Maarten 't Hart: Het roer kan nog zesmaal om (Nederland, 1984): 246 blz: Uitgeverij de Arbeiderspers, serie Privé-domein Nr. 100
Van
de Nederlandstalige boeken die ik destijds op de middelbare school heb
gelezen voor mijn lijst, was "De droomkoningin" van Maarten 't Hart
veruit mijn favoriete boek. Ik heb altijd een zwak gehad voor Maarten 't
Hart en in de loop der jaren aardig wat boeken van hem gelezen. In mijn
herinnering vind ik de drie deeltjes die in de serie Privé-domein zijn
verschenen, zijn beste boeken.
Iedereen
die vaker wat van Maarten 't Hart heeft gelezen, weet dat in al zijn
boeken dezelfde onderwerpen terugkeren: zijn worsteling met het geloof,
zijn liefde voor de klassieke muziek (Bach, Mozart), het piano- en orgel
spelen, de natuur, zijn enorme leeswoede en nog wat andere
onderwerpen.
Ik
heb "Het roer kan nog zesmaal om" in drie dagen tijd geboeid
uitgelezen. Ik merk wel dat ik de stukken over zijn opvoeding, school-
en studentenjaren en de natuur beduidend interessanter vind, dan alles
wat hij over het geloof heeft te melden. Ik vind van de Nederlandstalige
schrijvers die in de serie Privé-domein hebben gepubliceerd, de drie
boeken van Maarten 't Hart duidelijk tot de beter geslaagde teksten
behoren.
Citaten:
- "Als het maar beroerd eindigt," zegt Hotz vaak schamper tegen me, "dan, ja dan is het litertatuur."
- Op de derde september fietste ik om half zeven uit Maassluis weg, en drie uur later hoorde ik in de Pieterskerk professor Kuenen vertellen dat men als men studeerde best kon slabakken, als men dat wat men er naast deed, roeien bijvoorbeeld, dan maar goed deed.
- Daar Eysberg, juist in die lange, haast niet door te komen zomervakanties, enkele weken verplicht zijn zaak moest sluiten, zocht ik, mede op aanraden van mijn moeder ook naar ander werk. "Je kunt toch niet áltijd lezen," zei ze vaak, en ik was dat wel met haar eens. Als ik op een gewone vakantiedag in de zomer om zes uur opstond, had ik om negen uur mijn eerste boek al uit, en om twaalf uur mijn tweede, en om drie uur mijn derde, en nog voor het avondeten mijn vierde. Voor na de maaltijd had ik dan een flink dik boek bewaard, van rond vierhonderd bladzijden, en daar kon ik dan net tot bedtijd mee toe. Maar ja, vijf boeken op één dag, daar wordt men op den duur toch enigszins suffig van.
-
Zo vaak al heb ik mij vertwijfeld afgevraagd, als ik, min of meer
daartoe geprest, in een ruimte verkeerde waar mensen in vergadering of
op een receptie of op een feestje bijeen zijn, "is dit nu echt het
hoogst bereikbare?" Als dat niet zo is, waarom lijkt het dan alsof
iedereen erop uit is om altijd maar weer bijeenkomsten te organiseren
dan wel te bezoeken. En waarom moet iemand die het liefst alleen is
steeds weer à contre-coeur deelnemen aan sociaal verkeer? Ik pres al die
sociale mensen toch ook niet tot alleen zijn?
-
... welk werk men ook doet, men kan het doorgaans gedurende langere
tijd achter elkaar doen. Men kan tomaten plukken van 's morgens half
vijf tot half negen en ondertussen ook nog aan het bestaan van God
twijfelen. Maar schrijven kan men soms, en meestal niet. Daarom doet men
allerlei ander werk tussendoor; men hakt hout, men plant grote bonen,
men schoffelt in z'n moestuin, en af en toe keert men terug naar de
schrijftafel om te merken dat het (nog) niet gaat. Als mijn vader een
graf groef, begon hij om negen uur en was hij om twaalf uur klaar. Maar
als ik een verhaal schrijf, doe ik in feite tien, twintig andere dingen:
ik haal de post, verzet de geit, laad de hond uit, snijd alvast de rode
kool fijn voor het avondeten, en zet af en toe, so ganz nebenbei, ook
wel eens een zinnetje op papier. Vroeger had ik wel het vermogen om
langere tijd achtereen te schrijven, maar zelfs toen schreef ik maar
heel soms. Een schrijver is iemand die zelden schrijft. Van geen ander
beroep kan, denk ik, gezegd worden dat men er zo weinig tijd van de dag
mee bezig is.
Maarten 't Hart dacht dat hij om schrijver te kunnen worden journalist moest worden:
- Pas toen ik in aanraking kwam met datgene wat zo gewichtig "letterkunde" heet, kwam ik gaandeweg tot de ontdekking dat schrijvers slechts zelden als journalist begonnen waren. Bordewijk, mijn eerste grote literaire liefde, was advocaat, Theo Thijssen onderwijzer en Harry Mulisch, voor zover ik kon nagaan, helemaal niets. W.F. Hermans was geoloog en Jan Wolkers beeldhouwer. Het bleek volstrekt onnodig om journalist te worden.
- Schrijven moet iets houden van het achteloos maken van notities op de achterkant van een gebruikte envelop of van een pretentieloze, hoogstens wat lang uitgevallen brief aan een vriend of vriendin.
- Mijn hele leven lang heb ik eronder geleden dat het mensenbestaan is ingericht voor de langslaper. Ik ben een uitgesproken morgenmens, zit het liefst al om vijf uur, monter, vol grappen, tot alle conversatie bereid, aan de ontbijttafel. Mijn hele leven lang heeft men mij verweten dat ik a-sociaal ben, maar dat ben ik niet, alleen valt de periode van de dag waarin ik behoefte heb aan gezelschap, conversatie en sociaal verkeer niet 's avonds, maar 's morgens vroeg.
-
Geen moment hoefde ik mij het hoofd te breken over enig probleem. Er
werd voor ons gedacht, wij waren van elke verantwoordelijkheid ontheven,
altijd stond, op vaste tijdstippen, een uitgebreide maaltijd voor ons
klaar, en nooit hoefde ik ergens iets voor te betalen, alleen de kapper
kostte twintig cent.
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.