Frank van Rijn: De gouden capuchon (Nederland, 2007): 270 blz: Uitgeverij Elmar
Af
en toe is het wel eens lekker om na wat serieuzere boeken een
"tussendoortje" te lezen. Voor mij zijn de boeken van wereldfietser
Frank van Rijn altijd prima tussendoortjes. Vaak lees ik er dan een
aantal achter elkaar.
Als
wereldfietser is Frank van Rijn een klasse apart. Ik denk dat er
wereldwijd weinig mensen zijn die zoveel grote fietstochten hebben
gemaakt als Frank van Rijn. En ik weet vrij zeker dat hij de meest
productieve schrijver van reisverhalen over grote fietstochten is.
Frank
van Rijn houdt het meeste van fietsen in de stralende zon bij hoge
temperaturen, eigenlijk voelt hij zich het lekkerst bij temperaturen van
boven de 30 graden Celsius. Wat dat betreft is de tocht die in "De
gouden capuchon" beschreven wordt een uitzondering tussen de tochten die
hij heeft gemaakt.
De
tocht waarover het gaat in "De gouden capuchon" is gemaakt van april 2004 tot februari 2005 en loopt van zijn
woonplaats Doldersum oostwaarts naar Rusland en vervolgens door
Kirgizstan, het westen van China en Tibet (het deel dat in het boek
wordt beschreven) tot aan India. Zoals altijd heeft Frank van Rijn het
veel over het landschap, het weer, de zorg voor het materiaal, het eten
onderweg, de ontmoetingen met medereizigers, maar eigenlijk nauwelijks
over de cultuur van de landen die hij bezoekt.
De mooiste voorbeelden van de typische droge humor van Frank van Rijn vind je in de onderstaande citaten.
- Ongeveer 25 km voorbij Kara Köl vind ik wat ik zoek: een flinke verbreding van de kloof met een ruim meer. Aan de oever daarvan, een eind omlaag van de weg, zet ik mijn tent op, waarna ik op mijn brander een pakje soep opwarm. Met een stuk brood en een appel erbij levert me dat een redelijk lux driegangendiner op.
-
Bovendien is het me nog steeds niet duidelijk of met -14 graden C op
een slaapzak bedoeld wordt dat je je daarin bij -14 graden C behaaglijk
voelt of dat je dan nog juist niet doodvriest.
-
Zoals Einstein een tijdje geleden al ontdekte, geldt er helaas een
evenredig verband tussen energie en massa, wat voor mij betekent dat hoe
warmer ik het 's nachts wil hebben, hoe meer kilogrammen ik overdag op
mijn fiets zal moeten meeslepen.
-
Wat verderop, waar het pad het weer toelaat moet ik terugdenken aan
mijn eerste fietsvakanties in de jaren zeventig, toen ik nog met
inferieur materiaal rondreed en door heel Zuid-Europa een spoor
achterliet van gebroken cranks, trappers, spaken, velgen, naven,
wielassen, trapassen en derailleurs tot zelfs een compleet frame toe.
- Veertien kilometer per uur!!! Het lijkt wel alsof mijn fiets wordt aangedreven door straalmotoren. Ik klief door het woeste landschap als een fregat door de oceaan.
- De Chinezen schijnen van tegels en stoepjes te houden waarin je je kunt spiegelen en waarop je je benen kunt breken. Wanden, vloeren en buitengevels glimmen om het hardst. Na de Qin-, Han-, Tang-, Ming- en al die andere dynastieën is nu de polytetrafluorethyleen-dynastie aangebroken.
- Yakthee is een afschuwelijk drankje, althans als je echte thee verwacht. Als het je als bouillon wordt aangeboden smaakt het bruine mengsel van water, zout, yakboter en thee, waar de kringen vet op drijven, bijzonder goed.
-
Ik herinner me uit een lang vervlogen verleden dat ik met een plastic
brandglaasje van slechts 5 cm in diameter, al veters kon laten smeulen
en wat nog veel leuker was: de dunne zwarte laag celluloid waarmee
fietssturen in de jaren vijftig werden bekleed. Je liet het zonlicht
door je brandglas vallen en richtte het brandpunt precies op dat zwarte
celluloid, waarna er binnen een paar seconden een enorme
rookontwikkeling plaatsvond gepaard gaande met een heel speciale geur
die ik me na al die jaren nog steeds herinner. Dat gaf elke keer weer
veel sensatie, maar het viel niet altijd mee de eigenaar van de fiets te
laten delen in het plezier van het opstoken van zijn stuur. Daar kwam
veel tact bij kijken, maar beter was het om, als je ontdekt werd, meteen
het hazenpad te kiezen. In ieder geval lukte dat "stuurtjefikken",
zoals wij dat noemden, al op zeeniveau in Nederland.
- "... want ik voel me hier door de koude als een vis bovenop een zandduin in de Sahara."
- Ik slurp het zouteloze, smakeloze sliertensoepje vanuit de pan naar binnen. Lekker hoeft het niet te zijn, als het maar vult, energie geeft en me wat verwarmt.
- Een eindje naast me loopt de met grove, scherpe keien verharde en opgehoogde weg die er van hier uitziet als een lange, vlakke gletsjer bedekt met morene. Dat is voor de fiets een vier-kilometer-per-uur-weg, maar in dit spoor waar ik nu zit, haal ik snelheden van 14 à 16 km per uur, wat in Tibet als een goede benadering van de lichtsnelheid beschouwd kan worden.
- Over de eerste twee kilometer van dit paradijs voor klimmers doe ik, beurtelings duwend tegen en trekkend aan mijn vervoermiddel, ruim een uur. Ik vraag me af of je een fiets in een dergelijke situatie nog een vervoermiddel kunt noemen. Hij vervoert niet míj, maar ik hèm, dus eigenlijk ben ik het vervoermiddel van mijn fiets.
- Opeens herkent een van hen mij van mijn boeken: "Hé, ben jij soms Frank van Rijn?"
"Niet soms maar altijd."
Geen opmerkingen:
Een reactie posten