Adrian
Desmond & James Moore: Darwin (Groot Brittannië, 1991): 815 blz:
Vertaald door Henk Moerdijk (2008): Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Citaten:
- Darwin had Huxley het eerste deel over de eendenmossels gestuurd. (Voor Huxley was het een te kostbare aanschaf - je moest eerst lid worden van de Ray Society.) Enkele kleine technische kanttekeningen daargelaten vond Huxley het "een schitterende en zeer volledige" monografie, en het was "des te opmerkelijker" dat die geschreven was door een gerespecteerd geoloog en niet door een ontleedkundige ex professo. Toen Darwin en hij elkaar in 1853 bij de Geological Society eindelijk in de ogen keken, stelde hij voor het boek te bespreken.
-
Voor de jongste kinderen was het zijn gewone werk; in hun ogen had papa
nooit iets anders gedaan. Ze dachten zelfs dat alle volwassenen
dergelijk werk deden, of zoals een van hen over een buurman opmerkte:
"Waar werkt hij aan zijn eendenmossels?"
-
Wat in 1846 was begonnen als een paar maanden werk aan één vreemde,
saaie eendenmossel eindigde bijna acht jaar later met twee technische
verhandelingen over de gehele onderklasse. Nooit zou hij meer zo lang
achter elkaar met één onderzoek bezig zijn.
- Nu was hij 's werelds grootste deskundige op het gebied van de eendenmossel en de zeepok. Hij had een monumentaal, gezaghebbend werk geschreven, honderd pagina's over de fossiele vormen en meer dan duizend over de levende. Zijn naam als dierkundig specialist was gevestigd en hij was niet langer louter een deskundig geoloog.
- Hookers ster was rijzende en straalde allengs helderder. Darwin zei tegen een kennis dat "hij op zekere dag de belangrijkste plantkundige van Europa zal zijn", waarop hij prompt tot de orde werd geroepen: "Mijnheer, hij is zonder twijfel de belangrijkste plantkundige van Europa." De belangrijkste plantkundige was een heel goede vriend - wat had Darwin zich nog meer willen wensen. Hij diepte de geheime brief aan Emma op aangaande de vierhonderd pond om zijn tien jaar oude verhandeling te laten redigeren, en krabbelde ondubbelzinnig op het voorblad: "Hooker verreweg de beste man om mijn werk over de soorten te redigeren."
- Darwin hield de ultieme oorsprong buiten beeld. Wij kunnen niet achterhalen hoe het eerste leven op aarde ontstaan is, liet hij aan Hooker doorschemeren. De naturalist dient zich alleen bezig te houden met de daarop volgende veranderingen.
- In september 1854, toen Darwin de recensie van Huxley las, was het tweede, maar liefst 684 pagina's tellende deel van zijn monografie over de bestaande eendenmossels verschenen, en was hij druk doende om exemplaren naar zijn vrienden te sturen. Huxley, uitstekend op de hoogte van de Franse en Duitse dierkunde - in navolging van Darwin ontleedde hij zelf ook eendenmossels -, verschafte de adressen van de gezaghebbende geleerden die een exemplaar moesten krijgen, met enkele overtollige eendenmossels en zeepokken op sterk water als extraatje.
- Darwins gedachten gingen naar de oorlog in de natuur en hoe indringers vanaf zee - zaden, vruchten, kikkers, slakken - op vreemd terrein een bruggenhoofd konden vestigen en de inwoners konden verdrijven. Hij concentreerde zich steeds meer op het idee van strijd - hoe die plaatsvond en met welk resultaat.
- Hooker raakte er allengs van overtuigd dat de zuidelijke flora vermoedelijk fragmentarisch was - overblijfselen van een groot Zuidelijk Continent.
-
De foetussen van zoogdieren en vissen leken veel meer op elkaar dan de
volwassen dieren. Een schitterend bewijs van "een gemeenschappelijke
afstamming", dacht hij, maar hoe kon dit door natuurlijke selectie
verklaard worden.
- Het is moeilijk te begrijpen hoe nieuw Darwins aanpak eigenlijk was. De meeste naturalisten keken neer op duiven en pluimvee. ... De filosoof diende zijn verheven pijlen te richten op de wilde dieren en hun plaats en betekenis in Gods schepping. Vandaar de minachting van de wetenschappers: niemand dacht dat ook varkens en duiven inzicht konden bieden in "het mysterie aller mysteriën".
Maar onconventionele wetenschap moest op onconventionele wijze worden gesteund, en dat Darwin de perken van de conventie ver te buiten ging, staat buiten kijf. Hij richtte zich nogmaals op het vertrouwde wereldje van de jachtopzieners, op landbouwtentoonstellingen, op het boerenbedrijf, op overleveringen van het platteland en op de Poultry Chronicle. En hij hoorde mensen uit die het meest over teelt en erfelijkheid wisten: fokkers en kwekers van bijzondere rassen.
-
Darwin wilde aantonen dat de natuur uit ontelbare kleine variaties
bestond, die alleen voor ervaren fokkers zichtbaar waren. Deze
enthousiastelingen werkten op de vierkante millimeter. De verschillen
die alleen zij konden zien, vormden het ruwe materiaal waarin door
generaties lang selectief fokken weer "accenten" moesten worden
aangebracht. Uit zulke minuscule afwijkingen konden de fokkers
reusachtige veranderingen tot stand brengen, met de hedendaagse
kropduiven, pauwstaarten, romeinen en tuimelaars als resultaat. Zo
reusachtig, in feite, dat als deze vogels in het wild hadden geleefd,
dierkundigen ze als verschillende soorten geclassificeerd zouden hebben
en misschien zelfs wel als verschillende geslachten. "Darwin treft onder
zijn vijftien variëteiten van de gewone duif," meldde een verbijsterde
Lyell, het equivalent aan van "drie aparte geslachten en circa vijftien
aparte soorten."
- Volgens Owen waren de fossiele dieren minder gespecialiseerd dan de tegenwoordige. Volg iedere opklimmende lijn terug in de tijd en dan blijkt dat de dieren steeds algemener worden. Uiteindelijk komen we uit bij het archetype - de ideale mal waarnaar alle dieren waren gemaakt. Owen gaf een voorbeeld dat klassiek zou worden. Het moderne raspaard loopt op de topjes van zijn tenen - in feite één teen - maar was voorafgegaan door de kleinere, uitgestorven Hipparion, die aan elk been nog twee kleine extra tenen had, terwijl de nog oudere, op een tapir lijkende Paleaotherium een been met drie tenen had. Deze specialisatie was naar zijn idee kenmerkend voor de vooruitgang van het leven. Darwin was het met hem eens.
- Kort na de bijeenkomst in Downe begon Darwin plannen te maken voor de presentatie van zijn theorie. Lyell, gefascineerd door Darwins speculaties (al realiseerde hij zich hoe ver die gingen), moedigde hem aan zijn ideeën op te schrijven en te publiceren, uit vrees dat iemand het gras voor Darwins voeten zou wegmaaien.
- Darwin ging naarstig op zoek naar andere mechanismen; misschien waren het wel ijsschotsen geweest. Of toch die eendenpoten - het leek belachelijk, maar uit een "eetlepel modder" uit een vijver wist hij 29 planten te kweken.
- Wikkend en wegend las Hooker het manuscript, dat hem "een lust was, en leerzaam"; opeens had hij door waar Darwin naartoe wilde en stond hem een duidelijker beeld "van verandering" voor ogen. "Ik ben nog nooit zo onzeker over de soorten geweest," bekende hij tenslotte. Hij pende enkele opmerkingen neer en vond sommige stukken "nogal moeilijk lezen", maar hij opperde niet, zoals Darwin gevreesd had, om de hele zaak in het haardvuur te gooien. Van de ijstijdmigratie was hij niet zeker, maar hij achtte het mogelijk dat ijsbergen als vervoermiddel hadden gefungeerd. Het oordeel was "onvergelijkelijk veel gunstiger" dan Darwin had verwacht.
Op een dag ging hij rond het middaguur de stad in - hij zou niet lang
blijven, want Emma stond op het punt te bevallen - om er nog wat over te
praten. Hij bleef hameren op de punten die Hooker nog niet snapte.
Cruciaal was dat "externe omstandigheden uitermate weinig invloed hebben". Nieuwe soorten kwamen vooral voort uit de selectie van "toevallige"
variaties. Selectie in dichte populaties met een felle concurrentie was
eerder afhankelijk van de competitie tussen "metgezellen" dan van het
milieu.
- Darwin vroeg Hooker of zijn botanische vrienden ooit hadden gepoogd "variëteiten in het leven te roepen door trucs uit te halen met planten", bijvoorbeeld door wilde soorten sterk te bemesten, jarenlang al hun bloemen te plukken, ze te snoeien enzovoort. Na een plant met groene bloemen te hebben gekweekt dacht Darwin dat hij "elke bloem in een spanne van vier of vijf generaties tot op zekere hoogte "monsterlijk" zou kunnen maken".
- Elke dag kroop hij weer achter zijn bureau, vervloekte hij de soorten en schaafde hij aan zijn teksten. Maar op 18 juni, kort nadat de postbode een pakje had afgeleverd, zakte de grond onder zijn voeten weg.
- Het evolutionaire systeem van Wallace leek op dat van Darwin, dat viel niet te ontkennen. Droefgeestig, bijna alsof hij het niet kon geloven, schreef Darwin aan Lyell: "Als Wallace in 1842 de beknopte weergave van mijn manuscript had neergepend, was dat een uitstekende samenvatting geweest!"
- Onder aansporing van de kieskeurige Murray kwam er steeds weer een nieuwe titel. Inmiddels was hij ingekort tot On the Origin of Species and Varieties by Means of Natural Selction, maar Darwin bracht nog een verbetering aan door "and Varieties" te laten vallen.
- Darwin vroeg Hooker of zijn botanische vrienden ooit hadden gepoogd "variëteiten in het leven te roepen door trucs uit te halen met planten", bijvoorbeeld door wilde soorten sterk te bemesten, jarenlang al hun bloemen te plukken, ze te snoeien enzovoort. Na een plant met groene bloemen te hebben gekweekt dacht Darwin dat hij "elke bloem in een spanne van vier of vijf generaties tot op zekere hoogte "monsterlijk" zou kunnen maken".
- Elke dag kroop hij weer achter zijn bureau, vervloekte hij de soorten en schaafde hij aan zijn teksten. Maar op 18 juni, kort nadat de postbode een pakje had afgeleverd, zakte de grond onder zijn voeten weg.
Al
die jaren, de afschuwelijke beproeving, de geestelijke desintegratie
als gevolg van de angst voor de reacties en, sterker nog, voor het
verlies van aanzien. Alle ellendige vertragingen, alle gewetenswroeging
terwijl hij reikte naar het onaanraakbare, en ten slotte, na twintig
jaar, de ophanden zijnde publicatie. Nu, op een rustige vrijdagmorgen,
werd er een pakje bezorgd dat de halve wereld over was gereisd. Er zat
een bundel beschreven vellen van Wallace in, een reactie - hoe ironisch -
op Darwins bemoedigende woorden.
Darwin
zag zijn levenswerk "in duigen" vallen. "Uw woorden zijn werkelijkheid
geworden, en hoe!" jammerde hij tegen Lyell. Iemand was hem "vóór
geweest".
- Het evolutionaire systeem van Wallace leek op dat van Darwin, dat viel niet te ontkennen. Droefgeestig, bijna alsof hij het niet kon geloven, schreef Darwin aan Lyell: "Als Wallace in 1842 de beknopte weergave van mijn manuscript had neergepend, was dat een uitstekende samenvatting geweest!"
- Darwin en Wallace werden het eens over een gezamenlijk artikel. De plaats waar het moest gebeuren was snel geregeld - de Geological Society was ongeschikt - haar leden moesten weinig hebben van theorieën - de Zoological Society was de basis van Owen, en dus bleef de Linnean Society over.
-
Dat er op de bijeenkomst niet gereageerd werd, was waarschijnlijk het
beste voor Darwins gemoedsrust. Maar het was een schrale troost. De
voorzitter had de bijeenkomst klagend verlaten, zoals hij later zei,
want het jaar had niet "een van die opmerkelijke ontdekkingen
opgeleverd die [onze] afdeling van de wetenschap zogezegd op haar kop
zetten".
Over de publicatie van The Origin:
- De uitgever John Murray was praktisch ingesteld en dacht vooral aan de titel. Darwin wilde het boek graag An Abstract of an Essay on the Origin of Species and Variation through Natural Selection
noemen, en hoewel men in de victoriaanse tijd een voorliefde had voor
loodzware titels, zag Murray zijn investering al verloren gaan.
- Onder aansporing van de kieskeurige Murray kwam er steeds weer een nieuwe titel. Inmiddels was hij ingekort tot On the Origin of Species and Varieties by Means of Natural Selction, maar Darwin bracht nog een verbetering aan door "and Varieties" te laten vallen.
Lees verder in deel 7.
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten