zijn gedreven, met hun muziek aan elkaar.

- Meneer Nassim kijkt mistroostig naar buiten. Het regent - dat betekent dat niemand die ochtend op zijn werk zal verschijnen. "Hebben ze geen regenjassen dan?" "Die hebben ze nergens voor nodig," bromt hij, "als het regent, gaan ze simpelweg niet naar buiten. Ze wachten tot het ophoudt."

- "Mutu na mutu abongisa," citeert José Mobutu als we weer op weg zijn. Laat iedereen zijn zaakjes regelen. De Zaïrezen interpreteerden dit volgens hem op geheel eigen wijze: laat iedereen stelen - de ambtenaar op zijn ministerie, de arbeider in zijn fabriek, de verkeersagent op straat. En vermoedelijk had Mobutu het ook zo bedoeld.  

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

zaterdag 9 november 2024

Lieve Joris: Mali blues

Lieve Joris: Mali blues (België, 1996): 313 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
"Mali blues" bevat vier verhalen. Het eerste verhaal "Amadou" is al eerder als een apart boekje uitgegeven en heb ik een paar dagen geleden besproken. Het tweede verhaal "Sidi Boîte" beschrijft een reis per auto over de woestijnweg door Mauritanië. In het derde verhaal "De man van Sokolo" bezoekt Lieve Joris de vader van een Malinese vriend uit Amsterdam. Het laatste en titelverhaal vertelt over een lang verblijf van Lieve Joris bij de Malinese muzikant Boubacar Traoré, bijgenaamd Kar. Het is een prachtige bundel.
 
Citaten:
- "Zou hier een toilet zijn?" 
 "Jazeker, maar ik vrees het ergste."
 Abdallah brengt me naar een ommuurd gat, met een roestig autoportier als deur.
 "Niks aan de hand," zeg ik als ik terugkom en Sass zuinig zie kijken.
 Maar hij lijkt niet overtuigd. "Leer mij de Mauretaanse toiletten kennen!"

- Zijn zelfverzekerdheid intrigeerde me. Wat had hem zo anders gemaakt? De vraag leek hem niet te verbazen. "Het komt door mijn vader, geloof ik." Die was meteoroloog en had veel gereisd, niet alleen in Afrika maar ook in Europa. Hij leerde zijn kinderen onafhankelijk te zijn. In het zwembad van hun huis in Bamako stond geen water en ze werden nooit met de auto naar school gebracht: het zwembad en de auto hoorden bij zijn werk en waren dus tijdelijk, legde hun vader uit. Hij wilde niet dat zijn kinderen aan zulk ongewis comfort gewend raakten.
 
- Ik begin deze buurt in de schaduw van de berg al aardig te kennen. Daar woont de Soninké zakenman met zijn vier vrouwen, verderop zit het meisje dat plastic emmers en zelfs kalebassen verstelt met naald en draad. Veel mensen hebben winkeltjes voor hun huis. Ze bakken bananen en oliebollen voor passanten of hebben een etalage - een houten uitstalbak met sigaretten, lucifers en kauwgom. Ambulante kleermakers doorkruisen de buurt met een naaimachine op hun hoofd en knippen met hun schaar om de aandacht te trekken. Het is het uur voor zonsondergang en de hele buurt is gespannen. De speelgoedman loopt behangen als een kerstboom langs de huizen en piept met een gifgroene plastic krokodil om kinderen te lokken.
 
- "Een oude Afrikaan die sterft is een bibliotheek die in vlammen opgaat," heeft Hampâté Bâ eens gezegd.
 
- Zoals altijd weer verwondert het me hoe makkelijk Afrikanen materiële verschillen aanvaarden. Hier zitten wij, met een taxi-brousse met hopeloos versleten banden, en daar schuift een surrealistische praalwagen met vermogende blanken voorbij, en niemand die er wat van zegt. Blanken hebben nu eenmaal alles.

- Ik dacht dat ik klaar was. Nog één keer wilde ik een blik werpen op dit landschap. Maar sinds vanmiddag weet ik het niet meer. Boubacar Traoré. Maandenlang al luister ik naar zijn droevige muziek. Zo verschillend van de Zaïrese popmuziek die over dit continent spoelt dat ik bijna verbaasd was dat hij zijn weg naar een Engelse platenmaatschappij had weten te vinden.

- Ik zou verder willen vragen, maar hij praat eroverheen. In Parijs woonde hij in een foyer - pension met andere Afrikaanse immigranten. De Zaïrezen onder hen weigerden stelselmatig een metrokaartje te kopen. Ze zeiden dat al het staal van de Franse treinen uit Zaïre kwam - waarom zouden zij dan betalen!

- Omdat hij van zijn muziek niet kon leven, heeft hij allerlei baantjes gehad. Hij is niet vervreemd van de onderkant van de samenleving, zoals veel intellectuelen in dit land. Hij koopt alles in kleine winkeltjes in de buurt van zijn huis. Twee sigaretten, een piepklein zakje Nescafé, vijftig gram melkpoeder, twee kaarsen. De hete oortjes van zijn pannen pakt hij beet met opgevouwen reclamefolders van Radio Nederland die een journalist hem ooit stuurde. Als hij een kaars aansteekt, doet hij er suiker op. Dan brandt ze langer.

- Als hij nog een vliegtuig hoort, fronst hij zijn wenkbrauwen. "Dat is niet op tijd. Zeker een wouya-wouya vliegtuig uit Mauretanië." Wouya-wouya - het is zijn gevleugelde uitdrukking voor alles wat niet deugt.

- "... Want de blanke had gelijk: geen zwarte heeft ooit een fabriek ontworpen, zelfs geen doosje lucifers." Hij lacht. "Modibo Keita zei dat we onze eigen lucifers zouden maken, eh bien, dat hebben we geweten! Als je die aanstak, moest je de brandweer roepen! Takala-lucifers - geen Malinees vergeet die naam. Je moest ze een flink eind van je afhouden als je een sigaret wilde opsteken, anders stond je haar in brand. Soms ontvlamden ze spontaan in je broekzak. Hoeveel huizen er niet zijn afgebrand door Takala-lucifers! Het werd zo erg dat je niet meer in een taxi mocht stappen als je ze bij je had. Er kwamen ook Malinese sigaretten op de markt waar je ontzettend van moest hoesten. Liberté heetten ze, maar ze waren al vlug beter bekend onder de naam ezelsstront."

- De afstand Bamako-Bayes is minder dan vijfhonderd kilometer. Een Franse TGV doet daar volgens Kar twee uur over, maar met deze wouya-wouya dieseltrein arriveren we met enig geluk binnen tien uur, want hij rijdt in een sukkelgangetje en stopt om de haverklap. Telkens als we een stationnetje naderen, zien we vrouwen uit de omliggende heuvels naar beneden rennen, manden met koopwaar op het hoofd. Bezweet defileren ze langs de wagons met mango's, bananen en sandwiches. Enkele minuten, en dan is het magische moment van de dag voorbij. Kar speurt het perron af naar mogelijke koopjes. Tevreden hijst hij een grote zak maniok naar binnen; dat hebben ze in Kayes niet.

- "Wie in Kayes een ijskast heeft, is rijk," zegt Kar terwijl hij de inhoud van de ijskast inspecteert, "want die kan frisdrank en ijswater verkopen."

- Ik luister, ik laat hem praten. Sinds ik tien jaar geleden voor het eerst in Afrika was, heb ik verhalen gehoord over mensen die zichzelf in krokodillen, apen of kakkerlakken veranderen en er 's nachts op uit trekken om hun dorpsgenoten de stuipen op het lijf te jagen.

- Een uitspraak van V.S. Naipaul hamert almaar door mijn hoofd: "Ze zijn anders dan wij, ze geloven in magie." Indertijd hoorde ik die woorden met enige scepsis aan, nu zijn ze me bijna tot troost.

- Zodra het begint te regenen in Lafiabougou zie je niemand meer op straat, want de mensen hebben geen regenjassen en ook geen schoenen. Ze wachten tot het droog is en banjeren dan met plastic slippers door de modder.

- Mamou ging naar een maraboet. Die zorgde ervoor dat ze haar schoonmoeder langzaam maar zeker in haar macht kreeg. "Een maraboet die erop toeziet dat het goed met je gaat, is heel moeilijk te vinden, maar kwaad aanrichten, dat kan de eerste de beste!"

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

woensdag 6 november 2024

Lieve Joris: Amadou

Lieve Joris: Amadou: Afrikaanse notities (België, 1994): 62 blz: Uitgeverij VSB fonds
 

 
Van 16 juni tot 7 juli 1993 heeft Lieve Joris een bezoek gebracht aan Senegal. Ze heeft in die tijd François, een oude vriend, bezocht en ook een muziekfestival in Dakar, waar onder meer Baaba Maal en Youssou N'Dour optraden. "Amadou" is het verslag van die reis. Het is maar een dun boekje, een tussendoortje zeg maar, maar wel een erg goed tussendoortje.
 
Citaten:
- François' appartement is zo mogelijk nog kaler dan zijn huis destijds in Kinshasa. Overal naïeve schilderijen van de Zaïrees Chéri Samba. Ze zijn geen van alle ingelijst, en er zijn er die krullen en schilferen van het vocht. Ik hou van François' nonchalance tegenover wereldse zaken, maar betrap mezelf toch op een lichte ergernis. Chéri Samba exposeerde inmiddels in New York, die schilderijen zijn geld waard! Ik zeg maar niets, want François zou me uitlachen: een museum in New York, dat betekent niets voor hem. Hij is in Afrika geboren, heeft er het grootste deel van zijn leven gewoond. Het is interessant te zien hoezeer dat hem heeft bepaald. Hoe lang zou het duren voor New York ook voor mij geen referentiepunt meer is?
 
- Er zijn hier veel Libanezen. Ze hebben restaurants, warenhuizen, ijssalons - zij zijn in West-Afrika wat de Indiërs in Oost-Afrika zijn: een onmisbare, en toch vaak bedreigde minderheid. Ze wekken jaloezie op.
 
- "Maar je kan hier maar beter geen Afrikaan zijn." Het is eruit voor ik het weet.
 François lacht. "Weet je wat een Zaïrees voor mijn vertrek tegen me zei? "Profiteer er maar van dat je blank bent, want na jullie dood komen jullie terug als zwarten, dan zal je eens zien wat wij doormaken. En wij op onze beurt zullen terugkomen als blanken, dus maak je borst maar nat."" Sinds die tijd draagt hij er extra zorg voor goed te zijn voor zwarten, opdat hij niet terugkomt als een van hen. "Maar tegelijkertijd bid ik dat alle racisten terug zullen komen als zwarten, dan zullen ze weten hoe dat voelt!"
 
- Vooral aan die train culturel denkt hij met nostalgie terug. In de trein reisde een theatergezelschap mee en muzikanten die onderweg concerten gaven. Er was een bibliotheek en een wagon waarin voorlichting over Aids werd gegeven en condooms werden uitgedeeld. Toen François de gouverneur in Lubumbashi om steun had gevraagd voor zijn anti-Aids-campagne, had deze hem spottend aangekeken. "Jullie blanken zijn vreemde lui," zei hij, "eten jullie een bonbon soms op met papier en al?" De acteurs en muzikanten leidden onderweg overigens zo'n liederlijk leven dat François zich later afvroeg of de train culturel niet eerder een Aids-verspreider was geweest.
 
- Thuis vragen ze me soms of ik niet eenzaam ben op reis, of bang. Hoe kan je eenzaam of bevreesd zijn in een land waar je na vier dagen al uit de massa wordt gepikt door iemand die de moeite heeft genomen je naam te onthouden? Afrikanen moeten zich beroerd voelen als ze bij ons aankomen - niet langer een identiteit te hebben, verstoken te zijn van elk teken van herkenning. Het is misschien niet zo vreemd dat ze beschutting zoeken bij elkaar tegen de anonimiteit die hen ineens tegemoet walmt.

- Een jochie is naast me komen lopen. Hij heeft een minuscuul plastic zakje ijslimonade in de hand waar je kinderen hier vaak mee ziet. Het kost 25 CFA - 10 cent -, dat valt meestal nog wel te betalen. Ik heb al heel wat bedelende kinderen van me afgeschud en vraag quasi-bars: "En, wat moet jij?" Het jongetje blijft met gedecideerde pas naast me lopen en zegt: "Ik wil naar binnen."
 Ik kijk eens naar hem. Voddig broekje, wijd T-shirt, een ventje van niks.
 "Hoe oud ben je helemaal!"
 "Veertien." Dat is een leugen - ouder dan tien kan hij niet zijn. Wie weet hoe ver hij heeft gelopen om hier te komen. Weet zijn moeder waar hij is? Vast niet.
 "Voor wie ben je gekomen?"
 Hij kijkt naar me op, zijn ogen stralen. "Voor Youssou N'Dour."
 Tegen die tijd ben ik verkocht.
 "Hoeveel kost een ticket?"
 "Vijfhonderd CFA."
Hij blijkt tweehonderdvijftig te hebben - ik geef hem de rest, waarop hij er als een haas vandoor gaat. Ik voel me een beetje belachelijk, als een padvinder die een goede daad heeft verricht, maar ook tevreden.

- De Belgische pater staat op het punt naar Dakar te vertrekken. Hij wijst me de weg in het keukentje. Bier in de ijskast, Nescafé, poedermelk en suiker in het blauwe aanrechtkastje. Alle missieposten in Afrika lijken op elkaar: schone lakens op het bed, een wasbak, tafel en stoel - de soberheid die ik ken van mijn kostschooltijd en die in deze omgeving luxe wordt.

- Demba kijkt niet met onverdeeld enthousiasme terug op de kolonisatie, maar het moet hem toch van het hart dat de zaken in die tijd beter geregeld waren. "Je kon tenminste carrière maken. Als je twee jaar ergens werkte en je was goed, werd je gepromoveerd, maar tegenwoordig ... Alleen als je familie bent van de minister, kom je hogerop. Daarom wil iedereen in dit land in de politiek: het is de ideale manier om je zakken te vullen."

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

dinsdag 5 november 2024

Lieve Joris: De poorten van Damascus

Lieve Joris: De poorten van Damascus (België, 1993): 274 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
Begin jaren 80 ontmoette Lieve Joris, tijdens een conferentie in Bagdad, de Syrische Hala. Ze raakten bevriend en Lieve Joris volgde Hala naar Damascus.
 
Twaalf jaar later besluit Lieve Joris om haar Syrische vriendin weer te bezoeken. Ze verblijft een aantal maanden bij Hala in Damascus. "De poorten van Damascus" geeft een prachtig inkijkje in het leven van een Syrische vrouw en haar familie. Een geweldig boek!
 
Citaten:
- Lieve Joris en haar vader kregen meteen laaiende ruzie.
 "Je hebt je helemaal niet verdiept in wat de Arabieren zelf van die oorlog vinden," verweet ik hem.
 "De Saoediërs zijn anders blij genoeg met de Amerikaanse interventie!" riep hij.
 "De Saoediërs!" Ik spuugde de woorden uit. "Die hebben het een en ander te verdedigen, ja! De grootste casinobezoekers en hoerenlopers ter wereld zijn het, en thuis  handen afhakken en hun vrouwen opsluiten. Mooie vrienden hebben de Amerikanen uitgezocht!"
 
- Het moet in die dagen zijn geweest dat ik weer aan Hala begon te denken. Ik ontmoette haar twaalf jaar eerder op een conferentie in Bagdad, waar we in het gewemel als magneten naar elkaar toetrokken. Al gauw ontvluchtten we de hoge zalen van het congresgebouw, wandelden in de soek, voerden koortsachtige gesprekken aan de oever van de Tigris. Toen ze naar Damascus vertrok, reisde ik haar spontaan achterrna. En daar ging de magie verder. Aan alles wat ik zag, gaf zij betekenis.
 
- Heb ik een man? En kinderen? Het liefst zou ik deze vragen ontwijken, want de antwoorden stellen zo teleur. Als ik zeg dat ik getrouwd ben, zullen ze zich afvragen waarom mijn man me alleen laat reizen. Dat er vrouwen zijn die geen kinderen willen, kunnen ze al helemaal niet begrijpen. Maar Ahmeds moeder zit zo verwachtingsvol naar me te kijken, dat ik tegen Hala zeg: "Vertel maar dat mijn man en ik geen kinderen kunnen krijgen." 
 Ze kijkt me vol medeleven aan. "Komt het door haar of door haar man?" wil ze weten. Ik heb meteen spijt van mijn leugen.
 
- Die middag hangen er vreemde kleren aan de waslijn. Pyjama's, trainingsbroeken, onderbroeken, geruite hemden. "Dat is het enige fysieke contact dat ik als getrouwde vrouw met mijn man heb," zegt Hala, "dat ik zijn kleren was."

- Nadat de verkoper een liter yoghurt en een pak brood op de toonbank heeft gelegd, kan hij zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. "Bulghari?" informeert hij, en als ik ontkennend het hoofd schud: "Ruski?" Hala maakt geen praatjes met verkopers - dat is het beste voor een vrouw alleen, zegt ze. Ik had me voorgenomen hetzelfde te doen, maar dat gaat me op mijn eerste verkenningstocht alleen door de buurt niet makkelijk af. Aan Oosteuropese vrouwen die getrouwd zijn met Syriërs zijn ze hier gewend, maar een "Beljikiyye" dat is iets nieuws.
 De drogist heeft in Duitsland gestudeerd en waarschuwt dat de Syrische tandpasta die hij verkoopt me lelijk zal tegenvallen. Als ik de kruidenier naar de kwaliteit van de lokale jam vraag, maakt hij een pot open en laat me proeven: met de vinger, welja, waarom niet. Hij raadt me af om papieren zakdoekjes te kopen, een doos tissues is veel voordeliger. Thuis moet Hala erom lachen. "Dat soort advies krijg ik nooit!"

- "De mensen zitten in de moskee omdat ze over niets anders mogen praten," zegt ze, "het is de enige bijeenkomst die niet verboden is. Als tien mensen op een willekeurige plaats bij elkaar komen, worden ze er al van verdacht een politieke beweging te vormen."
 
- "Wat koken jullie op feestdagen?" vroeg ze me. Ik wist tot mijn schande niet wat te antwoorden. Feestdagen, wat voor feestdagen? Verder dan tomatencrèmesoep, prinsessenboontjes en rosbief kwam ik niet - maar dat zijn gerechten uit mijn moeders keuken die ik zelf niet snel zou klaarmaken.

- Zahra is een beetje simpel, zegt Hala. Ze heeft zes keer dezelfde klas op de lagere school gedaan, ze ging maar niet over. Voor mannen heeft ze nooit enige interesse gehad. Op school was ze in vuur en vlam voor de Italiaanse zuster die voor de klas stond, later werd ze idolaat van de Heilige Maagd Maria, vervolgens van de zangeres Fayruz. Ze hing posters van haar op en praatte voortdurend over haar. Het doet me denken aan mijn mongoloïde zusje Hildeke, die verliefd wordt op quizmasters en de mannen van Dallas en Dynasty - zo verliefd dat ze de series op België, Nederland en Duitsland tegelijk volgt.
 
- Maar behalve Iraanse pelgrims zie ik op het plein ook veel Golf-Arabieren - de mannen die ervoor verantwoordelijk zijn dat Salim nog steeds geen auto heeft kunnen huren. Sommigen zijn vergezeld van een Syrische gids die er in hun omgeving extra klein en dociel uitziet. Iedereen weet waar zo'n Syrisch mannetje voor dient: hij brengt hen naar de bars, verborgen kamertjes en hoerenkasten van Damascus.

- "Het duurde nog wel zes jaren voor ik die telefoon kreeg," vertrouwde ze me toe, "maar dat kwam omdat ik verder helemaal geen wasta had." Een wasta is een kruiwagen die vereist is voor elke beweging voorwaarts die een Syriër wil maken. Hala had zelfs een wasta nodig om een gasfles voor tété's flat in Wadi al-Nakhla te kopen.

- Sahar vertelt dat ze laatst de Larousse heeft besteld. Het eerste deel kwam, het derde ook, maar het tweede heeft ze nooit ontvangen omdat daar de letter I van Israël in stond.

- "Ik heb zoveel mensen die vroeger idealen hadden, zien veranderen," zegt ze, "de meesten zijn door kleine voordelen aan dit regime gebonden. De prijs van een man is niet hoog: als je hem een auto in het vooruitzicht stelt, houdt hij al op te denken. Ik kan het begrijpen, maar niet accepteren."
 
- Naast me zit Nihals oudere zuster, die Engels studeert aan de universiteit. Hoewel haar Engels behoorlijk is, komt ons gesprek moeizaam op gang. Ze lijkt gewend te zwijgen, ze beantwoordt mijn vragen zonder me aan te kijken en tuurt dan weer afwezig naar de grond. Ja, ze heeft Shakespeare gelezen. Als ik informeer hoe ze hem vindt vergeleken met Arabische schrijvers, zegt ze: "Dat weet ik niet, we vergelijken niet, we bestuderen alleen de Engelse literatuur."
 "Maar als je  Arabische boeken hebt gelezen, kan je toch zelf vergelijken?"
 "Nee, want ik lees niet om te vergelijken, maar om Engels te leren."
 
- "Jullie kijken op de Golf-Arabieren neer, maar van hun geld zijn jullie niet vies," zeg ik.
 Hala houdt niet van zo'n boute uitspraak. "Als een vrouw lelijk is en maar één oog heeft, maar goed is vanbinnen," zegt ze, "zou je haar dan meteen vertellen dat ze lelijk is? Je zou ook kunnen beginnen met te zeggen dat ze een goed hart heeft."
 
= Arrogant vindt hij de Saoediërs - de manier waarop ze een pak geld uit hun smetteloze jurk trekken om een krant te betalen! Ik betrap mezelf soms op een zeker mededogen als ik hen zie. In hun eigen land ontlenen ze waardigheid aan de olierijkdom die hun in handen is gevallen, aan de hoge posities die ze bekleden. Hier zijn ze overgeleverd aan de grillen van het lokale sekstoerisme, wat hun iets bangelijks en verschrikts geeft.

- "De presidentiële familie houdt van auto's en doctorstitels," zegt Hala cynisch. Rifat heeft een titel van de Patrice Lumumba universiteit in Moskou, die speciaal is opgericht voor studenten uit de derde wereld. Iedereen weet dat het niet moeilijk is om daar een titel te behalen. Bovendien heeft Rifat zijn scriptie volgens sommigen door iemand anders laten schrijven, net als Elena Ceaușescu.
 
- Hala is rechtop gaan zitten en lacht geheimzinnig. "Asma en ik hadden na jouw vertrek nog een boeiend gesprek."
 "Wat dan?"
 "Hoe kan pater Léon bij ons op bezoek komen, hij is toch een christelijke priester?" vroeg Asma zodra ik de deur achter me had dichtgetrokken.
 "En waarom zou hij dan niet bij ons kunnen komen?" zei Hala.
 "De christenen houden toch niet van ons?"
 "Wie zegt dat? Hoe kom je daarbij?"
 "Dat voel ik op school," zei Asma, "de christelijke kinderen spelen altijd apart, ze moeten ons niet."
 "En Sahar dan, die heeft toch niets tegen ons?"
 Daar moest Asma even over nadenken. Sahar, dat was iets anders, zei ze.
 "En Lieve, die is toch ook christelijk?"
 Weer dacht Asma na. "Misschien is ze niet echt christelijk," aarzelde ze. Toen Hala betoogde dat het wel zo was, besloot ze: "Nee, Lieve is Lieve."
 
- "Binnen vijftig jaar zal je hier nog bitter weinig christenen zien. Zwartgesluierde vrouwen des te meer, en zoals je weet hebben alle moslims tien kinderen, dus ..." Ik protesteer, denkend aan Hala's vrienden die zelden meer dan twee kinderen hebben, maar maître Gaston wuift ongeduldig met zijn hand. "Dat is geen representatief milieu, bij dat soort mensen leer je de Syrische werkelijkheid niet kennen."

- Hun vrouwen herkennen ze aan de manier waarop ze zich kleden. Christenen laten zich inspireren door de Parijse mode, moslimvrouwen door Egyptische actrices: veel glitter, uitbundige krullen, felle make-up.

- Toen Armstrong op de maan landde, zei een sjeik in de moskee: Als je aan iemand vraagt of Armstrong op de maan is geweest en hij zegt ja, vraag het hem dan opnieuw. Als hij de derde keer nog steeds volhardt in zijn antwoord, dan mag je hem doden. Walid lacht schamper: de achterlijkheid!

- Mijn overbuurman zegt ondertussen dat ik mysterieuze ogen heb, beklaagt zich over het lawaai in het restaurant en nodigt me uit in zijn buitenhuis, de enige plaats waar we volgens hem echt kunnen praten. Ik lach hem uit. Niemand spreekt me hierna nog zo toe, en mijn belager zal nog vaak geplaagd worden met zijn avances.

- Onderweg vertrouwt iemand me toe dat hij een boek aan het schrijven is. Niet zomaar een boek, nee, een vierluik heeft hij in gedachten. De titel is er al: The Damascus Quartet. Ken ik The Alexandria Quartet van Lawrence Durrell? Zoiets moet het worden. Hij blijkt nog nooit iets geschreven te hebben. Als ik voorzichtig pols of zijn project niet wat te ambitieus is, of een bescheidener opzet misschien niet meer kans van slagen zou hebben, kijkt hij me verstoord aan: "Waarom zou ik me tevreden stellen met iets kleins als ik ook kan dromen over iets groots."

- Ik ben opgestaan; ik geloof dat ik een wodka nodig heb. Maar in de keuken word ik pas echt kwaad. Hoe krijgt ze het voor mekaar om na alle teleurstellingen die ze achter de rug heeft, te praten over Arabische identiteit! Ik loop terug naar de kamer. "Wat bedoel je eigenlijk? Heb je het over de ellende die ik hier al maanden meemaak? Je man in de gevangenis, je familie die je geen moment met rust laat, geen stookolie, geen water, geen elektriciteit - is dat het wat je zo nodig wil behouden? Noem je dat vrijheid om te kiezen?"

- Naar het resultaat van de verkiezingen lijkt niemand nieuwsgierig, maar op een middag komt Hala thuis met een anekdote. De campagneleider zou Assad gebeld hebben om hem te feliciteren. "Slechts 389 mensen hebben tegen U gestemd, meneer de president, wat wilt U nog meer!" Waarop deze met grimmige stem zou hebben geantwoord: "Hun namen."

  
 
Reacties op dit blog zijn meer  dan welkom.

zondag 3 november 2024

Lieve Joris: Zangeres op Zanzibar

Lieve Joris: Zangeres op Zanzibar (België, 1992): 174 blz: Uitgeverij Meulenhoff
 

 
"Zangeres op Zanzibar" bevat 8 verhalen, waarvan "Met V.S. Naipaul op Trinidad" veruit het langste en het meest indrukwekkende is. 
 
Voor haar ontmoeting met de beroemde schrijver vroeg Lieve Joris zich af of hij haar wel te woord wilde staan, Naipaul was notoir ontoegankelijk. Als oudere man zal Naipaul zich gevleid hebben gevoeld door de aandacht van zijn knappe bewonderaarster en ze trokken een aantal dagen samen op. Het verhaal geeft een beeld van Naipaul zoals we hem kennen, foeterend op de medemens, en is tegelijk een liefdevol portret. Alle citaten hieronder komen uit dit verhaal. De andere 7 verhalen uit "Zangeres op Zanzibar" zijn ook goed geschreven, maar maken niet zo veel indruk.
 
Citaten:
- Een smalle man maakt zich los uit de schaduw op de veranda. Hij draagt een groene sweater en een beige katoenen broek; kleine handen met kortgeknipte nagels, een donkere, zachte huid. Hij is zo anders dan ik hem ken van recente foto's, zoveel meer ontspannen, dat ik spontaan zeg: "U ziet er goed uit!" Hij glimlacht. "En waarom zou ik er niet goed uitzien?"
 
- "... Materiële rijkdom wordt tegenwoordig afgemeten aan het aantal keren per week dat je dronken kan worden, en aan het volume dat uit je geluidsinstallatie dendert."

- "Mijn observatievermogen is een familiekarakteristiek," zegt Naipaul, "ik herkende het pas nog bij mijn zuster Savi. Ze beschreef een dikke Indiase man op de manier waarop een schrijver dat zou doen: de zachtheid van zijn huid, en daaronder iets slaps, dat alles naar beneden hangt. Intensieve observatie - dat hebben wij van onze vader geërfd. Als ik mensen ontmoet, zie ik meteen hun zwakke kanten: gemeenheid, grofheid, ijdelheid, altijd de slechte kanten eerst."

- Het uur van de muggen is aangebroken - in de verte luidt een gestage reggae-dreun de avond in. "Zullen we ophouden?" Naipaul is opgestaan en kijkt uit over het veld achter Kamla's huis.
 "Een deel van dat land is van mij, ik zou er een huis kunnen bouwen."
 "Denkt u daar weleens over?"
 "Ik weet het niet. Als men achtenvijftig is, maakt men geen plannen meer." Hij staat naast me, klein, kwetsbaar ineens. "Voor jou is het anders, jij hebt nog twintig mooie jaren voor je." Dan draait hij zich abrupt om. "Zullen we naar binnen gaan?"

- Paula's moeder verkocht vroeger marihuana, vertelt hij - dat rookten de Indiërs als ze van hun werk op de suikerplantage thuiskwamen. Veel beter dan al dat drinken wat hem betreft. "Indiërs kunnen niet tegen drank. Als ik dat zeg, roepen ze dat ik een racist ben, maar het is gewoon waar."

- Naipaul blijkt licht ontstemd. In Guyana kwam hij afgelopen week de Nederlandse ambassadeur in Suriname tegen die hem vroeg of hij niet naar Suriname wilde komen. "Nee, dank u wel, ik vertrouw de militairen daar niet," zei hij. De man bezwoer hem dat alles rustig was. En vanochtend blijkt dat er een nieuwe militaire coup is gepleegd! "Zie je hoe slecht die ambassadeurs geïnformeed zijn?"

- "Kijk eens wat daarbuiten gebeurt," Naipaul tuurt door de open deur naar de veranda waar de andere eters bij elkaar zitten. Ik zie niets bijzonders - een hoop chaotische drukte, zoals altijd op familiebijeenkomsten.
 "Hoor je het niet? Let eens goed op."
 "Wat dan?"
 "Iedereen praat, maar niemand luistert."
  Hij heeft gelijk.
 "Ik ben een luisteraar," zegt hij, "en jij, wat ben jij?"

- Het begint nog harder te regenen. "Gaat het, Roshni?" vraagt Naipaul als een van de ruitewissers het laat afweten. "Wat als die andere het ook begeeft?" zijn stem klinkt bezorgd. "Spijtig dat we niet in India zijn, dan zouden we een mannetje kunnen huren om hem met de hand te bedienen!" Ik kijk achterom - hij zit te grinniken, zijn haren verwaaid, zijn gezicht nat van de regen.

- In zijn stem klinkt genegenheid. Zij zijn de oudsten; toen hun vader stierf, nam zij de zorg van het gezin op zich. Zijn veeleisendheid speelt haar soms parten. "Hij zit de hele tijd te denken en ik moet meedenken!" hij bestormt haar met vragen; Wie maken er meer lawaai op Trinidad, de zwarten of de Indiërs? Wie zouden er het meest lezen, de Indiërs, de zwarten of de Chinezen?

- Ik heb The Killings of Trinidad, Naipauls essay over deze zaak, enkele avonden geleden opnieuw gelezen. Sinds ik hem heb ontmoet, heeft het lezen van zijn werk er een aangename dimensie bij gekregen: ik hoor zijn stem op de achtergrond.

- Hij zou het bijvoorbeeld moeilijk hebben gevonden om fictie te maken van zijn laatste India-reis. Het idee van een samenleving in verandering, de politieke spanningen, de onmogelijkheden - hij zou een hoop verloren hebben als hij het had gefictionaliseerd. Het wonderlijke van de verhalen lag juist in de waarheid.

- "... Maar de blanken maakten van de zwarte man een eeuwig slachtoffer. Hij was nooit de man die een slechte regering aan het bewind bracht, die geld stal of zich overgaf aan rassenrellen, zoals hier in het Caribisch gebied gebeurde. Geen zwarte schrijver heeft ooit over Guyana geschreven, wist je dat? Niemand heeft geschreven over de coup-poging op Trinidad. Zwarte auteurs schrijven niet over de rotzooi waarin dit gebied zich bevindt, ze hebben nog steeds de mond vol van de koloniale onderdrukking in het verleden."

- Toen coup-leider Abu Bakr jaren geleden op overheidsgrond een commune oprichtte, durfde de regering in Trinidad niets te doen. Ze waren bang om hem als zwarte tegen de haren in te strijken. Na de coup-poging werd een deel van de commune vernield, maar de moskee durfde niemand aan te raken. "Angst en bijgeloof!" snuift Naipaul, "ze hadden die moskee met de grond gelijk moeten maken!" Hij werpt een blik in de richting van de zwijgzame Pooran. "Vind je niet, Pooran? Laat Allah maar zien wat voor wraak  hij kan nemen!"

- "Zie je die krotten? Geen zin voor esthetiek, Pooran, ze vinden het niet erg om de dingen lelijk te maken." Soms werpt hij me na zo'n uithaal een vlugge schalkse blik toe.

- "Kijk daar, Pooran, een man die een dozijn bananen verkoopt!" De zwarte verkoper die zich achter een tafeltje met bananen heeft opgesteld, werpt een verwachtingsvolle blik in onze richting. "Een hele man voor een dozijn bananen uit zijn achtertuin. En de bananen hangen hier op mondhoogte, hij hoeft niet eens moeite te doen om ze te plukken!"

- Met mijn zakmes maken we de blikjes open en drinken ze, geleund tegen de auto, op. "Zag je die winkelier, Pooran? Het was niet makkelijk om iets van hem los te krijgen, hè? Kan je je voorstellen wat er gebeurd zou zijn als daar een Indiër had gestaan? Die had ons wel twintig dingen aangesmeerd: nootjes, sandwiches, van alles! Zwarten hebben geen idee van zakendoen, ze denken dat het voldoende is om een winkel te openen, dat de rest dan vanzelf komt."

- "Iedereen heeft hier het laatste kapsel uit New York," zegt Naipaul, "maar een pannekoek op je kop laten knippen, dat is niet hetzelfde als een winkel openen. Je kan iets willen, maar om het te verwezenlijken moet je er elke dag bij zijn. En daar zijn zwarten niet goed in."

- We kijken naar hetzelfde, maar zien verschillende dingen. Hij ziet kinderen op blote voeten, ik volg de zelfgemaakte papieren vlieger die de kinderen hebben opgelaten. Ik zie een idyllisch huisje aan het strand, hij wijst met een vies gezicht naar het houten toilet.

- Net als Pooran, die al enkele keren zwakjes heeft geprotesteerd tegen Naipauls uitvallen door te zeggen dat de mensen in deze contreien het moeilijk hebben, voel ik dat ik niet langer mijn mond kan houden, dat ik iets moet zeggen, nu.
 Het is niet makkelijk om de juiste toon te vinden. Ik hoor mezelf hakkelen en stotteren. Hoe kan hij dit landschap en wat erin gebeurt los zien van elkaar?
 "Wat wil je precies zeggen?" Naipaul kijkt uit het raam, ogenschijnlijk rustig, maar ik zie hoe hij zijn handen in elkaar klemt.
 Ik mompel dat er toch ook andere manieren zijn om naar dit landschap te kijken, dat ...
 "Ik begrijp je niet goed, ik hou ook van dit landschap."
 "Maar de mensen die erin leven, die aanvaardt u niet ..."
 "Wees eens wat duidelijker." Al zijn stekels staan overeind, hij is klaar om uit te halen.
 "Ik probeer met uw ogen naar de dingen te kijken,"zeg ik, "dat is alles. Ik probeer te begrijpen waarom het u stoort."
 "Oh, I see."
 Het is voorbij. Opgelucht haal ik adem en ik voel hoe ook Naipaul zich ontspant. Maar hij heeft mijn gedachten wel degelijk geraden.

- Het was een slecht huwelijk, later ging ze er met een zwarte man vandoor. "Want de zwarte is als een gier, als hij iets langs de weg ziet liggen, vliegt hij eropaf," zal Naipaul me vertellen.

- Zijn ogen schieten heen en weer; niets ontgaat hem. Soms komt hij me iets in het oor fluisteren. "Zag je de bruidegom? Rather fat, eh? Doet iets met computers, zeggen ze. Een buschauffeur als je het mij vraagt."

- "Je kon in die tijd bij een zichzelf respecterende Indiase familie echt niet aankomen met een mister Cuffie!" Zwarte mannen zorgen niet voor hun familie, zegt hij, daarom zijn zoveel Indiërs bang voor gemengde huwelijken. "Wat vind jij, Pooran?"

- En zag ik de vrouw in de rode jurk die tegenover ons stond toen we op de veranda zaten? Ik herinner me haar vagelijk - ze sloeg nogal ostentatief grote hoeveelheden whisky naar binnen. Tot voor kort woonde ze in Canada, vertelt Naipaul, waar ze rondbazuinde dat ze uit een adellijke Indiase familie stamde. "Adellijke familie! Wij Indiërs waren een stelletje boeren, anders waren we honderdvijftig jaar geleden heus niet naar Trinidad gekomen. Just a bunch of peasants, really!"
 
Het verhaal over Naipaul krijgt van mij 5 sterren.

   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.