F.B. Hotz: Proefspel en andere verhalen (Nederland, 1980): 240 blz (Uit "Het werk": Deel 1: Blz 551-790 (1997)): Uitgeverij de Arbeiderspers
Het
titelverhaal "Proefspel" heb ik in mijn vorige stukje besproken. De
derde verhalenbundel van F. B. Hotz telt naast "Proefspel" nog twaalf
andere verhalen met een lengte van 4 tot 28 bladzijden.
"Proefspel" is veruit het meest indrukwekkende verhaal uit deze bundel,
maar ook de andere verhalen mogen er zijn. Weer wat verhalen over de
familie en eentje over een autoverkoper.
- Vader schonk een borrel voor haar in - drank was z'n remedie tegen alles - en moeder ging het eten opdoen, dronk het glas leeg en sprak niet meer over de dode.
- De oude was toch blij dat zij die nacht z'n hulp ingeroepen had. Nu konden ze samen de kist openbreken en misschien zat er wel voedsel in. Bovendien: ze had het gezicht en het haar en het lijf van de laatste mode, en hoe oud hij ook was, dat beviel hem nog het best. Oudere vrouwen hielden altijd de gezichten van drie of vier modes geleden, dat was kwalijker dan welke rimpel.
- M. lachte en hoestte. Met die verschrikkelijkste van alle arroganties ter wereld had z'n vrouw een halve eeuw geleden om hem te winnen gezegd dat "het enige wat hem ontbrak", (het enige! ontbrak!) "een goede vrouw" was. En die was zij toevallig. Je moet het maar aandurven jezelf goed te vinden en je hele sexe gebenedijd.
-
Thuis at hij z'n brood en dronk melk. Weinig brood en met simpel beleg.
Overvloedige keus schrikte hem nog altijd af, zoals de vele kleren,
schoenen en hoeden van z'n vrouw hem tegengestaan hadden. Alles aan je
lijf hangen maar, een soort hardnekkige vrouwenwanhoop.
-
Hij las opeens beter, en met een behaaglijke grijns; hij leek even
verzoend met leven en leeftijd. "Ik was nooit minder alleen dan toen ik
alleen was," vond hij bij Cicero, en hier Petrarca: "Adam, nog alleen,
met al z'n ribben, leefde Gode welgevallig."
-
Met z'n vierkante kop, z'n slobberige oogleden en wat dreigende
gestalte leek de baas veel op de door hem vereerde buitenlandse
staatsman die pas in de naderende oorlog populair zou worden. Dat hij
deze gelijkenis bewust nastreefde, met een onverwacht kinderlijke
ijdelheid, bleek uit z'n dagelijkse attributen: gespikkelde vlinderdas
en sigaar.
- En wat is wijsheid. Men verwart die de laatste jaren met algemene goedheid en de liefde voor het mensencollectief van alle werelddelen. Er mankeert niets aan die idealen dan hun vrijblijvendheid. Men moet eerst z'n huisgenoten maar eens zien te verdragen.
- Vrouwen in een auto ontroeren me nog altijd. Ik heb dan de twee aardigste zaken op aarde in één.
- Samen "ergens gaan eten" vind ik proletig en berekenend. Toen ik haar fiets aanreikte vroeg ik, als bevangen door grote hartstocht maar in werkelijkheid op zoek naar rust en troost: "Kan ik straks even langs komen? Met wat catalogi en verdere gegevens?"
Ze lachte verbaasd om die laatste toevoeging.
- Pas na het eten sprak ze. "Als je een vriendin hebt," begon ze. Opeens verontwaardigd viel ik haar in de rede. "Ik heb geen vriendin," riep ik, "ik had een vróúw, één middag. Eén dag bekommerde zich iemand om me." Alles wat men zegt ter verdediging is vulgair en vol zelfbeklag.
- M'n schuld stak als een knaagdier in m'n gebeente.
-
Er is geen groter angst dan die van de laatste verantwoordelijkheid voor
de eigen naasten die getroffen zijn - misschien dodelijk - door ons
toedoen.
De angsten van literatoren
en andere kunstenaars om eigen ziel, om wereldvrede of natuurbederf
kunnen wat mij betreft de schroothoop op als luxe aandoeningen. Zo niet
als bedrog.
-
Maar een oude man! Tegenwoordig ben ik meer gedeprimeerd van een
donkere zondagmiddag met laaghangende regenwolken dan tijdens de oorlog
van overvliegende eskaders bommenwerpers.
- Mijn jonge tante Elly trouwde op een zomerdag van 1928 in het kleine raadhuis van ons dorp. Met m'n vader. Zo kon het tenminste lijken voor toevallige voorbijgangers. Zelf wist ik dat m'n vaders optreden, ondanks jacquet en hoge hoed, een plaatsvervangende functie had. Waarom deze vrolijke voorstelling "met de handschoen" genoemd werd kon ik niet uitgelegd krijgen, maar ik begreep de toedracht. De lange oom met wie tante in werkelijkheid zou trouwen was haar voorgegaan naar Indië en ze zou spoedig volgen. Ik was zeven en vond dat vertrek zowel interessant als jammer.
- Om beurten stelden we moeder teleur. Niet lang na dit incident was ik het die mistastte, terwijl ik beter had moeten weten met m'n dertien jaar. Een morsig oud wijf uit een huis verderop hield mij staande en vroeg met de loeroogjes van volkse sensatielust "waar of dat m'n vader toch was". Ik antwoordde voornaam: "Ik héb geen vader," en vond mezelf zo goed op dreef dat ik eraan toe voegde: "nooit gehad ook!" Het leek me afdoende. Ook dit kwam moeder ter ore en haar wanhoop was andermaal ongespeeld. Ze vroeg me of ik zo onnozel was, bij God, niet te snappen dat ik haar door zo'n antwoord tot een hoer gemaakt had. Ik snapte het inderdaad niet.
-
Vader was ongebreideld vrolijk. Hij sprak baldadig tegen die vrouwen in
korte, smetteloos witte plissé tennisrokjes, en hartelijk tegen de
mannen. Ze waren allen jonger dan hij, maar erg viel het niet op. "Is
dat nou je zoon?" vroeg een mooie gebruinde blonde met enige
teleurstelling in haar hese alt. "Ja liefje," antwoordde vader met
komische pruilstem, "als ik tegenwoordig met hem over straat loop,
kijken ze niet meer naar míj, maar naar hém!" (Het was grappig gezegd
maar ik geneerde me en bloosde dom. Bovendien liep vader nooit naast me
op straat natuurlijk.) De jonge vrouwen schaterden met hun sporthoofden
achterover of met hun uiterst volwassen torsen voorover en riepen dat
zíj wel naar hem keken, heus wel, en dat hij dat best wist.
- Hij zou vanavond bezoek gekregen hebben van wat z'n vriend De Bree "een interessante man" genoemd had. Thomas, toen in slechte stemming, had z'n vriend toegesnauwd: "Er bestáán geen interessante mensen sec, tenzij voor mij op het ogenblik dat iets me sterk interesseert; iets waarvan die ander méér weet dan ik." De Bree had bescheiden de handen geheven en gezegd: "Natuurlijk; zoals je wilt," en het bezoek was van de baan. (Ik kén dat, dacht Thomas nu alsnog nijdig, dan komt er een onbekende zaniken over Indië, de Antirevolutionaire Partij of Freud en het enige wat me op dit moment boeit is Renault en Decoratieve Kunst. In die volgorde.)
- Het hinderde Thomas niet het minst dat de meeste mannen hier wat jonger waren dan hij. Een enkele danste niet en staarde met indringende bewondering naar de musici. De vrouwen leken die muziek niet eens te hóren. Met het gebruikelijke dédain op hun geschaduwde luikogen dachten ze alleen aan hun robes, hun avondschoentjes met bijbehorende tasjes en aan hun vleeskleurige zijden kousen.
-
"Wil je geen griesmeel?" vroeg moeder teleurgesteld. "Nee," zei hij,
"echt niet; je suis penoe." (altijd bij toenadering spraken vader en
moeder glimlachend een paar woorden in Frans-Maleise verhaspeling, zoals
ze zich dat herinnerden van "deftige" Indische families in Batavia.)
-
We zongen. We articuleerden als moeder het voorgedaan had. Eén regel is
me bijgebleven. Er ging een geamuseerd en tegelijk wat ongemakkelijk
gemompel door de toehoorders. Vader mimeerde er jongensachtige gêne bij.
Het waren de woorden:
Als paps in z'n autootje jacht,
en stiekum de meisjes toelacht ...
Misschien
mompelden de mensen van opluchting. Deze milde strofe, dit
understatement, was alles wat aan kritiek op vaders levenswandel naar
buiten kwam. Het was, opnieuw, liefde.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten