zaterdag 17 mei 2025

Tardi: Ik René Tardi krijgsgevangene in Stalag IIB: Mijn terugkeer naar Frankrijk

Tardi: Ik René Tardi krijgsgevangene in Stalag IIB: Mijn terugkeer naar Frankrijk (Frankrijk, 2015): 141 blz: Vertaald door Studio Peter de Raaf (2015): Uitgeverij Casterman

Ik, rene tardi, krijgsgevangene hc02. mijn terugkeer en het vervolg
 
In het tweede deel van de trilogie "Ik René Tardi" volgen we René nadat hij met een colonne medegevangenen vertrokken is uit Stalag IIB, het krijgsgevangenenkamp waar hij ruim 4 jaar gevangen heeft gezeten. De Duitsers (afwisselend genaamd Fritzen of Teutonen) zijn op de vlucht naar het westen voor de Russen uit (Ivans of Ruskis genaamd), zodat zij zich aan de Amerikanen of Engelsen kunnen overgeven in plaats van aan de Russen, van wie ze niet veel goeds verwachten en nemen daarbij hun gevangenen mee.

Het verhaal van deze "dodenmarsen" was mij al bekend uit het boek "Het respijt" van Primo Levi, die uit de eerste hand over zo'n zelfde soort mars schreef. 

Jacques Tardi heeft zich zeer grondig gedocumenteerd en dit deel is evenals het eerste deel zeer indrukwekkend leesvoer voor diegenen die geïnteresseerd zijn over dit aspect van de oorlog. De tekeningen zijn ook weer geweldig, zoals eigenlijk altijd bij Tardi. Kortom, ook dit tweede deel beveel ik van harte aan aan andere lezers!
 
Citaten:
- Vanaf het vertrek uit de Stalag kwamen we amper vooruit. We schuifelden moeizaam door de felle wind, de sneeuw en de nacht, en dat bij dertig graden onder nul.
 Als onze opmars niet naar tevredenheid verliep, werden onze nieren en rug met geweerkolven en gummiknuppels bewerkt. We moesten dus niet alleen de kou verdragen, maar ook de onaangename en hardhandige aanwezigheid van de Posten. Zij deden hun best om zo veel mogelijk afstand tussen het Rode leger en hun eigen smerige reten te houden, maar we gingen er geen snars sneller door.
 
- In Bad Polzin bevond zich een Lebensborn die tijdens ons bezoek nog actief was. Getrouwde vrouwen of goedgekeurde draagmoeders konden er in het diepste geheim bevallen op voorwaarde dat ze het kind aan de SS gaven. De Lebensborns waren ook de plekken waar "Arische" vrouwen zich konden laten bevruchten door SS'ers. Het leken net bordelen die als kraamklinieken vermomd waren. Poolse kinderen waren weliswaar theoretisch "Untermenschen" maar werden - nadat hun ouders afstand van hen hadden gedaan - "raciaal waardevol" verklaard, in deze "kleurechte" babyfabrieken gegermaniseerd en in Duitsland ter adoptie aangeboden aan zorgvuldig uitgekozen gezinnen.
 
- De Duitsers lieten drie varkens doden door KG's met ervaring. Ze deden het niet zelf, daarvoor waren ze veel te gevoelig. Varken + aardappelen + margarine ... Dat was grosso modo de dagelijkse prak van de Wehrmacht.
 Maar drie varkens zetten gezien ons aantal weinig zoden aan de dijk. Ik had niet eens het geluk om een piepklein stukje vlees op mijn soeplepel aan te treffen.
 
- In deze brouwerij stroomde er warm water in overvloed. Bij de deur van een douchehok liet een Pool je ervoor dokken. Voor een pakje Lucky Strike mocht ik een douche nemen ... een warme! Het was vijf jaar geleden dat ik zo gelukzalig het vuil van mijn lijf had geschrobd. De douches in de Stalag kwam je vaak niet binnen, of het water was ijskoud, lauw als het meezat.
 
- De 16e ging ik pootjebaden in de Oostzee. Het was de eerste keer dat ik een bad in zee nam, en ongetwijfeld de kortste zoutwaterduik uit de geschiedenis! Ik hoef niet uit te leggen dat het frisjes was, maar ik was niet de enige die zich hoognodig moest schoonschrobben. Een paar kerels die zich lekker warm hielden in hun eigen stank, lachten ons uit. Nadat ik me ruw had ingezeept met zout water en me zo goed mogelijk had afgedroogd, trok ik mijn luizige plunje weer aan. Het zout op de luizenbeten zette mijn rug in brand. De moffen vonden de situatie bijzonder grappig.
 
- De Russen steken de Oder over en bezetten Potsdam, Spandau, Pankow en Köpenick. Berlijn is omsingeld. Over twee dagen zullen Ivan en G.I. Joe elkaar in Torgau aan de Elbe tegenkomen. Het Duizendjarige Rijk is in tweeën gespleten. Veel andere steden zijn gevallen en vanaf bruggenhoofden in de Oder zetten Zjoekov en de troepen van het eerste Wit-Russische front hun offensief op Berlijn in. Belangrijkste objectief: de kanselarij, want ze weten dat Hitler daar onverdroten nieuwe plannen smeedt om de oorlog te winnen. Zjoekov zou hem graag uit zijn hol halen, hem zijn laarzen laten opvreten, een bronzen hakenkruis in zijn reet steken en hem met zijn ingewanden aan een lantaarnpaal opknopen.
 
- Na Hamburg was ik nu aan de beurt. Met steeds kortere tussenpozen werd mijn hele rechteronderkaak geteisterd door felle salvo's artillerievuur, die omhoogkropen naar mijn slapen en weer omlaag naar de stuurboordzijde van mijn nek ... En opeens hield het op - ik was doorweekt en stond te trillen op mijn benen - waarna alles des te heviger van vooraf aan begon. Ik begreep wel dat dit bombardement alleen maar erger zou worden. Het waren pas de inleidende beschietingen ... Waar kon ik een tandarts vinden?
 
- Op 20 mei verliet ik het Rijnland. Op 7 maart 1936, een zaterdag, was Hitler het gedemilitariseerde Rijnland binnengetrokken, waarmee duidelijk werd dat hij zijn reet veegde aan het Verdrag van Locarno. Het Duitse leger zou destijds niets hebben kunnen uitrichten tegen het Franse leger. De Duitsers waren zich trouwens bewust van hun zwakte. Ze hadden zelfs het bevel gekregen zich terug te trekken als wij ingrepen. Maar we deden niets! We hadden de kans om het einde van Hitler en nazi-Duitsland in te luiden, maar we staken geen vinger uit. Vive la France! De Engelsen gaven ook niet thuis.
 
Lees verder mijn bespreking van "Na de oorlog", het derde deel.

      

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

donderdag 15 mei 2025

Geluk of pech

Ik heb geluk dat ik nu leef, in een periode dat de welvaart voor de meeste mensen groter is dan ooit tevoren.
Ik heb geluk dat ik in Nederland woon, één van de rijkste landen ter wereld, waar het al 80 jaar vrede is en waar de sociale voorzieningen uitstekend zijn. 
Ik heb geluk met mijn vrienden.
Ik heb geluk dat mijn ouders goed bemiddeld waren.
Ik heb geluk dat ik een uitstekende opleiding heb gehad.
Ik heb geluk dat ik een uitstekend verstand heb en dat ik makkelijk kan leren.
Ik heb geluk dat ik een hele lieve moeder had.
Ik heb geluk met een fijne zus en broer.
Ik heb geluk dat ik veel heb kunnen reizen toen het nog ging.
Ik heb geluk met een fijne woning.
Ik heb geluk met mijn buren.
Ik heb geluk dat ik voldoende geld heb om goed rond te kunnen komen.
Ik heb geluk met een prachtige verzameling boeken, cd's en dvd's. 
Ik heb geluk met een mooi natuurgebied (Amelisweerd) op loopafstand.
 
Ik heb pech met mijn zware psychiatrische ziekte.
Ik heb pech dat mijn moeder op te jonge leeftijd is overleden.
Ik heb pech met mijn vader gehad, van wie ik zijn genen heb geërfd.
Ik heb pech dat ik diabetes insipidus heb, waardoor ik zeer vaak naar het toilet moet en ik niet meer kan reizen.
Ik heb pech dat ik 14 uur per dag slaap en altijd moe ben.
Ik heb pech dat ik nooit een relatie met een leuke vrouw heb gehad. 

De pech die ik mijn leven heb is hele ernstige pech, maar wordt wel voor een groot deel gecompenseerd door de dingen waar ik geluk mee heb.
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

Leonard Freed: Worldview

Leonard Freed: Worldview (Verenigde Staten, 2007): 312 blz: Uitgeverij Steidl
 
Worldview 
WorldviewWorldview
 
Leonard Freed (1929-2006) was een Amerikaanse fotograaf die vooral bekend is geworden met zijn vrije werk in lange termijn projecten over de joden in Amsterdam en in Duitsland, zwarte mensen in wit Amerika en over het werk van de politie in de Verenigde Staten. Hij fotografeerde voornamelijk in zwart-wit (bij opdrachten voor sommige tijdschriften had hij een tweede camera bij zich voor kleurenfoto's) en hij was bij uitstek een mensenfotograaf.
 
"Worldview" is een prachtig uitgegeven boek door de Duitse uitgever Steidl, met daarin een ruime keuze uit de foto's die Freed gedurende zijn carrière heeft gemaakt. Alle foto's zijn in zwart-wit, ze zijn prachtig afgedrukt en allen bevatten de karakteristieke zwarte rand om aan te geven dat altijd het hele negatief is gebruikt. 
 
In "Worldview" staan 3 uitgebreide teksten, waarvan ik het interview met Leonard Freed veruit de interessantste vind. Freed legt hierin uit dat hij niet een perfecte foto wil maken, omdat juist het imperfecte detail leven geeft aan een foto. Dat is ook wel te zien aan zijn foto's. Er staan maar weinig foto's in het boek die ik echt helemaal geslaagd vind, maar alle foto's zijn interessant om naar te kijken.
 
Ik vind een eerder boek met foto's van Leonard Freed "Another Life" duidelijk mooiere foto's bevatten. 

Voor een aantal foto's uit "Worldview", klik hier.
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

Ara Güler: Ara Güler's Istanbul

Ara Güler: Ara Güler's Istanbul (Turkije, 2009): 179 blz: Uitgeverij Thames & Hudson
 

 
Van alle steden waar ik geweest ben, heeft Istanboel veruit de meeste indruk gemaakt. Dat ligt natuurlijk aan de stad zelf, een zeer dicht bevolkte wereldstad met enerzijds prachtige gebouwen (moskeeën!) en anderzijds schokkende armoede met uitgestrekte krottenwijken. Maar het ligt er ook aan dat Istanboel, in juli 1988, het eindpunt van mijn fietstocht naar Turkije was toen ik nog weinig van de wereld had gezien. 

Ara Güler heeft vanaf het einde van de jaren 40 tot aan de jaren 80 zeer veel foto's gemaakt in Istanboel. Alle foto's in dit boek zijn in zwart-wit. Ik herken de sfeer die uit de foto's spreekt van mijn eigen bezoeken aan de stad. 

Er staan veel prachtige foto's in dit boek. Ik heb eerder een later boek over Ara Güler besproken "A Play of Light and Shadow", maar de foto's uit dit boek over Istanboel vind ik beduidend sterker en bovendien is dit boek mooier uitgegeven. 

Voor een aantal foto's van Ara Güler over Istanboel (niet allemaal uit dit boek), klik hier.
 
     
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

woensdag 14 mei 2025

Tardi: Ik René Tardi krijgsgevangene in Stalag IIB

Tardi: Ik René Tardi krijgsgevangene in Stalag IIB (Frankrijk, 2012): 188 blz: Vertaald door Studio Peter de Raaf (2012): Uitgeverij Casterman
 
Ik, rene tardi, krijgsgevangene hc01. ik, rene tardi, krijgsgevangene van stalag 2b
 
Dit is een stukje dat ik eerder in oktober 2021 heb gepubliceerd op mijn blog en dat ik nu heb aangevuld met passende citaten. 
 
Ik heb "Ik René Tardi krijgsgevangene in Stalag IIB" een tijdje terug van een vriend cadeau gekregen voor mijn 55-ste verjaardag. Het is het eerste deel van een driedelige serie die tekenaar/schrijver Jacques Tardi heeft gemaakt over de belevenissen van zijn vader tijdens de oorlog. De andere twee delen heb ik ook in mijn bezit en ga ik de komende dagen lezen.

Jacques Tardi is met afstand mijn favoriete striptekenaar. Eigenlijk vind ik alle strips en graphic novels die ik inmiddels van hem heb gelezen en bekeken prachtig getekend. Jammer genoeg vallen de teksten vaak zwaar tegen. Uit "Ik René Tardi ..." blijkt dat Jacques Tardi zelf ook een schrijver van formaat is. Tot nu toe had ik Jacques Tardi nog niet ontdekt als groot schrijver.

In zijn jeugd had Jacques Tardi vaak onenigheid met zijn vader René, hij verweet hem die stomme oorlog nooit te kunnen vergeten. Zowel vader René als de grootvader van Jacques hadden als soldaat gevochten in de oorlog (De Tweede en de Eerste Wereldoorlog) en waren gevangengenomen door de Duitsers en terechtgekomen in een krijsgevangenenkamp. Eerst hoorde Jacques de verhalen van zijn grootvader aan en in de jaren 80 hoorde Jacques zijn vader letterlijk uit over hoe hij de oorlog had beleefd. Eens zou Jacques de belevenissen van zijn vader aan de wereld bekendmaken.

Het is geen wonder dat Jacques Tardi zijn hele leven gefascineerd is gebleven door de oorlog. Hij heeft talloze boeken geschreven en vooral getekend over zowel de Tweede Wereldoorlog, de Eerste Wereldoorlog als over de Frans-Duitse oorlog (1870). Deze boeken zijn allemaal prachtig getekend (en uitgegeven!) en geven een indringend beeld van het leed dat oorlogen mensen aandoen zoals alleen de allergrootste schrijvers en filmmakers dat ook hebben kunnen doen.

"Ik René Tardi krijgsgevangene in Stalag IIB" is waarschijnlijk het meest indrukwekkende boek dat ik tot dusver van Tardi in mijn handen heb gehad en dat wil heel wat zeggen. Zowel de teksten als de tekeningen zijn van zeer grote klasse. Ik lees niet veel meer over de oorlogen, maar dit boek kan ik iedereen die geïnteresseerd is in de oorlog van harte aanbevelen!
 
Citaten:
- Onze geweldige aanvoerders hadden ons opgedragen de vijand op te sporen en te vernietigen. Dat was tenminste duidelijk, zelfs voor de grootste sufferds onder ons! Het was spek voor onze bek! Leve het leger!

- Waarom zouden ze die stomme klotelanden, bakermat van chaos en sluimerende conflicten, niet gewoon annexeren: Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenië en de Oekraïne? Bulgarije zagen ze over het hoofd. Het Westen was een ander verhaal. In Groot-Brittannië of Frankrijk zouden de Duitsers niet snel voet aan de grond krijgen.
 
- Papa, is een tank duur? Geen idee! En je zegt niet "tank" maar "tenk"!
 
- Wij meenden het sterkste leger van de wereld te zijn, maar we kregen les in rammelkasten uit de Eerste Wereldoorlog. Oud materieel voor een oud leger van jonge verliezers in spe! Dat begreep ik naderhand! In '35 dachten we nog dat we alle tijd hadden.
 
- Het garnizoensleven bestond uit corvee, onderricht voor de soldaten, manoeuvres en wachtlopen: in de stad, op het station, langs de bordelen en de patroonfabriek. We hadden het nooit over de oorlog die op komst was. In de kazerne geen politiek! Alleen al het noemen van de krant "l'Humanité" zou zwaar bestraft worden. We hoefden geen mening te hebben, we moesten alleen gehoorzamen. Niet voor niets wordt het Franse leger "De grote zwijger" genoemd.
 
- Het al te zelfverzekerde Frankrijk was er niet klaar voor. Van 3 september tot 10 mei 1940 gebeurt er niets. Uiteraard grijpen we dit respijt van negen maanden niet aan om ons te organiseren. De Duitsers bewegen niet, wij bewegen niet, wij wachten. Het is de "Schemeroorlog". En daarna, op de door hen gekozen datum, 10 mei, begint het offensief. Op de 13e trekken Heinz & co ons land binnen, zoals je een rijpe camembert aansnijdt, hoewel ze hier en daar op hardnekkig verzet stuiten. Franse soldaten hebben gevochten en goed gevochten, maar de opmars van de Wehrmacht is niet te stuiten. 22 juni: Wapenstilstand, Parijs bezet, Adolf in het Trocadéro.
 
- Je moet begrijpen dat een mens het niet langer dan een uur volhoudt in een potdichte tank, met draaiende motor en bij warm weer. Het stinkt er naar kokende olie, uitlaatgas en koolmonoxide, en de zich opeenhopende gassen uit het kanon vergiftigen de lager gezeten bestuurder-mecanicien. Ventilatieroosters moeten met beleid geopend worden. Is de sector rustig, dan kan de commandant de deur van de 360 graden draaibare toren onder het rijden als zitje gebruiken.
 
- Ikzelf was een onderluitenant van de onderhoudsdienst tegengekomen die ik kende en die me geen enkele goede reden kon geven waarom we bij het verlaten van de trein gescheiden waren. Stomme kloteorganisatie, waardeloze leiding! Frankrijk "mijn" land omdat ik daar stomtoevallig was geboren. Ik walg ervan! Als ik de Marseillaise hoor, krijg ik zin om te kotsen!
 
- Datzelfde tablet chocolade die als ruilmiddel fungeerde, zal van zak tot zak gaan, van hand tot hand. Hij zal nooit verkocht worden en uiteindelijk misschien gebruikt worden om een Duitse vrouw te "benaderen" in een afgelegen Kommando.
 
- Het belangrijkste was het brood. "De schijf van vijf". Het brood is heilig, iedereen weet dat ... vooral als je het bijna niet hebt! Ons dagelijks brood had niet de vorm van een hostie maar van een dikke cake van een kilo ... voor vijf KG's! Het was gemaakt van inferieur meel en zag er afstotelijk uit. Het was niet gerezen, klef van binnen en stroperig onderin, maar toch vraten we het op. Het "brot" van de Duitsers was natuurlijk beter gerezen!
 
- In de bibliotheek stonden boeken van overal en in alle talen. De interessante boeken werden stiekem doorgegeven. Je zag ze nooit aan de oppervlakte komen. Ik heb alleen zouteloze avonturenromans en wetenschappelijke werken gelezen, niets politieks uiteraard, de censuur liet weinig door. De KG-bibliothecaris was een onderwijshufter met een hoge dunk van zichzelf, een beetje zoals sommige verwaande boekhandelaren die doen of ze de boeken die ze verkopen zelf geschreven hebben.
 
- Als er bij de moffen bloedworst op het menu stond, haastte Gourdin, die in het kledingmagazijn werkte, zich naar de plee om wat stront aan het lemmet van zijn Opinel te smeren. Achter de rug van zijn bewaker opende Gourdin diens tas en daarna de gamel om de bloedworst te voorzien van een dun laagje stront.
 
- Iedereen had luizen, ook de Duitsers. Ze hadden ze samen met de tyfus meegebracht uit Rusland en wij waren dus ook de klos. Als je tegen een bewaker over die kleine parasieten begon, ging ie meteen pleite. Erg handig om lastposten uit de buurt te houden, maar als je ze had kon je dat beter verzwijgen, want anders zetten ze je apart in een soort cel annex berghok. 
 In elke barak werd er aan één stuk door op luizen gejaagd. Die krengen zaten het liefst in het kruis van je broek.
 
- De Duitsers vonden het wel best. Wanneer een KG rustig zat te knutselen hoefde hij niet meer bewaakt te worden. Verder had je lui die naar artistieke schoonheid streefden. Er verschenen stoomlocomotieven gemaakt van sardineblikjes, zeilschepen gesneden uit planken van munitiekisten, vliegtuigen ... gebouwen ... sculpturen. Schilders en tekenaars legden ons lamentabele bestaan vast, soms met humor. Ik tekende tankgevechten.
 
- De Yankees kregen de kampkost maar aten er niet van. Ze werden ruim voorzien door het Rode Kruis en ontvingen K-rations en aanvullende rantsoenen. Ze waren schatrijk en niet verslagen. Bovendien was de Conventie van Genève op haar hoede. "Als jij mijn gevangenen slecht behandelt, wee de jouwe ..." Da's algemeen bekend. 
 Je snapt dat voor ons de situatie iets anders lag. In Frankrijk bevond zich geen enkele moffen-KG en Hitler veegde zijn reet aan Laval, Pétain en Vichy.
 
Lees verder mijn bespreking van "Mijn terugkeer naar Frankrijk", het tweede deel.

     
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

maandag 12 mei 2025

Maarten 't Hart: De man met het glas

Maarten 't Hart: De man met het glas: Over F.B. Hotz (Nederland, 2003): 91 blz: Uitgeverij de Kler 


 
Maarten 't Hart was vanaf het debuut van F.B. Hotz "Dood weermiddel" in 1976, een groot fan van de schrijver. Regelmatig publiceerde hij korte stukjes over F.B. Hotz. Met "De man met het glas" zijn alle stukjes die Maarten 't Hart ooit over Frits Hotz schreef, samengebracht in een bescheiden boekje. Het boekje geeft een aardig inkijkje in het leven en werk van Hotz.
 
Citaten:
- Toen Frits Hotz midden jaren dertig van de lagere school kwam, aanvaarde de auteur "bevreemd en benard," zoals hij in het verhaal De opdracht schrijft, "een ambachtsschoolopleiding, een springplank voor verder technisch onderwijs." Met behulp van die springplank kwam hij inderdaad terecht op de middelbare technische school (MTS), waar hij een opleiding werktuigbouw volgde. Niet zo vreemd, gelet op de in al zijn verhalen blijkende belangstelling voor techniek, ambachtelijk gemaakte voorwerpen en automerken.
 
- Ook zei hij mij toen: "Ze zeggen allemaal tegen me ... ja, jij gelukkig niet ... je kunt toch best doorgaan met schrijven. Je kunt toch dicteren? Of 't op een bandje inspreken." Ik antwoordde: "Dat zou ik niet kunnen, ik moet de regels voor me zien."
 "Precies," zei hij, "ik ook. Dan heb je iets opgeschreven en weet je meteen: er moeten drie woorden uit. Dat lukt toch nooit als 't op een bandje staat? Hoe moet je dan schrappen?"
 Die opmerking tekent zijn schrijversschap. Hij was er altijd op uit zo exact mogelijk te formuleren, streefde steevast naar een zo karig mogelijk woordgebruik, streefde een sobere, trefzekere stijl na, met niet alleen de juiste, maar ook liefst kortste uitdrukking voor datgene wat hij te zeggen had.

- Wat treft in al zijn werk is de laconieke toon. Ook de meest barre omstandigheden of gebeurtenissen worden ganz nebenbei verteld, worden niet zwaar opgenomen, of door een totaal onverwachte zijdelingse opmerking in een ander licht gesteld.
 
- Frits werd "de man met het glas" genoemd. Vanwege zijn matige gezichtsvermogen liep Frits gewapend met een enorm vergrootglas alle marktstalletjes af waar 78-toerenplaten, oude tijdschriften of bladmuziek te koop aangeboden werden.
 
- Trombonist Frits Hotz verzorgde aan het eind van de jaren vijftig met een jazzband de dansmuziek voor een studentengezelschap in Leiden. Het was de overige orkestleden opgevallen dat Frits tijdens de pauzes steeds in gesprek gewikkeld was met dezelfde blonde, mollige studente. Eén van de orkestleden vroeg tenslotte aan de slechtziende trombonist: "Frits, weet je wel wie die studente is, waar je steeds mee staat te praten?" "Geen idee," was het antwoord. "Het is prinses Beatrix." "O," sprak Frits toen, "ik had al het gevoel dat 't niks zou worden."
 
- Een gelukkige liefdesrelatie, daar vraag je me wat. Ik ken er niet veel. Altijd leek één der partijen op de tenen te moeten lopen bij zulk geluk, dat bovendien moeilijk in woorden te vatten is.
 
- Lust maakt omkoopbaar.
 
- In al het werk van Hotz spelen voorwerpen als meubels, kledingstukken, muziekinstrumenten, wapentuig en dergelijke een zeer belangrijke rol.
 
- In de Nederlandse literatuur hield hij 't meest van Van Oudshoorn en Elsschot. Van Ter Braak en Du Perron en Vestdijk moest hij niets hebben. Hij was een uitgesproken jazz-liefhebber, maar er was ook veel jazz waar hij op spuugde. De trombonist Bix Beiderbecke was zijn grote held.
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

F.B. Hotz: De vertegenwoordigers

F.B. Hotz: De vertegenwoordigers: Verhalen en beschouwingen (Nederland, 1996): 69 blz: (Uit "Het werk": Deel 2: Blz 501-569 (1997)): Uitgeverij de Arbeiderspers
 

 
"De vertegenwoordigers" is de laatste bundel die F.B. Hotz heeft gepubliceerd. Binnen zijn oeuvre lijken de stukken uit deze bundel mij niet zo heel belangrijk.
 
Citaten:
- In die stad was het druk. Op een kruispunt raakte de Ford bijna een fietsende pastoor. "Kijk je uit, zus!" riep mijn vader en ik geneerde me. Reizigershumor, dacht ik.
 
- Er begon nu al een soort heimwee in mij op te komen. ... Ik dacht aan het stapeltje grammofoonplaten dat ik had.
 Ik zei: "Die koffergrammofoon van mij, weet je wel?"
 "Ja?"
 "Die ik toen van jou heb gekregen?"
 "Ja? Is die kapot of zo?"
 "Nee, helemaal niet." Ik vertelde dat ik er een pick-up bij gekocht had, die je er zó kon opschroeven en op de radio aansluiten. En dat het een hele verbetering was.
 Mijn vader knikte.
 "Van His Master's Voice," zei ik. Hij knikte nu instemmend en zei niet onaardig: "Meneer doet het niet minder!"
 Ik wilde weten of hij zijn oude platen nog had. Maar hij keek nooit om. Zijn vroegere voorkeuren verloochende hij met gemak, zoals haast iedereen. Hij antwoordde dat hij alles weggedaan had.
 "Ook de Revellers en Whiteman?"
 "Ja, wat wil je! Dat allemaal van jaren geleden! Ik heb trouwens geen grammofoon meer, ik heb genoeg aan de radio. Je kan nou eenmaal niet alles bewaren."
 Ik zweeg verbijsterd, want ik herinnerde me de zelfingenomen kennersblik waarmee hij vroeger een plaat opzette. Maar eigenlijk wist ik dat iedereen er zo over dacht: voorbij is voorbij en weg is weg. Ik vond genoeg gepraat te hebben.
 
- Voor zijn scheerspiegel dacht hij aan die fotograaf van zestig jaar geleden. Hij was vijf toen, en op z'n hoede. "Kijk eens naar het vogeltje," had de man gezegd. Dat het geen echte vogel was begreep hij, maar volwassenen waren gek genoeg om een houten gedrocht uit het toestel te laten springen. Een grap. En dat ding kon je gezicht treffen.
 
- "Zeker luister ik," zei de oude man, "het interesseert me dat het mensen van nu nog boeit, zo'n primitieve ouwe film." Hij loog, want hun oordeel vond hij van geen enkel belang.
 
- Hij kwam de huiskamer van zijn dochter binnen, waar de smaak van het ogenblik gevolgd was zonder een sprank eigen voorkeur.
 
- Van Kampen dacht: je moet de mensen nooit raad geven, maar raad vragen, daar laten ze alles voor staan.
 
- Mijn oom vroeg naar mijn school. Ik antwoordde hem en legde het tijdschrift terug. Op straat passeerde een ons bekende roomse familie met zes kinderen. "Nou nou," zei mijn tante. Mijn oom boog zich naar mij over en zei: "En dan te bedenken dat God zelf maar één zoon had!"
 
- Tijdens het eten wist ik niets te zeggen. Niets. Hoe langer dat duurde hoe ondraaglijker het werd voor iedereen. Tot de mevrouw mij vroeg of ik óók in Indië geboren was, net als mijn nichtjes, die ze scheen te kennen. "Nee," zei ik beschaamd. "Dat dacht ik al," zei ze. Het meisje proestte kort. Want Indië betekende: weids land, grootheid, visie, mensen van de wereld, werk, geld, aanzien, binnenslenteren bij anderen, drank, feest, rijsttafels, sociëteiten, inzicht in andere volkeren, prestige, losheid en liefde in veel betekenissen. Ik bezat geen van die hoedanigheden.
 
Over vrouwen:
- Niets verraadt de tijd. De badpakken zijn ouderwets noch modern. Hoewel dat jaar een little boy figure voor vrouwen mode was - zoals J. Held ze tekende voor de New Yorker - en ze in hun kleren al hun rondingen verloochenden, kwam hun lijf in die badpakken bevrijd te voorschijn. Ze werden weer van alle tijden.
 
-Ik ben er niet zeker van of God wel het kruipend ongedierte van de wereldzeeën geschapen heeft, maar het badseizoen moet in Zijn raadsbesluit opgenomen zijn geweest.
 
Over mannen:
- De man is bij de haard gaan zitten en tast in vest en colbert naar zijn aansteker. Hij opent een verchroomde koker en neemt er een sigaret uit.
 Hij lijkt een monster van egoïsme: hij kijkt niet naar de vrouw en helpt haar niet. Maar in die tijd, en nog tientallen jaren nadien, hadden getrouwde mannen in de meeste huizen geen vierkante meter voor zichzelf. Vanuit hun werk streken ze 's avonds lamlendig neer op gebloemde damesfauteuiltjes, bij borduursels achter glas. Een wereldoorlog met vernietigingskampen en verwoeste steden was vergeten, maar de strijd in huis keerde snel terug.
 
- Wat een schrijver tot schrijver maakt is de kwaliteit van zijn verwoording, en niets anders. Niets. Niet het gegeven, de strekking of de invalshoek maakt het meedelen tot schrijven; het zijn de gekozen woorden, hun rangschikking, en het vervangen van ongewone woorden door gewone. Er is een soort magie die aan een gewoon woord in een kalme zin wurgkracht kan geven.
 
- Natuurlijk is het meegenomen als de inhoud van een roman of verhaal heel boeiend is. maar voor een test van schrijverschap telt het niet mee. Vertellen met een pakkende inhoud kunnen er velen.
 
- Als men nu maar niet een trefzekere en persoonlijke verwoording verwart met dat wat men "een mooie stijl" noemt. Want dat "mooie" riekt al naar mooischrijverij - het ergste - en naar woordvervetting eerder dan versobering.
 
   

Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

zondag 11 mei 2025

F.B. Hotz: De vertekening

F.B. Hotz: De vertekening (Nederland, 1991): 99 blz: (Uit "Het werk": Deel 2: Blz 401-499: 1997): Uitgeverij de Arbeiderspers
 

 
"De vertekening" is met 99 bladzijden het langste verhaal dat Hotz heeft gepubliceerd. Het is het verhaal van een bevriende schilder, Lucas genaamd, en met name over diens relatie met zijn vrouw. Opnieuw een prachtig verhaal.
 
Citaten:
- Thuis maakte ik wat aantekeningen van zijn verhaal, zoals ik dat ook na mijn volgende bezoeken zou doen. Ik bespeur daar nu hiaten in die ik zal moeten aanvullen met wat in me opkomt. Dat geldt ook over wat hij losliet over z'n werk. Ik ben geen schilder.
 
- Zijn schoonmoeder had hem eens gezegd: "Ik weet wel een paar mensen die een tekening of aquarel van hun kleine kinderen willen hebben; ik zal je hun adres geven." Hij had ja geknikt maar nee gedacht. Z'n weigering kwam al snel uit en hij werd hoogmoedig gevonden. En dat, vond zijn schoonmoeder, kon niet als je een gezin moest onderhouden.

- Slapen kon hij niet. Bij zijn eerste argwaan, weken geleden, had hij haar gangen niet na willen gaan. Vertrouwen, dat was het bewijs van iemand te houden. Maar te veel vertrouwen lijkt eerder op te weinig interesse, vond hij nu.
 
- Binnen zag Lucas veel onbekenden. Hij kwam naast een dertiger te zitten die de astrologie beleed als een verlossingsreligie. Lucas wist niets van die zaken, maar het bood gespreksstof.
 
- Ik moet meer onder de mensen komen, zegt m'n schoonmoeder. Maar men moet z'n geest niet aldus "verrijken". Men moet die verarmen tot men zelf overblijft.
 
- "Liefde" is mooi, maar je moet wel steeds met bijval en gelijkgeverij in de weer zijn. En als je in de stroom van complimenten en bewondering voor de geliefde even stopt om adem te halen, zegt ze: "Je geeft niets meer om me."
 
- Hij keek naar haar als naar een grote buurhond, die wegens vakantie van de buren om twaalf uur 's nachts nog uitgelaten moet worden bij hagel.
 
- Lucas geeuwde. Dan schreef hij nog: "Vera's ouders waren eerst tegen me. "Wat begin je! Een kunstschilder!" zeiden ze. Maar Vera kwam dagelijks model staan, en met haar studie in Leiden werd het niets. Ik was direct verknocht aan haar; ik wilde alleen háár schilderen en las zelfs in haar saaie studieboeken. Haar loomheid vond ik mooi; haar huid leek zó wit en kwetsbaar, dat ik er plechtig van werd. En na alle liefde lagen we soms op onze zij, neus aan neus als eskimo's, tot ik onrustig werd. Ga werken, dacht ik dan."
 
- Lucas dacht aan wat hij onlangs gelezen had in een boek van Leon Wolff over het front voor Ieperen in oktober 1917. Op het moment dat de gewonden in eindeloze processie terugstroomden over de Menense weg, opende in Londen de grootste najaarsmodeshow in jaren. De vrouwen stroomden toe, velen in particuliere auto's. Vrouwen verdienden veel eigen geld in nieuwe oorlogstaken en de collecties, getoond door mannequins bij muziek, waren luxueuzer en eleganter dan ooit.
 Lucas haatte opeens alle vrouwen, behalve Coby.
 
- Gerard gaapte. Je moet met anderen uitsluitend over hun eigen leven en persoon spreken, dacht Lucas. Uitsluitend. Niets anders boeit ze.
 
- Prachtige vrouwen kijken vaak of ze zich zelf vervaardigd hebben.
 
- Lucas' schoonmoeder dronk haar koffie op en zei: "Als ik iets kan doen, zeg het dan." Hij aarzelde, maar in plaats van: "Ze bedriegt me", zei hij: "Nee, het gaat wel goed. Misschien is ze wat - eh - ongedurig omdat ik niet zo veel verdien."
 "Doe daar dan wat aan," zei de vrouw op een toon die bemoedigend bedoeld leek, maar waarin ergernis over veronderstelde mislukking in het schilderen meesprak.
 
- Ook Lucas keek verheugd,  zij het met wat gêne, misschien voor de kamers, door Vera ingericht. Er was geen plek van hemzelf daar, zoals dat gaat in huwelijken.
 
- Gerard knikte zelfingenomen. "Ik zal  wel eens even met hem gaan praten," zei hij; "ik heb hem vroeger al gezegd: om te schilderen heb je maar drie dingen nodig: verf, linnen en licht. Geen huwelijk."
 
- Boven bleef hij klaar wakker. Zijn kop maalde verder. In het begin had Vera zich voor hem losgemaakt van de deftige carrièrewereld in Wassenaar. Hij, op zijn beurt, was echtgenoot, vader en kostwinner geworden. Hij had zich bij zijn schoonmoeder aangepast op haast zelfvernietigende wijze. Hij sprak in Wassenaar of kunst maken een aardig winstgevend project was en kunst kopen de beste belegging. Hij deed dat voor zijn vrouw. Een misverstand, want ze had dat laf gevonden.
 
- Schilderen gunde ze hem vóór alles. Maar ontevredenheid sloop in; Lucas verkocht niet veel en "had dus eigenlijk weinig voor  zijn vrouw over als hij die liefhebberij voortzette." Het waren Vera's woorden maar haar moeders gedachten.
 
- Lucas gedrag voedde Vera's gedachte dat echtgenoten steeds opeisbaar zijn. Hij moest voorhanden zijn als minnaar, kostwinner en biechtvader. Hij voldeed daaraan behoedzaam. Maar haar buien van twijfel en ongeloof namen toe.
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

zaterdag 10 mei 2025

F.B. Hotz: De voetnoot

F.B. Hotz: De voetnoot (Nederland, 1989): 39 blz: (Uit "Het werk": Deel 2: Blz 359-397): Uitgeverij de Arbeiderspers
 

 
"De voetnoot" gaat over een ongeluk met een van de eerste elektrische treinen in Nederland, en ook over tante Ina, die zo graag toneelspeelster wilde worden en die de pech had in die trein te zitten. De eerste druk van "De voetnoot" verscheen ter gelegenheid van de jaarwisseling 1989-1990 en was bestemd voor vrienden en relaties van de Arbeiderspers.
 
Citaten:
- Ik wil ook kunnen houden van het eenmalige, onbetekenende verleden dat alleen nog achterhaalbaar is in de versie van een anonieme ooggetuige, opgetekend in het uur van de gebeurtenis. Liefst zonder "visie". Geschiedenis als vak is dubieus: men fantaseert en wil meer redelijkheid en samenhang aan de feiten meegeven dan ze in zich droegen. Men houdt niet van het onbegrijpelijke, en keert snel terug naar een even onduidelijk heden.
 
Over de fröbelschool:
- Het "onderwijs" hier was tegelijk modern en ouderwets. Vooruitstrevend was een langwerpig schriftje met dofzwarte bladzijden: daarin mochten we papierstrookjes, rechthoeken en rondjes in primaire kleuren plakken, naar eigen inzicht. Het resultaat had soms waarachtig iets weg van een Bart van der Leck. Dan was het werkelijk 1926. Maar de opvoedkundige straffen van de oude vrouw stamden uit de vorige eeuw. Een kind dat te veel kletste werd langzaam aan het hoofd omhooggetrokken uit de schoolbank, en zo verdergedragen en in de hoek gezet. En degenen die in hun broek geplast hadden moesten voor de klas gaan staan, met hun onderbroek op de hielen. Meisjes keken daarbij als vrolijke exhibitionisten; jongens staarden naar de grond met hun handen voor hun nietig kruis.

- Op donderdag 9 september 1926 vertrok de sneltrein van 14.48 uur op tijd van Den Haag Hollandse Spoor naar Amsterdam. Het was lauw nazomerweer met een bedekte lucht.
 De locomotief was van de trotse 3700-serie, de grootste en sterkste van het land. Kenners prezen de perfecte, simpele vorm van de machine: de slanke groene ketel met de glanzend gepoetste koperen stoomdom, de vier kleine en de zes manshoge wielen, het eenvoudige drijfwerk en de dienstbereide kracht die hij uitstraalde. Veel mooier vond men deze Hollandse locomotief dan de gedrongen buitenlandse machines met hun te vele en te kleine wielen.
 
- Ik vroeg wat Ina over God gezegd had. Ze had een wonderlijk geloof, zei moeder. God eiste offers en zelfverloochening, en afzien van gewoon geluk. Haar God was een kunstenaarsgod: alle moois in de wereld, door mensen gemaakt, kwam rechtstreeks van hem. Men krijgt het, maar niet voor niets, en als pijn en ongeluk tot goed acteren leidde, dan moest die pijn aanvaard worden.
 
- Toen ze weg was zei vader: "Misschien kan ze ook eens een stuk zeep aan de spoorwegen vragen." Mijn zus was kwaad op hem en zei: "Je bent niks aardig voor haar; ze is toch niet minder waard omdat ze niet lopen kan?" Vader antwoordde: "Een kapotte fiets is nou eenmaal minder waard dan een hele."
 
- Ook vader had zich daar geërgerd. Hij had haar gevraagd waarom ze niet mooier en rechtop liep, zoals andere vrouwen. "Ik ben niet in de aanbieding," had ze geantwoord; "Ik moet het later van m'n hersens hebben, niet van m'n heupen."
 In de kantine las ze Ibsen en Strindberg.
 
- Toen ik achttien was waren mijn ouders al jaren gescheiden en we woonden in een kleiner benedenhuis. Op een zondagmiddag was ik alleen thuis, en ik was daar blij mee. Ik zou van alles kunnen gaan doen. Eindelijk weer eens platen draaien bijvoorbeeld, zonder gezucht en opgetrokken wenkbrauwen van moeder. Of lezen zonder de blik die zegt: wel ja, midden op de dag in een stoel hangen met een boekje.
 
- "Toneel hoort over het gewone leven te gaan, trouwens."
 
- Het is wonderlijk hoe intens kleine jongens van de wereld van de dingen kunnen houden. Ook klagen ze niet van harte mee over de ideële gevaren en bezwaren van de nieuwe technische wonderen. Ik had een oom die, toen al, niets dan rijstenat dronk en een gezondheidszadel op z'n fiets monteerde; en die auto's en spoorwegen afwees omdat ze het grootkapitaal vertegenwoordigden.
 
- Ina's manuscript was een knap werkstuk, zei haar raadsman, en hij zou het graag bewaren om het te zijner tijd te kunnen gebruiken als een behartenswaardige voetnoot bij de behandeling van die artikelen, in de nieuwe druk van zijn boek over die materie.
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

vrijdag 9 mei 2025

F.B. Hotz: Eb en vloed

F.B. Hotz: Eb en vloed en andere verhalen (Nederland, 1987): 155 blz: (Uit "Het werk": Deel 2: Blz 201-355 (1997)): Uitgeverij de Arbeiderspers
 

 
In "Eb en vloed en andere verhalen" staan 11 verhalen, met een lengte van 8 tot 26 bladzijden. Mijn favoriete verhaal uit deze bundel is "Toonkunst" dat gaat over hoe hij een instrument (trombone) is gaan spelen. Opnieuw zijn alle verhalen de moeite van het lezen meer dan waard.
 
Citaten:
- De senioren genoten van het uitstel hun vergund. Ze babbelden met lichte zelfingenomenheid: het was te zien dat ze hun redelijke gezondheid aan eigen verstandige inzichten toeschreven. De menselijke ijdelheid, tot nul gedaald of in schroom veranderd bij zojuist gepensioneerden, klimt weer op na de zeventig.
 
- Op een zaterdag in oktober hielden mijn ouders een van hun "dansavondjes". Al vroeg in de middag brachten kruidenier en slijter overdadig spijs en drank. Vader stapte rond twee uur uit zijn zakenauto, liep de trap op, nam uit de diepe gangkast een paar flessen wijn van het huis dat hij vertegenwoordigde en zette ze in een hoek van de kamer. Het was een jaar na de krach van Wallstreet maar van crisis was bij ons nog niet veel te merken.

- De ondergang van de wereld was in ons spraakgebruik doorgedrongen. "Ik eet eerst het lekkerste op," zei mijn zus soms monter aan tafel, "als de wereld vergaat heb ik dat vast binnen."
 
- In werkelijkheid besefte ik wel geen bêta-mens te zijn. Ik had geen technisch bloed. Dat ik op deze school zat was de diepe wens van mijn ouders, die vonden dat ik zo handig met mijn handen was.
 Dat was misschien waar, maar ik was niet handig met mijn hoofd. Ik nam wiskunde te letterlijk. Dat men, bij een formule die nota bene de Harmonische Slingerbeweging heette, de versnelling van de zwaartekracht moest delen door de lengte van een gewichtsloos gedacht touwtje, kwam me ongeloofwaardig voor. Men kan ook zeggen: ik had er geen zin in.
 
- Die zondagmiddag moest ik met moeder wandelen, vanwege plotselinge, voorjaarsachtige zon. Ze wilde "trots" op haar "grote zoon" zijn zei ze, en ik moest haar "een stevige arm" geven. Zoiets had ik ook al eens van vader gehoord: "Zorg dat we trots op je kunnen zijn." Ik dacht ook toen al dat om iemand geven niets met trots te maken had, en zweeg puberachtig.
 
- Wel kocht ik op een van die eerste dagen nog een schrift, om me dagelijks in schrijven te oefenen. Alleen de eerste bladzijde werd beschreven. Er stond: "13 mei 1942. Ik wou dat ik een kreupele meid had om aardig voor te zijn."
 
- Toen mijn moeder oud was geworden, behield ze de gretigheid haar leven met nieuwe dingen te vullen. Nieuwe kleren, nieuwe belangstelling en nieuwe werkzaamheden.
 
- Zo was ze nog steeds. Ze gaf niet om het verleden. Ze hield van de nieuwe architectuur met de grote ramen van haar flat. Ze prees haar nieuwe woning, en richtte die modern in.
 
- Toen ik Miff Mole trombone had horen spelen met Red Nichols' avant-gardegroep uit midden twintig - op de plaat natuurlijk - wilde ik nog maar één ding in m'n leven: musicus worden. Al zou ik er dood aan gaan.
 
- Ik meende dat passerende Duitse soldaten mij extra onverdacht zouden vinden met mijn speeltuig: Böse Menschen maken geen muziek.
 
- Hij vroeg me of ik al wat blazen kon. Ik zei bevend het te zullen proberen maar m'n mondstuk was zo koud dat er geen toon startte. "U moet uw mondstuk nooit in uw instrument laten zitten maar altijd in uw broekzak steken als u niet speelt," zei hij, "dan is dat alvast op temperatuur." Het was de eerste praktische raad die hij me gaf uit een lange reeks.
 
- Soms denk ik met verbazing aan die jaren. Aan de intensiteit van leven en willen, met zoveel dood rondom. Het maniakale vervuld zijn. De volheid per minuut.
  Het luisteren. Ik kon alle complexe solo's van Mole meeneuriën in dankbare herkenning en begrip. Geen gehelmde Duitser kon zo in z'n vaderland, partij of Führer opgaan, meende ik, als ik in Mole.
 
- De avant-garde uit het eerste kwart van deze eeuw! Alles werd nieuw. De wereld ging open. Mijn platen maakten daar deel van uit. Hoewel er vijftien lange jaren verstreken waren sinds die opnamen, wist ik dat die muziek moderner was dan de dode "Swing" van '30 en '40. Naar de geest, technisch en harmonisch.

- De afschuw die ik voelde voor de Duitse vijand was er óók een voor de platte domheid van z'n snoevende marsmuziek, waarmee onze straten vergeven werden. Ook voor de Duitse radioliedjes met de vette L van Liebe. En niet te vergeten de wagneriaanse fanfares bij de extra nieuwsuitzendingen, wanneer weer zoveel honderd bruto registerton Engelse scheepsruimte tot zinken was gebracht. "Mijn" muziek zouden die speknekken nooit kunnen begrijpen.
 
- Op de volgende les begon ik er direct weer over. Ik beklaagde me over m'n primitieve trombone. "Het is geen doen," zei ik, "het is absoluut onmogelijk op dit goedkope ding een hoge bes te spelen."
 "O nee?" zei Schweitzer geduldig.
 "Nee," snauwde ik. "U krijgt van mij zó tien gulden als u op mijn trombone een hoge bes blaast."
 "Geef eens hier dat ding," zei hij. Hij pakte het instrument aan, zette zijn eigen mondstuk erin en blies een volmaakte, volle hoge bes.
 
- Een getrouwd man was gauw lachwekkend. Als híj iets zei in gezelschap, lachten de vrouwen toegeeflijk als tegen een idioot.
 
- Hij had geen slaap en liep voorzichtig wat rond door de saaie kamer. Wat een smaak. Kanten kleedjes. Thomas dacht met spijt aan zijn eigen achteruitgang. De inrichting van het hem toegewezen huis was geen schijn meer van die in zijn duinvilla. Zijn schilderijen en grafiek opgeslagen, z'n meubels grotendeels verkocht. De oorlog stompte af. Lezen was geblader geworden en z'n grammofoonplaten lagen op zolder. Concert, toneel en film waren vervallen. Men zat maar, kletste wat, hoopte en wachtte.
 
- Van muziek hield ze niet overdreven veel. Met de betweterige bekeringswil van de minnaar draaide ik platen voor haar haar die ik licht verteerbaar vond, maar die zij zwaar noemde. Mijn twintigste-eeuwse componisten gingen terug in de lp-koffer. Ze hield alleen van Tsjaikovski en Mendelssohn. "Je hebt toch ook geen negentiende-eeuwse kamer!" zei ik nog, maar verder lieten we het zo. Er zijn ergere dingen.

- Hij stond op de roltrap naar boven; naast hem, gescheiden door leuning en afgrond, gleden  vrouwen en meisjes stram omlaag.
 
- De dood was niet voor te stellen. Wat een onzin die met de slaap te vergelijken. Slaap ademt en droomt en verteert en geneest, en steeds is er een dicterend brein: een ik, het middelpunt van de aarde. Als mijn ik weg is, wie valt dan met mijn middelpunt samen? Wie betrekt mijn kleine uitkijkpost? Een lege ruimte laat ik na, niet groter dan een kist, tenzij ik mijn ervaringen vastleg.
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

woensdag 7 mei 2025

F.B. Hotz: Duistere jaren

F.B. Hotz: Duistere jaren (Nederland, 1983): 199 blz (Uit "Het werk": Deel 2: Blz 1-199 (1997)): Uitgeverij de Arbeiderspers
 

 
"Duistere jaren" telt 9 verhalen met een lengte van 8 tot 37 bladzijden. Opnieuw zijn alle verhalen uit deze bundel de moeite meer dan waard.
 
Citaten:
- Zijn verstervende lectuur hielp hem blijkbaar niet: zo goed als begeerte hem soms trof, zo ook woede. Eerder bracht zijn studie hem terug bij zijn oudste gevoelens: hij was niet te gek op mensen. Niet op zijn hospita, niet op Boré en niet op deze beambte. "Gods vriend, dus aller creatuur vijand," mompelde hij het motto dat een dertiende-eeuwse kaperkapitein op zijn scheepsvlag gevoerd zou hebben.
 
Zijn kleinzoon Mark is zoek op het strand:
- Langs de zeereep begon ik noordwaarts te lopen. Na een halve minuut viel m'n oog, ondanks zekere belofte, op een prachtig meisje in bikini. Ze had een kleine jongen aan de hand. Ze kwebbelden vrolijk samen. Het meisje zette koers landinwaarts, diagonaal in de richting van de witte consumptietent. De jongen wees naar die tent en tegelijk zag ik dat het Mark was. 
  
- Thuis was m'n logé gaperig. Ik maakte brood voor hem en er was een gebakje. Voor mij hoefde hij een keer geen melk. Ik had de krant uit de bus gehaald en hoog op een kast weggestopt. Hij zei nog: "Ik had een vriendmeisje op het strand, zag je wel opa?" En wát voor een, dacht ik. Ik vond dat eigen woord aardiger dan ons precaire "vriendinnetje" en verbeterde hem niet.
 In het logeerbed verzocht hij nog om een verhaaltje. Ik vertelde hem van twee domme mannetjes die alles fout doen. Hij lachte mat. (Vertelt ooit een moeder over domme vrouwtjes? Nooit.) Toen het verhaal nog niet helemaal uit was zei hij: "Nou ga ik maar slapen, opa." Hij had gelijk.
 
- Wonderlijk was de geheime sympathie van sommige vrouwen voor het grofste volk; als ze de weg vroegen deden ze dat aan een lugubere zwerver of een dronken vogelverschrikker.
 
- Hannie liep een paar maal op de weg toe om gebaren te maken naar passerende auto's. Men stopte niet en Nicolaas had daar vrede mee. Niets zo weerzinwekkend als de lust te wekken van zo'n bestuurder door een aardige meid, en dan als oude man je plotselinge aanwezigheid te moeten verontschuldigen. Neem me niet kwalijk dat ik nog leef. 
 
- Ik begin aan de wandelingen met Belie te hechten. We gaan de stad rond als bezoekers van een kermis. We lijken een beetje vader en dochter en ik neem soms even haar warme hand als zo'n jonge roodjas haar van dichtbij met begeerte beziet. Ze neemt die hand niet direct terug en dat ontroert me. Maar ook bloost ze met blije ogen naar zo'n Brit en dat bevalt me minder.
 
- Ze had het vastbesloten kwade gezicht van vrouwen die liefhebben en die ieder ander uitsluiten, zelfs als menselijk wezen.
 
- Ze knikte en wreef haar ogen droog. Ze keek nu weer haast even verwerpend als Belie. Ik was een echtgenoot die geen zorg droeg. Mijn afwezigheid zou ze me vergeven, maar afzijdigheid in alles viet verkeerd. Ze zou me weer aannemen als ik een man was, of wat vrouwen daaronder verstaan. Ik dacht: Ze wil trots op me zijn, haar keus van echtvriend moet de goede zijn. Vrouwenliefde brengt dat mee. Ze neemt me niet zoals ik ben.
  
- Belie heb ik nog zien lopen met die Engelse soldaat van haar. Hij strompelde. Ze keek als een kip die een prachtei gelegd heeft.
 
Over een intelligentietest:
- Het was een oud gebouw, waar hardboard voor de nodig geachte indeling zorgde. Twee jongelieden in zwart pak, maagden op ieder gebied maar academisch voor hun taak geschoold, onderwierpen hem aan een reeks testjes die leken afgestemd op het beroep van jeugdherbergvader. Hij moest blokjes inpassen, op een wandbord een touw via pennen in een geometrische figuur leggen, en een verhaal verzinnen bij een reeks amateuristische tekeningetjes.
 
- Ze volgde hem met de langbenige stap van een melkboer achter z'n kar.
 
- Ze keek hem aan als een veertigjarige vrouw die een bontjasje geweigerd krijgt.
 
Op een excursie is een meisje zoek:
- Zegers zocht gehaast op de paden, op de open plekken tussen de verlaten tenten en hij drong tussen de boomstammen. Overal droop het nog na. Hij zocht onordelijk en panisch en natte takken zwiepten in z'n gezicht. Hij riep, te zwak van volume door gêne, haar naam. In gedachte beloofde hij haar van alles als ze maar snel te voorschijn kwam. Rolschaatsen zelfs. Of was ze daar alweer te oud voor? Tien minuten dwalen en roepen leidde tot niets.
 
- Die nacht sliep Mehrens weer niet. Onrechtvaardige vragen kwamen op. Hij werd "afgeschaft" op een theorie, of omdat hij te eerlijk met zijn onrust geweest was. Het ging om woorden. Men gelooft te lichtvaardig dat werkelijkheid en taal samenvallen.
 
- Wills gezicht stond geleerd en zwak tegelijk. Hij gaf een eigen samenvatting van - natuurlijk - een Engels boek. Hij sprak haast verontschuldigend. In die tijd verhulde men z'n "denkbeelden" nog niet met wetenschapsjargon, dat maakte zo'n betoog helder maar mager, en wat geen steek hield was sneller bloot te leggen.

- Had iemand me naar een vriendin gevraagd dan zou ik gelachen hebben. Een werkloze hoorde geen vriendin te krijgen. Jonge vrouwen zochten mannen met werk en wat geld en dat waren oudere mannen. Jarenlang zag ik op straat en in restaurants heel jonge meisjes met grijzende heren. In treincoupés vlijden ze hun blonde haren slaperig tegen bijna vaderlijke maatcolberts. Dat nam ik ze niet kwalijk; ik nam me mijn werkloosheid kwalijk. Honderdduizenden mannen leefden in die beginjaren van '30 in onthouding als bedelmonniken in boetekleed.
 
- We gingen lopen. Het stormde en we leunden voorover tegen de wind. Ik hield m'n hoed vast, en ook m'n hart; waarom weet ik niet.
 
- Vosz zeurde door en sprak van de dictatuur van de middelmaat, of zelfs de ondermaat. "Het gaat om de cultuurmens," snerpte hij; "de geldmens is te machtig en de vreetmens te talrijk. De mensheid moet geordend worden naar z'n wáárde! Gelijkheid is een droom."
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
 

dinsdag 6 mei 2025

Carla Kogelman: I am Waldviertel

Carla Kogelman: I am Waldviertel (Nederland, 2018): 342 blz: Uitgeverij Schilt
 

 
De Nederlandse fotografe Carla Kogelman (1961) had 25 jaar bij het theater gewerkt, toen ze in 2012 een opdracht kreeg om een documentaire te maken van de landelijke regio Waldviertel in Oostenrijk. Zij settelde zich in Merkenbrechts, een klein dorpje met 170 inwoners een uur rijden ten westen van Wenen.
 
Kogelman verbleef gedurende 7 zomers, van 2012 tot 2018, een deel van haar tijd in Merkenbrechts en zijn omgeving. Ze fotografeerde de jeugd, terwijl die aan het spelen was in de vrije natuur. 
 
Het resultaat van dat verblijf is "I am Waldviertel" een fotoboek met daarin een aantal formidabele zwart-wit portretten van de kinderen en ook een aantal prachtige foto's van spelende kinderen in hun omgeving. Alle foto's in het boek zijn zwart-wit. Bij het doorbladeren van het boek moest ik gelijk aan de foto's van de Amerikaanse Sally Mann en vooral aan die van de Fransman Alain Laboile denken. Ik vind "I am Waldviertel" een schitterend boek. Hoewel ik daar niet zo veel om geef, vind ik het leuk dat mijn exemplaar gesigneerd is.
 
Op de website van Carla Kogelman, staan een aantal prachtige portretten uit "I am Waldviertel".
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

maandag 5 mei 2025

F.B. Hotz: Proefspel en andere verhalen

F.B. Hotz: Proefspel en andere verhalen (Nederland, 1980): 240 blz (Uit "Het werk": Deel 1: Blz 551-790 (1997)): Uitgeverij de Arbeiderspers
 

 
Het titelverhaal "Proefspel" heb ik in mijn vorige stukje besproken. De derde verhalenbundel van F. B. Hotz telt naast "Proefspel" nog twaalf andere verhalen met een lengte van 4 tot 28 bladzijden. "Proefspel" is veruit het meest indrukwekkende verhaal uit deze bundel, maar ook de andere verhalen mogen er zijn. Weer wat verhalen over de familie en eentje over een autoverkoper. 
 
Citaten:
- Vader schonk een borrel voor haar in - drank was z'n remedie tegen alles - en moeder ging het eten opdoen, dronk het glas leeg en sprak niet meer over de dode.
 
- De oude was toch blij dat zij die nacht z'n hulp ingeroepen had. Nu konden ze samen de kist openbreken en misschien zat er wel voedsel in. Bovendien: ze had het gezicht en het haar en het lijf van de laatste mode, en hoe oud hij ook was, dat beviel hem nog het best. Oudere vrouwen hielden altijd de gezichten van drie of vier modes geleden, dat was kwalijker dan welke rimpel.

- M. lachte en hoestte. Met die verschrikkelijkste van alle arroganties ter wereld had z'n vrouw een halve eeuw geleden om hem te winnen gezegd dat "het enige wat hem ontbrak", (het enige! ontbrak!) "een goede vrouw" was. En die was zij toevallig. Je moet het maar aandurven jezelf goed te vinden en je hele sexe gebenedijd.
 
- Thuis at hij z'n brood en dronk melk. Weinig brood en met simpel beleg. Overvloedige keus schrikte hem nog altijd af, zoals de vele kleren, schoenen en hoeden van z'n vrouw hem tegengestaan hadden. Alles aan je lijf hangen maar, een soort hardnekkige vrouwenwanhoop.
 
- Hij las opeens beter, en met een behaaglijke grijns; hij leek even verzoend met leven en leeftijd. "Ik was nooit minder alleen dan toen ik alleen was," vond hij bij Cicero, en hier Petrarca: "Adam, nog alleen, met al z'n ribben, leefde Gode welgevallig."
 
- Met z'n vierkante kop, z'n slobberige oogleden en wat dreigende gestalte leek de baas veel op de door hem vereerde buitenlandse staatsman die pas in de naderende oorlog populair zou worden. Dat hij deze gelijkenis bewust nastreefde, met een onverwacht kinderlijke ijdelheid, bleek uit z'n dagelijkse attributen: gespikkelde vlinderdas en sigaar.
 
- En wat is wijsheid. Men verwart die de laatste jaren met algemene goedheid en de liefde voor het mensencollectief van alle werelddelen. Er mankeert niets aan die idealen dan hun vrijblijvendheid. Men moet eerst z'n huisgenoten maar eens zien te verdragen.
 
- Vrouwen in een auto ontroeren me nog altijd. Ik heb dan de twee aardigste zaken op aarde in één.
 
- Samen "ergens gaan eten" vind ik proletig en berekenend. Toen ik haar fiets aanreikte vroeg ik, als bevangen door grote hartstocht maar in werkelijkheid op zoek naar rust en troost: "Kan ik straks even langs komen? Met wat catalogi en verdere gegevens?"
 Ze lachte verbaasd om die laatste toevoeging.
 
- Pas na het eten sprak ze. "Als je een vriendin hebt," begon ze. Opeens verontwaardigd viel ik haar in de rede. "Ik heb geen vriendin," riep ik, "ik had een vróúw, één middag. Eén dag bekommerde zich iemand om me." Alles wat men zegt ter verdediging is vulgair en vol zelfbeklag.
 
- M'n schuld stak als een knaagdier in m'n gebeente.
 
- Er is geen groter angst dan die van de laatste verantwoordelijkheid voor de eigen naasten die getroffen zijn - misschien dodelijk - door ons toedoen.
 De angsten van literatoren en andere kunstenaars om eigen ziel, om wereldvrede of natuurbederf kunnen wat mij betreft de schroothoop op als luxe aandoeningen. Zo niet als bedrog.
 
- Maar een oude man! Tegenwoordig ben ik meer gedeprimeerd van een donkere zondagmiddag met laaghangende regenwolken dan tijdens de oorlog van overvliegende eskaders bommenwerpers.
 
- Mijn jonge tante Elly trouwde op een zomerdag van 1928 in het kleine raadhuis van ons dorp. Met m'n vader. Zo kon het tenminste lijken voor toevallige voorbijgangers. Zelf wist ik dat m'n vaders optreden, ondanks jacquet en hoge hoed, een plaatsvervangende functie had. Waarom deze vrolijke voorstelling "met de handschoen" genoemd werd kon ik niet uitgelegd krijgen, maar ik begreep de toedracht. De lange oom met wie tante in werkelijkheid zou trouwen was haar voorgegaan naar Indië en ze zou spoedig volgen. Ik was zeven en vond dat vertrek zowel interessant als jammer.
 
- Om beurten stelden we moeder teleur. Niet lang na dit incident was ik het die mistastte, terwijl ik beter had moeten weten met m'n dertien jaar. Een morsig oud wijf uit een huis verderop hield mij staande en vroeg met de loeroogjes van volkse sensatielust "waar of dat m'n vader toch was". Ik antwoordde voornaam: "Ik héb geen vader," en vond mezelf zo goed op dreef dat ik eraan toe voegde: "nooit gehad ook!" Het leek me afdoende. Ook dit kwam moeder ter ore en haar wanhoop was andermaal ongespeeld. Ze vroeg me of ik zo onnozel was, bij God, niet te snappen dat ik haar door zo'n antwoord tot een hoer gemaakt had. Ik snapte het inderdaad niet.
 
- Vader was ongebreideld vrolijk. Hij sprak baldadig tegen die vrouwen in korte, smetteloos witte plissé tennisrokjes, en hartelijk tegen de mannen. Ze waren allen jonger dan hij, maar erg viel het niet op. "Is dat nou je zoon?" vroeg een mooie gebruinde blonde met enige teleurstelling in haar hese alt. "Ja liefje," antwoordde vader met komische pruilstem, "als ik tegenwoordig met hem over straat loop, kijken ze niet meer naar míj, maar naar hém!" (Het was grappig gezegd maar ik geneerde me en bloosde dom. Bovendien liep vader nooit naast me op straat natuurlijk.) De jonge vrouwen schaterden met hun sporthoofden achterover of met hun uiterst volwassen torsen voorover en riepen dat zíj wel naar hem keken, heus wel, en dat hij dat best wist.

- Hij zou vanavond bezoek gekregen hebben van wat z'n vriend De Bree "een interessante man" genoemd had. Thomas, toen in slechte stemming, had z'n vriend toegesnauwd: "Er bestáán geen interessante mensen sec, tenzij voor mij op het ogenblik dat iets me sterk interesseert; iets waarvan die ander méér weet dan ik." De Bree had bescheiden de handen geheven en gezegd: "Natuurlijk; zoals je wilt," en het bezoek was van de baan. (Ik kén dat, dacht Thomas nu alsnog nijdig, dan komt er een onbekende zaniken over Indië, de Antirevolutionaire Partij of Freud en het enige wat me op dit moment boeit is Renault en Decoratieve Kunst. In die volgorde.)
 
- Het hinderde Thomas niet het minst dat de meeste mannen hier wat jonger waren dan hij. Een enkele danste niet en staarde met indringende bewondering naar de musici. De vrouwen leken die muziek niet eens te hóren. Met het gebruikelijke dédain op hun geschaduwde luikogen dachten ze alleen aan hun robes, hun avondschoentjes met bijbehorende tasjes en aan hun vleeskleurige zijden kousen.

- "Wil je geen griesmeel?" vroeg moeder teleurgesteld. "Nee," zei hij, "echt niet; je suis penoe." (altijd bij toenadering spraken vader en moeder glimlachend een paar woorden in Frans-Maleise verhaspeling, zoals ze zich dat herinnerden van "deftige" Indische families in Batavia.)
 
- We zongen. We articuleerden als moeder het voorgedaan had. Eén regel is me bijgebleven. Er ging een geamuseerd en tegelijk wat ongemakkelijk gemompel door de toehoorders. Vader mimeerde er jongensachtige gêne bij. Het waren de woorden:
 
    Als paps in z'n autootje jacht,
    en stiekum de meisjes toelacht ...
 
Misschien mompelden de mensen van opluchting. Deze milde strofe, dit understatement, was alles wat aan kritiek op vaders levenswandel naar buiten kwam. Het was, opnieuw, liefde.
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

F.B. Hotz: Proefspel

F.B. Hotz: Proefspel (Nederland, 1980): 62 blz (Uit "Het werk": Deel 1: Blz 551-612 (1997)): Uitgeverij de Arbeiderspers
 

 
"Proefspel" is met 62 bladzijden in deze uitgave, het langste verhaal dat F.B. Hotz ooit heeft gepubliceerd. Het is waarschijnlijk ook het bekendste en meest geliefde verhaal van Hotz. Joost Zwagerman heeft "Proefspel" zeer terecht opgenomen in zijn vuistdikke bloemlezing "De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 60 lange verhalen". 

Ik vind "Proefspel" één van de allermooiste verhalen die ik ken en daarom krijgt het van mij een aparte bespreking. Ik heb veel geciteerd om de sfeer van het verhaal goed weer te geven.
 
Citaten:
- Dat Carl nog sliep nam Borg hem niet kwalijk, hoewel de repetitie om "elf uur scherp" zou beginnen. Niemand werd werkelijk kwaad op Carl. Met z'n timide geluid en z'n profiel als van een Tristan door Dante Gabriel Rossetti, kon hij vrouwen en vrienden steeds voor zich innemen.
 
- Trouw, zo dacht hij, was misschien de beste daad. Trouw aan een voorwerp of voorkeur was ook goed. Geen vervelender mensen dan die steeds een andere, vurige, maar blijkbaar tijdelijke belangstelling hadden. Trouw was eigenwijs als een geloof en ook een tasten in het duister. Wat moest er van hem worden.

- Dat welkom bleek verder nog uit wat dorpsjongens die "Gadvergemese sodemieters" riepen met het fanatisme van territoir gekwetsten. Een rosse meid wees op Borgs Buescher en giechelde: "Die ene heb z'n aarrappelekist bij 'em." Borg lachte ziek mee, hij had die grap in stad en dorp al een paar honderd maal gehoord.
 
- Hij was blij dat de vriendinnen er niet bij waren. Die liepen altijd mee naar het podium met een hautaine ingekeerdheid tegenover de meisjes uit het publiek. Want ze achtten zich hoger omdat ze bij de muzikanten hoorden.
 
- Wanda zat licht triomferend in haar bank achterover geleund. Ze keek recht in het gezicht van haar Engelse leraar. Mensen met een bril hadden geen hoofd, dacht ze. En geen karakter: zij zelf zou liever halfblind rondtasten dan zo'n wee plastic ding opzetten dat de wenkbrauwen weg nam en iedereen er deed uitzien als een roze varken.
 
- Borg was die middag nog altijd bezig met de smering van z'n instrument. Dat was niet makkelijk want de trombone was oud en versleten. Het speet hem nauwelijks dat geld voor een nieuwe ontbrak, want zo had hij een steekhoudend argument déze te houden.
 
- Thuis kleedde Borg zich vloekend van haast om en hij probeerde nog, bijna symbolisch, met een paar lange noten z'n embouchure te redden. Staande, met z'n jas al aan. Tekort aan tijd is tekort aan talent had hij wel eens gelezen.
 
- De vrouw babbelde beminnelijk vanuit haar liggende en ingepakte positie. Ze was óók musicienne geweest, jaja, net als Evert, alleen geen bas natuurlijk maar cello. Ze ontvouwde haar leven, waarschijnlijk ook om de zwijgzaamheid van de anderen te maskeren. (Voor vrouwen mag er nooit een minuut gesprekspauze zijn: ze achten dat een gebrek aan gastvrouwschap.)
  
- Maar later op de fiets naar huis verkeerde hij in zwarte twijfel over eigen leven en talent. Hij prevelde krom over z'n stuur: "Iets te kunnen maken - muziek bijvoorbeeld - is een "gave" zoals men zegt. Het is een genade die niet afgedwongen kan worden door ontzegging van eten en liefde. Maar moet men dan niet leeg zijn van alles - zoals de auteurs van m'n opklapbed zeggen - om die genadegift te ontvangen?"
 
- Hij sloot z'n grammofoon en stak de plaat in de half vergane hoes. Tweemaal achter elkaar draaide hij nooit iets. Men moest savoureren. Alleen vrouwen speelden hun sentimentele modeplaten tien keer achterelkaar, zoals ze ook tien keer naar Les Enfants du Paradis gingen kijken.
 
- Hij werd nog bozer: hij kon meer op z'n instrument dan menig ander, had een goed hoog register, schreef mooie en speelbare arrangementen - zij het traag - en had een ongewone historische kennis van z'n muziek.
 
- Want als hij muziek maakte en het lukte, als de materie niet tegenwerkte, als de noten onontkoombaar op de enig juiste plaats kwamen en de toon zong, dan kon de wereld daar helemaal niet tegenop, dan betekenden ongemak en toekomst niets meer, ze werden belachelijk zoals alle vermeende belangrijkheid, die klanken waren onaantastbaar triomferend.
 
- Aan het ontbijt wilde Wanda zwijgen, maar haar moeder ditmaal niet. Die ramde nijdig met kopjes en theelepeltjes en kon ten slotte haar vraag niet langer verbijten: "Waar waren jullie zo laat heen gisteravond."
"Ik wilde zelf zien waar Evert mee omgaat de laatste tijd."
 "En?"
 "En niks. Gewoon een stel muzikanten, niets bijzonders."
 De moeder zweeg. Ook Wanda was verbaasd: ze had Carl en de zijnen verdedigd.
 
- Hij had gespeeld met een bijna idiote precisie die avond. Ze bleef zwijgen en gaapte zich tranen. En nú kwekte dat zelfde meisje honderd uit en begreep opeens alle muzikantengrappen. Carl kon vrouwen aantrekken. Of nee: ze kwamen op hem af. Als zeugen op een trog, had de gitarist eens gezegd.
 
- Ze  zaten weer bijeen op de kamer en niemand maakte iemand een verwijt. Carl was Carl en hij speelde soms zo mooi - mooier dan de gerenommeerde kopstukken uit de stad - dat men hem z'n jenever gunde. Ze vroegen zich niet af waarom hij zich soms bedronk. Informatietrekken zou als oudemensenbetutteling zijn uit te leggen.
 
- Daar, bij de koude winterzon, genoot hij zoals altijd van het hurkend doornemen van stapeltjes oude platen en van het onverwachts opduiken van zeldzame labels.
 
- Borg eindigde het gesprek gemoedelijker. Hij verhaalde aardige zaken over z'n vriend Carl. Hoe geestig die was, hoe gelaten gastvrij, en hoe mooi hij vaak speelde. Borg besefte daarbij niet dat hij, juist zoals destijds bij Miriam, bezig was zichzelf uit de markt te prijzen. Wanda hoorde met zekere vonkogige gretigheid toe. Haar lippen weken door inzuigende aandacht, zoals bij Miriam een jaar eerder. Maar het leek toch of Borg een beetje deelde in die zelf opgeroepen aura.
 
- Zo krabbelde hij voort aan een les voor een beginner. Het was een simpele partij voor een eenvoudig stukje en hij gaapte. Die leerlingen wilden nooit oefeningen blazen maar direct partijen, om hun schoolorkestje te imponeren.
 
- Hij had talent voor muziek en het ontbrak hem niet aan waardering. Maar hij verdiende er niet genoeg mee en daarom werd hij als muzikant verworpen door de overigen, de niet-kenners en niets-kunners. En pijnlijker, door sommige muzikanten. Geld was het metafysisch bewijs en de rechtvaardiging, niet: prijzen en onderscheidingen.
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

zondag 4 mei 2025

Uit eten in Utrecht: De Veldkeuken 2

Gisterenavond heb ik met vriend P bij de Veldkeuken gegeten. Tien jaar geleden, toen het restaurant pas geopend was om te dineren, had ik hier met een andere vriend tegenvallend gegeten. Inmiddels is de reputatie van de Veldkeuken als restaurant behoorlijk omhoog gegaan. Stiekem had ik voor het diner best hoge verwachtingen.
 
De Veldkeuken ligt in Amelisweerd. We hadden gereserveerd om 18.15 uur. We waren op tijd aangewandeld en om 17.45 uur zaten we al in het restaurant. Dat bleek ook een half uur te vroeg, pas om 18.15 uur werd een amuse met wat brood geserveerd. 
 
Als voorgerecht kregen we paddenstoelen met spinazie en een soort chips, ik weet niet waarvan gemaakt.
 
Het hoofdgerecht bestond uit een soort cakeje van kikkererwten met een gegrilde witte asperge en wat groene asperges en aubergines.
 
Daarna een toetje, een cheesecake.
 
Als slot een kaasplankje met drie verschillende Nederlandse kazen, wat pruimenbrood en wat mango chutney. Het had mij logischer geleken om eerst het kaasplankje te serveren en dan het zoete toetje.
 
Het diner was in alle opzichten perfect (alle gangen een 10!). Wat mij wel tegenviel was de lengte van de maaltijd, we waren pas om 20.00 uur klaar. Ik ben gewend om bij Kolintang te eten, en daar bestel ik het eten, wacht hooguit 10 minuten en ben dan in een kwartier klaar. Bij de Veldkeuken was het een oefening in geduld, iets waar ik weinig van heb.
 
De maaltijd kostte mij 134 euro. Het drie gangen oogstmenu was 45 euro, het kaasplankje 10 euro, 2 glazen wijn voor mijn vriend 14 euro (ik dronk alleen kraanwater), een schaaltje roomboter voor bij het brood 1 euro en 9 euro fooi.
 
Restaurant de Veldkeuken is geheel vegetarisch en biologisch, werkt veel met producten uit eigen tuin en streekgerechten en we hebben voortreffelijk gegeten. Van harte aanbevolen!
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.

donderdag 1 mei 2025

F.B. Hotz: Ernstvuurwerk

F.B. Hotz: Ernstvuurwerk (Nederland, 1978): 263 blz (Uit "Het werk" (1997): Deel 1: blz 285-547): Uitgeverij de Arbeiderspers
 

 
"Ernstvuurwerk" was de tweede verhalenbundel die F.B. Hotz publiceerde. In deze bundel staan 12 verhalen, in lengte variërend van 10 tot 38 bladzijden. Zoals eigenlijk altijd bij Hotz vind ik alle verhalen de moeite van het lezen meer dan waard. 

Om één verhaal moest ik erg lachen, "De auditie van mevrouw Stulze". Mevrouw Stulze heeft een kruidenierswinkel. Zij heeft ook drie jonge huurders die zij met genegenheid beziet en die regelmatig uit deze zelfbedieningszaak spullen betrekken zonder daarvoor te betalen. Op een gegeven moment krijgen de drie jonge muzikanten mevrouw Stulze zover om als zangeres mee op tournee te gaan. 
 
Ik kan nog wel even vooruit met de verhalen van Hotz, maar ik ga nu eerst weer eens wat anders lezen.
 
Citaten:
- Eenmaal verkocht An op zo'n uitverkoop een kinderschortje van 98 cent in de laaiende drukte van de ellebogende vrouwen voor 86 cent. Het kwam direct uit toen een andere vrouw verongelijkt ook zo'n schortje voor die prijs wenste. An had het prijsje op de kop gelezen. Ze werd door tante met een grauw en een ruk aan haar arm weggestuurd; de vrouw huilde haast van drift over de verloren 12 cent. "Kost je ons nog niet genoeg," siste ze in de opkamer achter de winkel.

- Haar boezem droeg ze nu hoog in een getailleerd mantelpak. Ze kreeg er de voornaamheid van een rondstappende kropduif door.
 
- Lansberge stapte in Amsterdam CS en keek op de stenen trappen voor zich naar mee afdalende vrouwen in spijkerbroeken. Die veerden daarbij expressief door hun heupen zodat de blauwe stof om hun achterwerk trok. Het spijkergoed was ter plaatse meestal voorzien van opzettelijk aangebrachte wituitgevreten plekken: een soort anti-versiering met religieus sociale inslag. ...
 
- ... Hij wist ook best dat zijn half beledigde treurnis van de nacht eigen spot verdiende. Iets niet hebben kan ermee door, hebben is meestal erger. Of was dat misschien berebluf?
 
- Hij loog niet; het geheugen is dikwijls groothartig en bovendien: het goede of goedaardige had die avond wel degelijk ruim overheerst. Alleen, pas als al het aardige op een rij gezet wordt, riekt het voor derden al vaag naar ongeluk.
 
- Met m'n jas al aan keurde ik zo op de valreep een jammerlijk stapeltje platen. Er was er niet één uit de gezochte periode bij: het was verbijsterende rommel van kort voor en zelfs vlak na de oorlog. "Dit is zeker nog van je man geweest?" vroeg ik kregel. Ze wist het niet meer. Uit beleefdheid nam ik een Zarah Leander van haar aan, dat enge wijf dat bovendien een hele of halve nazi geweest moest zijn. Ik dankte en we namen afscheid. "Kom nog eens aan," vroeg Betty. Ik beloofde het. Bij m'n eigen huis liet ik de plaat zachtjes in de gracht om de hoek zakken.
 
- Ik hoopte dat er een ijswagen langs zou komen, maar dan een "goeie", waarmee bedoeld werd dat het geen schepijs mocht zijn, dat tyfus of de ziekte van Weil kon opleveren, maar verpakt banketbakkersijs. Het waren witte karren met "IJsco" in rode letters, en geen bel maar een bronzen gongetje, dat de kaki-geüniformeerde ijscoman beroerde met een bijpassend houten hamertje.
 
- Buiten ontnuchterde hij niet, hij werd baldadig vrolijk: hij vond dat hij morgen zo'n vlak langs fietsende kantoormeid een vijl in de spaken kon steken, zodat ze hem als een gebraden eend in de schoot zou vallen. Maar goed, dat was maar aangeschoten onzin natuurlijk.
 
- Onbezorgd was die vrouw in haar blauwe mantel, ondanks het weer, het was te horen aan haar stap... Maar ze had dan ook dat kind en bovendien nog een opdringerig soort onschuld. Zó kan je rustig slenteren, op weg naar eigen huis. Ze "hoeft" niets, ze hoeft aan geen eeuwigheid te denken want ze wordt wel liefgehad op aarde. Maar een man moet betalen, z'n ik is geen liefde, bij god nog lang niet.
 
- Opnieuw aangeschoten op z'n lege maag vergat hij het gesprek en hij dacht opeens grinnikend: ik verlang naar liefde, alleen niet zozeer om te geven, maar om te krijgen.
 
- De oude architect kwam juist in zijn nachthemd achterstevoren overeind en toonde aldus als eerste z'n dik katoenen achterwerk.
 
- De dominee vond grammofoons ordinair en citeerde bovendien Calvijn die van muziek gezegd had dat het beuzelachtig was óf van de Boze kwam.
 
- Als puber is men al minder zichzelf dan als kind; niet opvallen wordt een bange hoofddeugd.
 
- Die voortdurende contrasten in moeder, die vader deden fronsen! Vroomheid (met gevouwen handen voor iedere maaltijd) naast dagelijkse heftigheid. Hoge reinheid naast aards gegiechel om "die dienstmeid die zo heet an d'r staart" was. Sociaal meegevoel én een grote dosis realiteitszin waar het kooplui aan de deur en haar huishoudbudget betrof. Ze was van alles in één: wereldhervormend én behoudend, ze danste de charleston en ze bad, ze bezocht bioscoop en kerk.
 
  
 
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.