Theo Kars: Memoires van een slecht mens: Deel 1: 1940-1964 (Nederland, 2010): 359 blz: Uitgeverij Athenaeum - Polak & Van Gennep
Theo
Kars is bij mij vooral bekend als de vertaler van de prachtige memoires van
Giacomo Casanova en het "Handorakel of de kunst van de voorzichtigheid" van
de Spaanse jezuïet Balthasar Gracian.
Casanova was een levensgenieter, avonturier en rokkenjager. Theo Kars is blijkens "Memoires van een slecht mens" behept met dezelfde eigenschappen.
Dat hij een slecht mens is, is voor hem een soort geuzentitel. Hij vindt godsdienst flauwekul, heeft lak aan gangbare morele opvattingen en leeft vooral voor zijn eigen genoegens. Zelfs diefstal vindt hij niet erg, tenminste zolang als hij niet betrapt wordt.
"Memoires van een slecht mens" gaat over de eerste 24 jaren uit het leven van Theo Kars. Doel van dit boek is niet zozeer om een overzicht te geven van de gebeurtenissen uit zijn (avontuurlijke) leven, maar vooral om te laten zien hoe hij diegene is geworden die hij op zijn 70e levensjaar is.
Er gebeurt vrij veel in die 24 jaren. Talloze vrouwen passeren de revue (meestal kortstondig), hij vertelt over zijn literaire voorkeuren, met name Casanova en Henry de Montherlant, hij vertelt over uitgebreide boekendiefstal (volgens zijn erecode alleen uit grote winkels) en over een frauduleuze zaak waarbij hij de posterijen flink benadeelt.
Dit alles leest een beetje als een schelmenroman, in de trant van de memoires van Casanova of "Ik Jan Cremer". Het boek is vlot geschreven en een van de betere memoires die ik ooit onder handen kreeg.
Casanova was een levensgenieter, avonturier en rokkenjager. Theo Kars is blijkens "Memoires van een slecht mens" behept met dezelfde eigenschappen.
Dat hij een slecht mens is, is voor hem een soort geuzentitel. Hij vindt godsdienst flauwekul, heeft lak aan gangbare morele opvattingen en leeft vooral voor zijn eigen genoegens. Zelfs diefstal vindt hij niet erg, tenminste zolang als hij niet betrapt wordt.
"Memoires van een slecht mens" gaat over de eerste 24 jaren uit het leven van Theo Kars. Doel van dit boek is niet zozeer om een overzicht te geven van de gebeurtenissen uit zijn (avontuurlijke) leven, maar vooral om te laten zien hoe hij diegene is geworden die hij op zijn 70e levensjaar is.
Er gebeurt vrij veel in die 24 jaren. Talloze vrouwen passeren de revue (meestal kortstondig), hij vertelt over zijn literaire voorkeuren, met name Casanova en Henry de Montherlant, hij vertelt over uitgebreide boekendiefstal (volgens zijn erecode alleen uit grote winkels) en over een frauduleuze zaak waarbij hij de posterijen flink benadeelt.
Dit alles leest een beetje als een schelmenroman, in de trant van de memoires van Casanova of "Ik Jan Cremer". Het boek is vlot geschreven en een van de betere memoires die ik ooit onder handen kreeg.
- Ik heb altijd een voorliefde voor personen gehad over wie iedereen schande sprak, voor spelers en overspeligen, voor schrijvers als Casanova en Multatuli, en tegelijkertijd een instinctieve antipathie gevoeld voor hele en halve heiligen als moeder Teresa, majoor Bosshardt en de Dalai Lama, het soort figuren dat door iedereen wordt geroemd om hun belangeloosheid en idealisme.
-
Er is geen boek dat mij zo sterk heeft beïnvloed, of beter: dat mijn
ontwikkeling als individu zo heeft versneld als Quo Vadis. Ik trof er
het basispakket in aan van mijn levensinstelling: hedonisme, atheïsme,
desinteresse in een maatschappelijke carrière, de wens altijd de regie
over mijn leven te behouden en het voornemen zelfmoord te plegen als het
onleefbaar zou worden.
-
De moed opbrengen voor je daden uit te komen is voor mij een zaak van
geestelijke hygiëne, net als een fout of vergissing toegeven.
-
Een ander soort diefstal verschafte mij daarentegen veel genoegen.
Iedere zondag kreeg ik van mijn moeder voor elk van de twee kerkdiensten
drie kwartjes, bestemd voor de collectes. Tijdens elke kerkdienst ging
driemaal een zwartfluwelen collectezak rond, die door de kerkgangers van
hand tot hand werd doorgegeven. Ik verving de kwartjes door centen. Uit
het geluid dat een vallend muntstuk soms voortbracht als het direct op
de andere viel, kon niet worden opgemaakt wat de waarde ervan was. Elke
zondag leverde mij daardoor bijna anderhalve gulden op. De wetenschap
dat ik mijzelf op deze wijze een compensatie verschafte voor het corvee
dat mij werd opgelegd, vervulde mij met grimmige voldoening.
- Eén uitspraak van hem heeft een blijvende indruk op mij gemaakt: "Een goede schrijver herken je aan zijn originele beeldspraak." Hoe juist deze stelling is, heb ik later nog talloze malen vastgesteld. Het werk van slechte schrijvers wemelt van cliché-uitdrukkingen en versleten beelden, dat van de goede zet je aan het denken door originele vergelijkingen en formuleringen. Het is eigenlijk ook logisch: wie wat te zeggen heeft, voelt de drang zich zo duidelijk mogelijk uit te drukken en spant zich daarom in treffende beelden en oorspronkelijke formuleringen te bedenken.
- Hij was niet in staat van mening of oordeel te veranderen, een eigenaardigheid die hij gemeen had met de meeste mensen ...
- Vanaf die tijd dwong ik mijzelf Duitse, Franse en Engelse boeken in de brontaal te lezen. Hoewel ik veel woorden niet kende, zocht ik ze niet op in een woordenboek, maar las verder in de hoop dat ik ze opnieuw zou tegenkomen en door de wisselende context op den duur achter hun betekenis zou komen. Zo vergrootte ik niet alleen spelenderwijs mijn kennis van deze talen, maar ook mijn eruditie, en kreeg op den duur een voorsprong op mijn medeleerlingen, die nooit in hun vrije tijd een boek in een andere taal lazen. Ik kreeg zelfs de indruk dat zij in het geheel niet lazen, en ben er in mijn gymnasiumtijd maar enkelen tegengekomen die geïnteresseerd waren in literatuur.
- Tijdens het schrijven van De leugenaar begon ik voor het eerst over mijn toekomst na te denken en stelde vast dat ik geen enkele ambitie had. Het enige wat ik wilde was vrij zijn. Vrijheid en onafhankelijkheid waren voor mij synoniemen aan geluk. Omdat ik inzag dat ik voor vrijheid over geld moest beschikken, besefte ik dat ik zou moeten gaan werken, dat wil zeggen: een deel van mijn vrijheid zou moeten prijsgeven. Die gedachte benauwde mij. Gedeeltelijke vrijheid was in mijn ogen geen echte vrijheid. Ik wilde volslagen onafhankelijk zijn, kunnen gaan en staan waar het mij beliefde en niemand verantwoording schuldig zijn.
- Een van de grootste genoegens leek mij op kamers te wonen en op zondagmorgen niet naar de kerk, maar naar een café te gaan.
- Danielle vertelde mij dat veel van mijn ideeën haar aan die van de Franse schrijver Henry de Montherlant deden denken en beval mij zijn werk aan. Ik volgde haar raad op, en ben haar nog steeds dankbaar voor dit advies omdat het lezen van Montherlants werk de ontplooiing van mijn persoonlijkheid heeft versneld.
-
Ik leende de bundels kritieken en essays van Van Deyssel uit de
bibliotheek van De Horst, las ze en absorbeerde ze. Wat mij ervan
aansprak maakte ik mij eigen, wat niet overeenkwam met mijn smaak of mij
niet boeide schoof ik terzijde. Zo ben ik in de rest van mijn leven
steeds te werk gegaan - selectief. Eerst ging ik na of een schrijver mij
iets te zeggen had; bij de weinigen die ik overhield, richtte ik mijn
aandacht uitsluitend op de werken (of passages daarin) waarmee ik
affiniteit voelde. Ik begreep al snel dat ik nooit een schrijver zou
vinden die mij alles bood wat ik zocht, omdat ik besefte dat geen mens
hetzelfde is. Met sommigen heb je niets gemeen, met anderen weinig, met
een enkeling veel, met niemand alles.
-
Wat voor verwensingen en beledigingen geldt, gaat ook op voor
heilwensen en complimenten: ze raken iemand pas als je de moeite neemt
ze op een persoonlijke manier te verwoorden.
- Inmiddels had ik een Burberry-regenjas gekocht en deze onmiddellijk benut om in een grote boekhandel met een aparte verdieping Franse literatuur op het Damrak de Pléiade-uitgave van de memoires van Casanova te stelen. Het waren drie delen dundruk van elk 1400 bladzijden. (Na het schrijven van de laatste zin schoot ik in de lach, omdat ik enkele minuten eerder ter verificatie van het door mij vermelde aantal bladzijden van deze uitgave de drie delen uit mijn boekenkast had gepakt en ingekeken, mij op dat moment nog niet realiserend dat dit de drie exemplaren moeten zijn die ik een halve eeuw eerder heb gestolen.)
- Na mijn tweede ontmoeting met Mux had ik haar gezegd dat zij niet moest verwachten dat ik haar seksueel trouw zou zijn wanneer wij elkaar zouden blijven ontmoeten en een verhouding kregen. Ik legde haar uit dat mannen in tegenstelling tot vrouwen van nature polygaam zijn, vrijwel allen daar tegenover hun vrouw of geliefde niet voor uit durven te komen, en de meesten van iedere kans gebruik maken hun in het geheim ontrouw te zijn onder het motto "wat niet weet, wat niet deert".
- Omdat ik Annelieke aardig vond en zij herhaaldelijk mijn bed met mij deelde, sprak ik vaak met haar over literatuur en leende haar boeken uit. Ik voelde nu eenmaal de drang mijn evangelie uit te dragen, dat samengevat luidde: wees altijd nuchter, denk onafhankelijk, laat je niet door anderen voorschrijven hoe je moet leven, geef zoveel mogelijk gehoor aan je drang tot genieten, en scherp je geest door te lezen wat anderen hierover hebben geschreven.
Over de postwisselfraude:
-
Ik was onmiddellijk geestdriftig over dit plan, net als Kees B.
Eindelijk hadden wij een bruikbaar idee voor het plegen van een
administratieve misdaad die ons veel geld kon opleveren, geen sporen
achterliet die naar ons zouden leiden, en door de homeopathische
verdunning van de schade niemand benadeelde.
- Excuses hebben waarde als ze spontaan worden aangeboden, niet als ze worden afgedwongen.
Prachtige boeken en een straatlengte beter dan 'Ik, Jan Cremer' wat mij betreft
BeantwoordenVerwijderenHoi Koen, ik ben het helemaal met je eens. Kars was een erg goede schrijver en een geweldige vertaler, het boek van Jan Cremer was in zijn tijd schokkend, maar kon mij bij lezing niet echt boeien. Groetjes, Erik
BeantwoordenVerwijderen