dinsdag 24 januari 2017

Wilfred Thesiger: Woestijnen van Arabië

Wilfred Thesiger: Woestijnen van Arabië (Groot Brittannië, 1959): 358 blz: Vertaald door Tinke Davids (1993): Uitgeverij de Arbeiderspers: Oorspronkelijk uitgever Longmans, Green
 
Small Cover ImageWilfred Thesiger was een Engelsman die opgroeide in Abessinië, het tegenwoordige Ethopië. Al op jonge leeftijd ging zijn hart uit naar de wildernis. Toen hij de kans kreeg om voor de sprinkhanenbestrijding door Saoedi-Arabië te reizen greep hij die met beide handen aan.

"Woestijnen van Arabië" is het verslag van meerdere tochten die Thesiger maakte door de uitgestrekte woestijnen van Saoedi-Arabië in het gezelschap van de Bedu in de jaren van 1945 tot 1950. Thesiger trok met een kleine groep op kamelen de woestijn door en leed vaak honger en dorst. 

Het boek is prachtig geschreven en ik vind het zonder meer het mooiste reisverhaal dat ik ken. Zoals gebruikelijk een aantal citaten om de sfeer van het boek te proeven:

- Ik vond het verontrustend wanneer een Danakil naar me staarde, omdat ik het gevoel had dat hij mijn waarde als trofee taxeerde, ongeveer zoals ik een kudde spiesbokken zou bestuderen om het dier met de langste horens uit te zoeken.

 - In de woestijn had ik een vrijheid gevonden die in de beschaving onbereikbaar was; een leven dat niet gehinderd werd door bezittingen, aangezien alles wat niet hoognodig was, niet meer dan een last was. Bovendien had ik daar een kameraadschap gevonden die onverbrekelijk met de omstandigheden was verbonden, evenals het geloof dat ik daar rust zou vinden. Ik had de bevrediging leren kennen die volgt op ontberingen, en het genot dat voortkomt uit onthouding: de tevredenheid van een volle maag; de weelde van vlees; de smaak van zuiver water; de extase van de overgave wanneer het verlangen naar slaap een marteling wordt; de warmte van een vuur in de kille dageraad.

 - De Bait Kathir waren al even verbijsterd over de manier waarop ik sprak, maar dat weerhield hen niet van het stellen van vragen over "de christenen". "Kenden ze God? Deden ze aan vasten en bidden? Waren ze besneden? Trouwden ze net als moslims, of namen ze gewoon een vrouw als ze daar behoefte aan hadden? Hoeveel bruidsschat betaalden ze? Bezaten ze kamelen? Leefden ze in stammen? Hoe begroeven ze hun doden?"

 - De Bait Kathir slachten vrijwel alle mannelijke kamelenkalven bij de geboorte. Ze leven grotendeels van kamelemelk en hebben geen zin om voer te verspillen aan dieren die daar niets voor kunnen teruggeven.

- In het begin vond ik het leven met de Bedu heel zwaar, en in al die jaren dat ik samen met hen heb gereisd, vond ik de psychische druk steeds moeilijker dan de fysieke inspanning.

- Ik moest nog leren dat geen Bedu bedelen een schande vindt, en dat hij vaak het geschenk in zijn handen bekijkt en zegt: "Is dat alles wat je me geeft?"

- Iedereen hier kende de individuele sporen van zijn eigen kamelen, en sommigen konden zich de sporen herinneren van vrijwel elke kameel die ze hadden gezien. Ze konden in één oogopslag aan de diepte van de afdruk zien of een kameel bereden werd of niet, en of ze drachtig was. Door het bestuderen van vreemde sporen konden ze zien uit welk gebied de kameel afkomstig was.

- De Bedu weten wat een kameel waard is: "Ata Allah" ofte wel "Gods geschenk" noemen ze haar, en het is haar geduld dat het hart van de Arabieren verovert. Ik heb nooit een Bedu gezien die een kameel sloeg of slecht behandelde. De behoeften van de kameel komen steeds op de eerste plaats.

- In de woestijn hebben de Bedu heel weinig nodig om in leven te blijven. Hun kudden voorzien hen van voedsel en drinken, maar er zijn bepaalde dingen die ze niet zelf kunnen maken. Ze hebben stoffen nodig en kookpotten, messen, munitie, af en toe een lading dadels of graan, en zulke eenvoudige luxeartikelen als een handvol koffie of wat tabak.

- Bedu verlangen niet naar gevarieerde maaltijden en eten met vreugde maandenlang tweemaal daags hetzelfde voedsel, dat ze niet naar kwaliteit beoordelen, maar naar kwantiteit.

- Maar we praatten zelden over seks, want hongerige mannen dromen van eten, en niet van vrouwen, en ons lichaam was meestal te moe om geprikkeld te worden.

- Het is kenmerkend voor Bedu om in extremen te vervallen, om óf buitengewoon gul te zijn, óf onvoorstelbaar krenterig, heel geduldig of bijna hysterisch lichtgeraakt, ongelooflijk dapper of zonder zichtbare reden in paniek. Ze zijn van nature ascetisch en ontlenen bevrediging aan de kale eenvoud van hun leven, en versmaden de gemakken die anderen onontbeerlijk zouden vinden. Hoewel ze, bij de zeldzame gelegenheden die zich voordoen, enorme hoeveelheden eten, heb ik nooit een Bedu ontmoet die gulzig was.

- De Arabieren in Abu Dhabi hadden onze kamelen nogal miachtend willen afdoen door ze te vergelijken met de kamelen van hun sjeiks, totdat bin Ghabaisha zich zo ergerde dat hij zei: "De kamelen van jullie sjeiks zijn inderdaad prachtige dieren en beeldschoon. Ik ben een Bedu, ik heb er oog voor; maar er is er niet één onder die de reis had kunnen maken die wij zojuist achter de rug hebben," en zijn toehoorders zwegen, want deze verontwaardigde knaap sprak de waarheid.

- Ik vertelde zelfs niets aan mijn Rashid, want ik had ontdekt dat de beste manier om een verhaal wereldkundig te maken was om het aan één of twee Arabieren te vertellen, op voorwaarde van geheimhouding.

- Ik zal me altijd herinneren hoe vaak ik gedeemoedigd ben door die ongeletterde kamelenhoeders die, zoveel meer dan ik, beschikten over gastvrijheid en moed, uithoudingsvermogen, geduld en luchthartige bravoure. Onder geen ander volk heb ik ooit een dergelijk gevoel van persoonlijke minderwaardigheid gehad.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen