zaterdag 10 februari 2024

Anton P. Tsjechov: Verzamelde werken: Deel 5

Anton P. Tsjechov: Verzamelde werken: Deel 5 (Rusland, 1894-1903): 589 blz: Vertaald door Tom Eekman, Aai Prins & Anne Stoffel (2010): Uitgeverij van Oorschot: serie De Russische bibliotheek
 

 
De afgelopen anderhalve week heb ik het vijfde en laatste deel van de verzamelde verhalen van Tsjechov, in de vertaling van Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel, herlezen. Wat ik eerder over deel vier schreef geldt ook voor deel vijf, het behoort tot het allermooiste dat ik ooit heb gelezen. Als ik een keus moet maken voor het mooiste boek dat ik ooit gelezen dan is het of het vierde deel (op 1 februari besproken) of dit vijfde deel in deze vertaling of "De dertig beste verhalen van Tsjechov" in de vertaling van Hans Boland. Aansluitend heb ik vandaag nog de 62 bladzijden "Nawoord" gelezen uit de vijf delen met daarin een beknopte levensbeschrijving van Tsjechov en een overzicht van wanneer hij wat heeft gepubliceerd.
 
De eerste 4 delen van zijn verzameld werk worden steeds beter (ik heb ze allemaal met 5 sterren gewaardeerd), en deel 5 is even goed als deel 4. In de eerste 3 delen zijn de meeste verhalen vrij kort, terwijl in delen 4 en 5 vooral wat langere verhalen staan. Juist in zijn wat langere verhalen is Tsjechov op zijn best.
 
Verhalen die mij bijzonder aanspreken in dit deel 5 zijn: "Drie jaren", "Mijn leven", de drie verhalen met dezelfde verteller: "Een man in een etui", "Kruisbessen" en "Over de liefde" en verder "Een schatje" en vooral ook "De dame met het hondje" dat misschien wel het bekendste verhaal is van Tsjechov. 

De verhalen van Tsjechov kenmerken zich door hun beknoptheid, hun aangename sfeerbeschrijvingen, de luchtige verteltoon en het prachtige Nederlands waarin ze zijn vertaald. Gaat u ze vooral zelf lezen!
 
Citaten:
- Even later zaten Laptev en zijn zwager boven in de eetkamer te souperen. Laptev dronk een glaasje wodka en ging daarna aan de wijn, Panaoerov dronk niets. Hij dronk nooit en kaartte niet en had desondanks zijn vermogen en dat van zijn vrouw erdoorheen gejaagd en veel schulden gemaakt. Om in zo korte tijd zo veel uit te geven moet je geen hartstochten hebben maar iets anders, een of ander bijzonder talent. Panaoerov hield van lekker eten, van een goede bediening, van diners met muziek, speeches en buigende lakeien, die hij achteloos tien of wel vijfentwintig roebel fooi toewierp; hij deed altijd mee aan alle intekenlijsten en loterijen, stuurde vrouwelijke kennissen bloemen op hun verjaardag, kocht kopjes, glashouders, manchetknopen, dassen, wandelstokken, parfum, sigarettenpijpjes, pijpen, hondjes, papegaaien, Japanse snuisterijen, antiek; hij had zijden nachthemden, een bed van ebbenhout met paarlemoer, een echte Boechaarse ochtendjas en dergelijke, en dat kostte allemaal dagelijks, zoals hij het zelf uitdrukte, een "smijt"geld.

- "Als de poëzie niet de problemen behandelt die u belangrijk lijken," zei Jartsev, "kies dan publicaties over techniek, politierecht en financieel recht, lees wetenschappelijke artikelen. Waarom zou Romeo en Julia in plaats van over liefde moeten gaan over, zeg, vrijheid van onderwijs of desinfectie van gevangenissen, als daar speciale artikelen en handleidingen over zijn?"

- "U bent erg lief, moet ik u zeggen," begon hij. "Vergeeft u mij de culinaire vergelijking, maar u doet me denken aan een vers ingezouten augurkje, dat zogezegd nog naar de broeikas ruikt, maar al enig zout en een vleugje dille bevat. ..."
 
- "Moeders zien in hun kinderen iets buitengewoons, zo heeft de natuur het nu eenmaal ingericht," zei Joelia. "Een moeder kan hele uren bij het bedje staan kijken wat voor oortjes, oogjes en neusje haar kind heeft, en is verrukt. Als een buitenstaander haar kind kust, denkt de arme vrouw dat dat hem een groot genoegen verschaft. En een moeder praat over niets anders dan over haar kind. Ik ken die zwakheid van moeders en ik let op mezelf, maar mijn Olja is echt buitengewoon. Zoals ze kijkt wanneer ze drinkt! En hoe ze lacht! Ze is pas acht maanden, maar bij God, zulke intelligente ogen heb ik zelfs bij driejarigen nooit gezien."
 
- Op het dek van de boot van Odessa naar Sebastopol werd ik aangesproken door een tamelijk knappe heer met een rond baardje, die om vuur vroeg en zei: "Let u eens op die Duitsers, die bij de stuurhut zitten. Als Duitsers of Engelsen bij  elkaar komen, praten ze over de wolprijzen, de oogst, of persoonlijke dingen; maar als wij Russen bij elkaar zijn, praten we om een of andere reden alleen over vrouwen en over het hogere. Maar vooral over vrouwen."
 
- "Jawel,"hoorde ik terwijl ik insliep. "Jawel. Het komt allemaal door onze opvoeding, meneertje. In de steden komt de hele opvoeding en vorming van de vrouw erop neer dat er een dier van haar gemaakt wordt dat het mannetjesdier kan behagen en veroveren. Jawel." Sjamochin zuchtte. "Meisjes moeten samen met jongens opgevoed en onderwezen worden, zodat ze altijd bij elkaar zijn. Een vrouw moet zo opgevoed worden dat ze net als een man haar ongelijk kan bekennen, want nu heeft ze volgens haarzelf altijd gelijk. Maak een meisje vanaf de luiers duidelijk dat een man niet in de eerste plaats aanbidder en huwelijkskandidaat is, maar een naaste, een gelijke in alle opzichten. Leer haar logisch denken, generaliseren en maak haar niet wijs dat haar hersens minder wegen dan die van een man en dat ze daarom onverschillig mag zijn voor kunst, wetenschap en andere cultuurverschijnselen. ..."

- Voor mij, een zorgeloos wezen dat een rechtvaardiging zocht voor zijn voortdurende lediggang, waren die zomerse zondagochtenden op de Russische landgoederen altijd buitengewoon aantrekkelijk. Wanneer een groene tuin, nog vochtig van de ochtenddauw, geheel straalt van zonlicht en gelukkig lijkt, wanneer het rond een huis naar reseda en oleander geurt, de jeugd pas terug is uit de kerk en theedrinkt in de tuin, en wanneer iedereen zo aardig gekleed en vrolijk is, en wanneer je weet dat al die gezonde, weldoorvoede, mooie mensen de hele dag niets zullen doen, dan zou je willen dat het hele leven zo was.

- Ik was in een stemming alsof ik op iemands bevel met een speer op een beer afstapte.

- "Onder de heren was het beter," zei de vader onder het haspelen. "Je werkte en je at en je sliep. alles op z'n tijd. Het middagmaal was koolsoep en grutten, 's avonds ook koolsoep en grutten. Augurken en kool waren er bij de vleet, je kon eten zoveel je als je hartje begeerde. Er was ook meer strengheid. Iedereen kende z'n plaats."

- Marja en Fjokla bekruisten zich geregeld, gingen jaarlijks ter communie, maar begrepen er niets van. Ze hadden hun kinderen niet leren bidden, spraken niet met hen over God, brachten hun geen regels bij en verboden ze alleen om in de vastentijd vlees en melkspijzen te eten. In de andere gezinnen was het bijna net zo: er waren maar weinigen die geloofden, weinigen die er iets van begrepen. Tegelijkertijd hielden ze allemaal van de Heilige Schift, teder en eerbiedig, maar boeken hadden ze niet, er was niemand die ze kon lezen of uitleggen, en doordat Olga soms uit het evangelie voorlas, oogstte ze respect en werden zij en Sasja met "u" aangesproken.

- Hij was geboren en getogen in Moskou, hij kende het platteland niet, had zich nooit voor fabrieken geïnteresseerd en er nooit een van binnen gezien. Maar hij had weleens over fabrieken gelezen, was bij fabrikanten op bezoek geweest en had met hen gepraat; en als hij een fabriek vanuit de verte of van dichtbij zag, kwam elke keer de gedachte bij hem op dat alles er van buiten nu wel zo stil en vredig uitzag, maar dat je binnen vermoedelijk een onoverkomelijke achterlijkheid zou aantreffen, een bot egoïsme van de eigenaren, eentonig, ongezond werk van de arbeiders, geruzie, wodka, ongedierte. En nu de arbeiders zo eerbiedig en schrikachtig opzij gingen voor zijn rijtuig kon hij van hun gezichten, hun petten en hun manier van lopen de fysieke onreinheid, dronkenschap, nervositeit en verdwazing aflezen.

- Zijn ruime, inderdaad bittere ervaring had hem lang geleden al geleerd dat iedere affaire, die in het begin altijd zo'n aangename afwisseling in het leven brengt en een aardig en luchtig avontuurtje lijkt, bij fatsoenlijke mensen en vooral bij Moskovieten, die moeilijk ergens warm voor lopen en zo besluiteloos zijn, steevast uitgroeit tot één groot, uiterst ingewikkeld probleem en dat de toestand uiteindelijk onhoudbaar wordt. Maar bij iedere nieuwe ontmoeting met een interessante vrouw ontglipte deze ervaring op een of andere manier zijn geheugen, kreeg hij zin in het leven en leek alles zo simpel en vermakelijk.

- Ook dit legde hij uit. Terwijl hij zo praatte bedacht hij dat hij nu onderweg was naar een rendez-vous, dat geen mens er weet van had en dat waarschijnlijk niemand er ooit van zou weten. Hij had twee levens: een openlijk leven, zichtbaar en bekend voor iedereen die het hoorde te zien en te kennen, vol conventionele waarheid en conventioneel bedrog, een leven dat als twee druppels water leek op dat van zijn kennissen en vrienden, en een ander leven, dat zich in het geheim afspeelde. En door een vreemde, misschien wel toevallige samenloop van omstandigheden speelde alles wat voor hem belangrijk, interessant en onmisbaar was, alles waarin hij oprecht was en zichzelf niet bedroog, alles wat de kern van zijn bestaan uitmaakte, zich in het geheim af, maar alles wat hij loog, het omhulsel waarin hij zich verschool om de waarheid te verbergen, zoals bijvoorbeeld zijn werk op de bank, de discussie op de club, zijn "inferieure ras", het aflopen van jubilea met zijn vrouw - dat alles was in de openheid. En naar zichzelf beoordeelde hij anderen, hij geloofde niet wat hij zag en veronderstelde altijd dat bij iedereen onder de sluier van een geheim, als onder de sluier van de nacht, zijn echte, meest interessante leven zich afspeelde. Elk persoonlijk bestaan is op geheimen gebaseerd, en misschien is dat voor een deel de reden dat een beschaafd mens zo krampachtig probeert te bewerkstelligen dat zijn persoonlijke geheim gerespecteerd wordt.

- "Sasja verweet me gisteren dat ik niets uitvoer, weet je nog?" zei hij na even gezwegen te hebben. "Tja, hij heeft gelijk! Helemaal gelijk! Ik voer niets uit en kan niks. Mijn schat, hoe komt dat? Waarom staat de gedachte alleen al me tegen om ooit een kokarde op te spelden en ergens in dienst te treden? Waarom word ik zo akelig als ik een advocaat of een leraar Latijn of een raadslid zie? O, moedertje Rusland! O, moedertje Rusland, hoeveel klaplopers en nuttelozen draag je nog met je mee! Wat lopen er veel mensen als ik op je rond, veelgeplaagd land!"
 Hij generaliseerde zijn eigen nietsdoen en zag daarin een teken des tijds.

  

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten