zaterdag 13 april 2024

Frank van Rijn: De gouden capuchon

Frank van Rijn: De gouden capuchon (Nederland, 2007): 270 blz: Uitgeverij Elmar
 

 
Af en toe is het wel eens lekker om na wat serieuzere boeken een "tussendoortje" te lezen. Voor mij zijn de boeken van wereldfietser Frank van Rijn altijd prima tussendoortjes. Vaak lees ik er dan een aantal achter elkaar.
 
Als wereldfietser is Frank van Rijn een klasse apart. Ik denk dat er wereldwijd weinig mensen zijn die zoveel grote fietstochten hebben gemaakt als Frank van Rijn. En ik weet vrij zeker dat hij de meest productieve schrijver van reisverhalen over grote fietstochten is.
 
Frank van Rijn houdt het meeste van fietsen in de stralende zon bij hoge temperaturen, eigenlijk voelt hij zich het lekkerst bij temperaturen van boven de 30 graden Celsius. Wat dat betreft is de tocht die in "De gouden capuchon" beschreven wordt een uitzondering tussen de tochten die hij heeft gemaakt.
 
De tocht waarover het gaat in "De gouden capuchon" is gemaakt van april 2004 tot februari 2005 en loopt van zijn woonplaats Doldersum oostwaarts naar Rusland en vervolgens door Kirgizstan, het westen van China en Tibet (het deel dat in het boek wordt beschreven) tot aan India. Zoals altijd heeft Frank van Rijn het veel over het landschap, het weer, de zorg voor het materiaal, het eten onderweg, de ontmoetingen met medereizigers, maar eigenlijk nauwelijks over de cultuur van de landen die hij bezoekt. 

De mooiste voorbeelden van de typische droge humor van Frank van Rijn vind je in de onderstaande citaten.
 
Citaten:
- Ongeveer 25 km voorbij Kara Köl vind ik wat ik zoek: een flinke verbreding van de kloof met een ruim meer. Aan de oever daarvan, een eind omlaag van de weg, zet ik mijn tent op, waarna ik op mijn brander een pakje soep opwarm. Met een stuk brood en een appel erbij levert me dat een redelijk lux driegangendiner op.

- Bovendien is het me nog steeds niet duidelijk of met -14 graden C op een slaapzak bedoeld wordt dat je je daarin bij -14 graden C behaaglijk voelt of dat je dan nog juist niet doodvriest.

- Zoals Einstein een tijdje geleden al ontdekte, geldt er helaas een evenredig verband tussen energie en massa, wat voor mij betekent dat hoe warmer ik het 's nachts wil hebben, hoe meer kilogrammen ik overdag op mijn fiets zal moeten meeslepen.

- Wat verderop, waar het pad het weer toelaat moet ik terugdenken aan mijn eerste fietsvakanties in de jaren zeventig, toen ik nog met inferieur materiaal rondreed en door heel Zuid-Europa een spoor achterliet van gebroken cranks, trappers, spaken, velgen, naven, wielassen, trapassen en derailleurs tot zelfs een compleet frame toe.

- Veertien kilometer per uur!!! Het lijkt wel alsof mijn fiets wordt aangedreven door straalmotoren. Ik klief door het woeste landschap als een fregat door de oceaan.

- De Chinezen schijnen van tegels en stoepjes te houden waarin je je kunt spiegelen en waarop je je benen kunt breken. Wanden, vloeren en buitengevels glimmen om het hardst. Na de Qin-, Han-, Tang-, Ming- en al die andere dynastieën is nu de polytetrafluorethyleen-dynastie aangebroken.

- Yakthee is een afschuwelijk drankje, althans als je echte thee verwacht. Als het je als bouillon wordt aangeboden smaakt het bruine mengsel van water, zout, yakboter en thee, waar de kringen vet op drijven, bijzonder goed.

- Ik herinner me uit een lang vervlogen verleden dat ik met een plastic brandglaasje van slechts 5 cm in diameter, al veters kon laten smeulen en wat nog veel leuker was: de dunne zwarte laag celluloid waarmee fietssturen in de jaren vijftig werden bekleed. Je liet het zonlicht door je brandglas vallen en richtte het brandpunt precies op dat zwarte celluloid, waarna er binnen een paar seconden een enorme rookontwikkeling plaatsvond gepaard gaande met een heel speciale geur die ik me na al die jaren nog steeds herinner. Dat gaf elke keer weer veel sensatie, maar het viel niet altijd mee de eigenaar van de fiets te laten delen in het plezier van het opstoken van zijn stuur. Daar kwam veel tact bij kijken, maar beter was het om, als je ontdekt werd, meteen het hazenpad te kiezen. In ieder geval lukte dat "stuurtjefikken", zoals wij dat noemden, al op zeeniveau in Nederland.

- "... want ik voel me hier door de koude als een vis bovenop een zandduin in de Sahara."

- Ik slurp het zouteloze, smakeloze sliertensoepje vanuit de pan naar binnen. Lekker hoeft het niet te zijn, als het maar vult, energie geeft en me wat verwarmt. 

- Een eindje naast me loopt de met grove, scherpe keien verharde en opgehoogde weg die er van hier uitziet als een lange, vlakke gletsjer bedekt met morene. Dat is voor de fiets een vier-kilometer-per-uur-weg, maar in dit spoor waar ik nu zit, haal ik snelheden van 14 à 16 km per uur, wat in Tibet als een goede benadering van de lichtsnelheid beschouwd kan worden.

- Over de eerste twee kilometer van dit paradijs voor klimmers doe ik, beurtelings duwend tegen en trekkend aan mijn vervoermiddel, ruim een uur. Ik vraag me af of je een fiets in een dergelijke situatie nog een vervoermiddel kunt noemen. Hij vervoert niet míj, maar ik hèm, dus eigenlijk ben ik het vervoermiddel van mijn fiets. 

- Opeens herkent een van hen mij van mijn boeken: "Hé, ben jij soms Frank van Rijn?"
 "Niet soms maar altijd."

   
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom. 
 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten