Lieve Joris: Een kamer in Caïro (België, 1991): 56 blz: Uitgeverij Meulenhoff
"Een
kamer in Caïro" is een gelegenheidsboekje dat Lieve Joris schreef als
boekenweekessay in 1991. Aardig is dat Lieve Joris stilstaat bij enkele
misverstanden tussen haar en mensen uit andere culturen. Als dit boekje
je eerste kennismaking met het werk van Lieve Joris is, zal het
vermoedelijk weinig indruk maken. Maar het is een mooie aanvulling op
haar drie eerdere boeken.
- Door de ramen van mijn Vlaamse kostschool tuurde ik zes jaar lang naar de wereld. Vrijheid was de pastoor die met wapperende soutane voorbijreed op zijn fiets, de non die naar de kerk sukkelde, de huisvrouw aan de overkant die een badmat uitklopte. Vrijheid waren de externen die om vier uur hun groene nylon schort uittrokken en naar huis fietsten, terwijl wij naar de studiezaal werden gechaperonneerd.
- "Om schrijver te worden was het nodig geweest te vertrekken," schreef Naipaul in zijn Proloog voor een autobiografie, "om te kunnen schrijven bleek het echter nodig terug te gaan."
- Heeroom van Kongo. Altijd in de weer het kleurloze dorp om te toveren tot een magisch oord vol serpenten en dreigende gevaren. De eerste man die me met zijn verhalen het dorp uitleidde. Hoe was het mogelijk dat ik hem al die tijd over het hoofd had gezien? Toen ik hem eenmaal had opgemerkt, zag ik hem steeds duidelijker; een gezicht, rood van de "drupkes" elixer en van plezier om het kind met het geblokte jurkje dat op zijn knie was komen zitten, de armen om zijn nek. Zijn adem rook gekruid, de geur van sigaren had zich vastgezet in zijn baard, zijn buik was een opgekrulde slang die onder me lag te slapen. In de kast, achter het botervlootje, had bomma de zwarte pop met het rieten rokje verstopt die hij voor me had meegebracht - de anderen mochten haar niet zien.
-
In penibele situaties klonken dingen die Kapuściński zei me in de oren:
"Oordeel nooit meteen over wat je ziet, probeer te begrijpen waarom het
zo is." Een simpele, handzame les tegen de arrogantie, een exercitie in
geduld en lankmoedigheid die me hielp als ik tegenover onwillige
loketbediendes stond, een halve dag op de bus moest wachten, of van het
politiebureau naar het postkantoor en weer terug werd gestuurd.
-
Ibrahim had een Kabylische jurk voor me meegenomen, een roze gewaad met
gekleurde strikjes, het type dat ik daar mooi had gevonden maar dat er
in Amsterdams licht wel bijzonder kitscherig uitzag. "Een lampje erbij
en je kan voor het raam gaan zitten," merkte mijn huisgenoot smalend op
toen Ibrahim zich even in de logeerkamer had teruggetrokken.
-
Om de zoveel tijd keer ik terug naar mijn geboortedorp. Als ik de
zurige lucht van het kanaal ruik en het grind hoor knarsen onder mijn
voeten, zie ik heeroom uit de mistige verte al weer naar me toe
wandelen. Eens is hij hiervandaan vertrokken, jaren later ben ik hem
achternagereisd. Neerpelt is een plek met geschiedenis geworden.
De
weg naar mijn vroegere kostschool ken ik blindelings. De kerktoren te
zien vanuit de studiezaal, door de refter te lopen waar de weeë geur van
cichorei en witbrood is blijven hangen - het zijn momenten van puur
welbehagen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten