Lieve Joris: Amadou: Afrikaanse notities (België, 1994): 62 blz: Uitgeverij VSB fonds
Van 16 juni tot 7 juli 1993 heeft Lieve Joris een bezoek gebracht aan Senegal. Ze heeft in die tijd François,
een oude vriend, bezocht en ook een muziekfestival in Dakar, waar onder
meer Baaba Maal en Youssou N'Dour optraden. "Amadou" is het verslag van
die reis. Het is maar een dun boekje, een tussendoortje zeg maar, maar
wel een erg goed tussendoortje.
- François' appartement is zo mogelijk nog kaler dan zijn huis destijds in Kinshasa. Overal naïeve schilderijen van de Zaïrees Chéri Samba. Ze zijn geen van alle ingelijst, en er zijn er die krullen en schilferen van het vocht. Ik hou van François' nonchalance tegenover wereldse zaken, maar betrap mezelf toch op een lichte ergernis. Chéri Samba exposeerde inmiddels in New York, die schilderijen zijn geld waard! Ik zeg maar niets, want François zou me uitlachen: een museum in New York, dat betekent niets voor hem. Hij is in Afrika geboren, heeft er het grootste deel van zijn leven gewoond. Het is interessant te zien hoezeer dat hem heeft bepaald. Hoe lang zou het duren voor New York ook voor mij geen referentiepunt meer is?
- Er zijn hier veel Libanezen. Ze hebben restaurants, warenhuizen, ijssalons - zij zijn in West-Afrika wat de Indiërs in Oost-Afrika zijn: een onmisbare, en toch vaak bedreigde minderheid. Ze wekken jaloezie op.
- "Maar je kan hier maar beter geen Afrikaan zijn." Het is eruit voor ik het weet.
François lacht. "Weet je wat een Zaïrees voor mijn vertrek tegen me zei? "Profiteer er maar van dat je blank bent, want na jullie dood komen jullie terug als zwarten, dan zal je eens zien wat wij doormaken. En wij op onze beurt zullen terugkomen als blanken, dus maak je borst maar nat."" Sinds die tijd draagt hij er extra zorg voor goed te zijn voor zwarten, opdat hij niet terugkomt als een van hen. "Maar tegelijkertijd bid ik dat alle racisten terug zullen komen als zwarten, dan zullen ze weten hoe dat voelt!"
- Vooral aan die train culturel
denkt hij met nostalgie terug. In de trein reisde een theatergezelschap
mee en muzikanten die onderweg concerten gaven. Er was een bibliotheek
en een wagon waarin voorlichting over Aids werd gegeven en condooms
werden uitgedeeld. Toen François de gouverneur in Lubumbashi om steun
had gevraagd voor zijn anti-Aids-campagne, had deze hem spottend
aangekeken. "Jullie blanken zijn vreemde lui," zei hij, "eten jullie een
bonbon soms op met papier en al?" De acteurs en muzikanten leidden
onderweg overigens zo'n liederlijk leven dat François zich later afvroeg
of de train culturel niet eerder een Aids-verspreider was geweest.
-
Thuis vragen ze me soms of ik niet eenzaam ben op reis, of bang. Hoe
kan je eenzaam of bevreesd zijn in een land waar je na vier dagen al uit
de massa wordt gepikt door iemand die de moeite heeft genomen je naam
te onthouden? Afrikanen moeten zich beroerd voelen als ze bij ons
aankomen - niet langer een identiteit te hebben, verstoken te zijn van
elk teken van herkenning. Het is misschien niet zo vreemd dat ze
beschutting zoeken bij elkaar tegen de anonimiteit die hen ineens
tegemoet walmt.
- Een jochie is naast me komen lopen. Hij heeft een minuscuul plastic zakje ijslimonade in de hand waar je kinderen hier vaak mee ziet. Het kost 25 CFA - 10 cent -, dat valt meestal nog wel te betalen. Ik heb al heel wat bedelende kinderen van me afgeschud en vraag quasi-bars: "En, wat moet jij?" Het jongetje blijft met gedecideerde pas naast me lopen en zegt: "Ik wil naar binnen."
Ik kijk eens naar hem. Voddig broekje, wijd T-shirt, een ventje van niks.
"Hoe oud ben je helemaal!"
"Veertien." Dat is een leugen - ouder dan tien kan hij niet zijn. Wie weet hoe ver hij heeft gelopen om hier te komen. Weet zijn moeder waar hij is? Vast niet.
"Voor wie ben je gekomen?"
Hij kijkt naar me op, zijn ogen stralen. "Voor Youssou N'Dour."
Tegen die tijd ben ik verkocht.
"Hoeveel kost een ticket?"
"Vijfhonderd CFA."
Hij blijkt tweehonderdvijftig te hebben - ik geef hem de rest, waarop hij er als een haas vandoor gaat. Ik voel me een beetje belachelijk, als een padvinder die een goede daad heeft verricht, maar ook tevreden.
-
De Belgische pater staat op het punt naar Dakar te vertrekken. Hij
wijst me de weg in het keukentje. Bier in de ijskast, Nescafé,
poedermelk en suiker in het blauwe aanrechtkastje. Alle missieposten in
Afrika lijken op elkaar: schone lakens op het bed, een wasbak, tafel en
stoel - de soberheid die ik ken van mijn kostschooltijd en die in deze
omgeving luxe wordt.
-
Demba kijkt niet met onverdeeld enthousiasme terug op de kolonisatie,
maar het moet hem toch van het hart dat de zaken in die tijd beter
geregeld waren. "Je kon tenminste carrière maken. Als je twee jaar
ergens werkte en je was goed, werd je gepromoveerd, maar tegenwoordig
... Alleen als je familie bent van de minister, kom je hogerop. Daarom
wil iedereen in dit land in de politiek: het is de ideale manier om je
zakken te vullen."
Geen opmerkingen:
Een reactie posten