Adrian
Desmond & James Moore: Darwin (Groot Brittannië, 1991): 815 blz:
Vertaald door Henk Moerdijk (2008): Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Citaten:
- De Admiraliteit zocht iemand die kapitein Robert FitzRoy kon vergezellen op zijn topografische verkenningstocht langs de kusten van Zuid-Amerika, een reis die twee jaar zou duren. FitzRoy, zelf nog maar zesentwintig jaar, wilde een jonge reisgezel, een welopgevoede "gentleman" die zijn eenzaamheid als gezagvoerder kon verlichten, iemand die zijn disgenoot kon zijn. Een naturalist zou helemaal fantastisch zijn, want er zouden zich ongekende mogelijkheden voordoen.
- In wetenschappelijk opzicht was Darwin zeker geschikt en in sociaal opzicht was deze rol hem op het lijf geschreven. Het toeval wilde dat Jameson met zijn colleges in Edinburgh had ingespeeld op de behoeften van koloniale reizigers. Darwin kon mineralen thuisbrengen en wist steenlagen te onderscheiden, en Sedgwick had het geologisch vuur in hem aangewakkerd. Niemand in Groot-Brittannië had hem meer kunnen vertellen over de lagere zeesoorten dan Grant. Darwin was thuis in de systematiek van Lamarck en de nieuwste insectengidsen. En zijn gebrek aan ervaring maakte hij goed met zijn enthousiasme. Hij kon schieten, dieren villen en opzetten, en Henslow had zijn opleiding bekroond met een basisvorming in de plantkunde. Hij was, zoals Henslow zei, "ruimschoots bevoegd om te verzamelen, te observeren en aantekeningen te maken", en dat was wat telde.
- Robert Grant gaf Darwin een lijst met inmaaktips: bij krabben en dergelijke moeten de ingewanden verwijderd en de kieuwen uitgespoeld worden; kwetsbare zoöfyten moeten worden gedood "door geleidelijk zoet water toe te voegen", zeeanemonen "door kokend water in hun binnenste te gieten". "Spiraalschelpen" moeten opengebroken worden zodat de preserveringsmiddelen "alle onderdelen" kunnen bereiken. Gelijke delen water en "wijngeest" (ethylalcohol) moesten voldoende zijn, behalve bij krabben, die kennelijk goed tegen sterke drank kunnen.
- Darwin zag iets raars: een horizontale witte streep in de rotsen, ongeveer negen meter boven zeeniveau. Het was een laag samengeperste schelpen en koralen die doorliep voor zover het oog reikte. Het hele gebied had blijkbaar onder water gestaan; waarom nu niet meer? Het intrigeerde hem, en gedreven ging hij op zoek naar het antwoord.
- Charles, dobberend op de Rio de la Plata, sprak met geen woord over de dood van Fanny. In zijn antwoord aan zijn zussen vermeed hij het onderwerp , maar vroeg om boeken, laarzen, lenzen, meetlinten en meer lucifers om de inboorlingen versteld te doen staan. Hij pochte over al het werk dat hij verrichtte en gaf te kennen dat de natuurhistorie nog vele jaren zijn "favoriete bezigheid" zou blijven: "een bijdrage leveren, hoe klein ook, aan de uitbreiding van de beschikbare kennis is in het leven een even respectabel doel als elk ander".
- Martens ging het iets beter af, hij schoot een nandoe, en pas nadat de vogel bereid en verorberd was, herinnerde Darwin zich opeens - maar te laat - het gauchoverhaal over de zeldzame "petise". Het was de eerste keer dat hij de nieuwe vogel zag en in zijn onwetendheid had hij hem gewoon opgegeten! Gelukkig konden "kop, nek, poten en een vleugel" en de grote veren nog worden gered, die hij prompt preserveerde en in het ruim wegborg.
- De kern van de theorie van Thomas Malthus was weinig opwekkend: als de bevolking sneller groeit dan de voedselproductie, zijn strijd en honger onvermijdelijk. Publieke liefdadigheid - de oude armenzorg - maakte het alleen maar erger, want de giften maakten het de armen makkelijk en moedigden hen aan kinderen te krijgen. Meer monden om te voeden, meer armen, meer vraag naar hulp - het was een vicieuze cirkel.
- Charles zat te ver weg en hield zijn gedachten voor zich, hoewel niemand wezenlijker invloed op zijn wetenschappelijke werk zou hebben dan Malthus.
- Als het continent omhoogkwam, dan was de bodem van de Stille Oceaan kennelijk aan het zakken. Dit strookte met Lyells theorie van de "oscillerende aardkorst", en Darwin zag zichzelf nu als de "ijverige discipel" van de heer Lyell. Maar hoe kwam hij aan bewijzen? Hij vermoedde dat die te vinden waren in de koraalrijke wateren rond de talrijke eilandjes in de Stille Oceaan. Zakten die?
- Terwijl het land zakte hoopte het koraal zich op, want om te overleven moest het op een gunstige (on)diepte blijven. Hij had zijn antwoord voor de heren van de Admiraliteit al klaar voordat hij überhaupt een koraaleiland gezien had. Nu moest hij er alleen nog eentje vinden om zijn theorie te kunnen staven.
- De gevangenen dachten dat elk eiland zijn eigen schildpad had en dat de vorm van het pantser op elk eiland net even anders was.
- Wat Darwin echter wél opmerkte, was dat de spotvogels hier anders waren dan die op Chatham. Hij besloot zijn spotvogels gescheiden te houden en ze per eiland te merken.
- Alle vinken kwamen op deze watergaten af, wat het makkelijk maakte om ze te vergelijken. Maar hij deed in de zinderende hitte geen moeite om er een paar te vangen, want hij ging ervan uit dat ze, anders dan de afwijkende spotvogels, op alle eilanden hetzelfde waren.
- In totaal verzamelde hij van drie eilanden zes verschillende vinken, en zijn exemplaren van twee eilanden zaten door elkaar. Ondanks alle problemen had hij het gevoel gekregen dat deze vogels "zeer eigenaardig" waren.
- Maar hij ging er nog altijd van uit dat dit onbelangrijke afwijkingen waren; tijdens de oversteek van de Stille Oceaan zou hij zijn schildpadden verorberen en de kok hun veelzeggende rugschilden overboord laten gooien.
- Op open zee werkte hij drie weken aan een "complete herschrijving" van zijn geologische aantekeningen, hij wilde zijn ideeën soepel formuleren, maar slaagde daar niet geheel in. Hij probeerde de kwestie aan zijn zussen uit te leggen, maar zelfs dat stelde hem al voor stilistische problemen. "Het wordt me duidelijk hoe moeilijk het is om je ideeën op papier te zetten. Zolang het enkel een beschrijving betreft is het tamelijk eenvoudig, maar zodra er sprake is van een redenering, als er verbanden gelegd moeten worden en de woorden helder en vloeiend moeten zijn, vormt dat voor mij, zoals ik reeds zei, een probleem waarvan ik eerder geen benul had".
- Hij had nog veel meer: aantekeningen over esoterische geologie (1383 grote vellen) en dierkunde (368 bladzijden), nieuwe soorten - en dan vooral het half verorberde karkas van zijn kleine nandoe - een jonge galapagosschildpad in zijn hut, nog altijd in leven en zelfs vijf centimeter gegroeid, en thuis stonden kratten vol botten, vogels, stenen en koralen te wachten. De oogst was enorm. Zijn hoofdcatalogus bevatte 1529 gepreserveerde soorten en 3907 gelabelde huiden, botten en andere gedroogde monsters.
- Hij was op een spoor beland waarop hij de rest van zijn leven zou blijven: hij trok belangwekkende conclusies uit kleine feiten, leidde uit microscopisch kleine koralen een theorie over reusachtige riffen af en formuleerde zijn ideeën over de Andes op grond van enkele verschuivingen in de aardkorst. De wereld was - door de lyellaanse bril van Darwin bezien - een opeenstapeling van minuscule veranderingen - alles voltrok zich natuurlijk, geleidelijke en langzaam.
Lees verder in deel 4.
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten