Adrian
Desmond & James Moore: Darwin (Groot Brittannië, 1991): 815 blz:
Vertaald door Henk Moerdijk (2008): Uitgeverij Nieuw Amsterdam
Citaten:
- Op dinsdagavond 4 oktober 1836 kwam hij dan eindelijk aan op The Mount. Het was laat, zo laat zelfs dat de familie al in bed lag. Hoewel hij vijf jaar en twee dagen weg was geweest, sloop hij uitgeput naar zijn kamer zonder iemand wakker te maken.
-
Het was beter om de verzameling in Cambridge op te splitsen, dacht hij,
en haar stukje bij beetje onder te brengen. Zijn vaders financiële
steun en de belofte dat hij zou blijven helpen maakten dit mogelijk; hij
kon dan Kerk en carrière uit zijn hoofd zetten en zich op zijn werk
storten.
- Hij zou zich kunnen vestigen als een zelfstandig naturalist die een deel van zijn werk uitbesteedde.
Maar waar? Hij nam de opties onder de loep: te midden van alle verstrooiingen die de "dons
van de wetenschap" in Londen boden, of te midden van de klerikale
naturalisten in het gemoedelijke Cambridge? ... Of zou hij zich net als
Henslow moeten terugtrekken in de pastorale velden, waar hij in alle
stilte kon nadenken? Hij werd door twijfel verscheurd, maar het was
duidelijk dat hij zich uiteindelijk toch in die rokerige stad zou moeten
vestigen om zijn verzameling goed te kunnen overdragen, hoezeer het
vooruitzicht hem ook benauwde.
- Het waren vooral de vogels die bij sommigen interesse wekten, alleen niet bij Darwin zelf. De galapagosvinken brachten hem in verwarring, hij dacht dat ze groepsgewijs hun voedsel vergaarden en was zich niet bewust van het belang van hun verschillende snavels.
- Het kwam geen moment in Darwin op dat de nauw verwante groepen zich aanpasten aan de verschillende leefomstandigheden en op die manier ware specialisten werden. Hij achtte de vogels van weinig belang toen hij ze, tamelijk slecht geëtiketteerd, overdroeg aan de Zoological Society.
- Gould besefte algauw dat Darwins collectie van Galapagosvogels niet zo divers was als het zich liet aanzien. Integendeel zelfs: de snavels zetten je op het verkeerde been en de vogels bleken verbazingwekkend genoeg nauw verwant te zijn. De zogenoemde "appelvinken" en "merels" behoorden in feite allemaal tot de vinken. Bij hun volgende ontmoeting op de tiende, slechts zes dagen later, had Gould de vogels kunnen typeren als "een reeks grondvinken die zo eigenaardig zijn" dat ze "een volledig nieuwe groep van twaalf soorten vormen". Ze waren nauw aan elkaar verwant, ondanks hun uiteenlopende snavels, een ontdekking waar Darwin pas later het belang van zou inzien.
- Darwin overpeinsde ondertussen de goddelijke heerschappij. Ook hij was inmiddels van mening dat "de Scheppers schept door middel van [...] wetten". Op aarde regeerden wetten zoals ze ook in hemel regeerden; andere mogelijkheden waren vernederend voor God.
-
Darwin zat nu met een uitermate lastig probleem: wat was de verklaring
van deze nieuwe verwante soorten die elk op hun eigen eiland leefden?
Het werd steeds duidelijker dat elk eiland zijn eigen soort had
voortgebracht.
-
Gedurende zijn samenwerking met Gould vond Darwin het steeds gênanter
worden dat hij zijn vondsten zo slecht had geëtiketteerd. Hij wilde
alsnog bewijzen dat elke vink zijn eigen eiland had.
-
Darwins uiteindelijke conclusie was dat de vinken net als de spotvogels
en landschildpadden elk hun eigen eiland hadden. Dit stelde hem in
staat om ze te beschouwen als de gediversifieerde afstammelingen van een
soort van het vasteland.
- Half juli 1837 sprong Darwin in het diepe en begon een geheim notitieboek over transmutatie. ... Hij vulde de eerste 27 bladzijden met een ononderbroken reeks aantekeningen, een ademloos neergeschreven, bijkans mitrailleurachtige salvo van cryptische notities die zijn gehaaste en opgewonden gedachtestroom over de wetten van het leven weergaf. De transmutatie was een feit, en deze krabbels vormden het kader van zijn verdere onderzoek naar de wijze waarop planten en dieren veranderden.
- Op een eiland kon een afwijking snel en blijvend ontstaan. Hoe langer een gebied geïsoleerd was - zoals Australië met zijn eigenaardige vogelbekdieren -, hoe sterker de zoogdieren aldaar konden afwijken.
-
Darwin besefte dat de spontane totstandkoming van het eerste leven uit
een anorganische massa een eenmalige gebeurtenis moest zijn geweest,
begraven in een duister, ver verleden.
- Het leven was maar één keer ontstaan en had zich vervolgens in de loop der tijd vertakt, het was een eindeloze groei, eindstandige knoppen gingen dood terwijl andere verschenen. ... Hoe groter de afstand tussen twee groepen, hoe verder terug op de stam hun gemeenschappelijke voorouder zat en hoe meer dood hout er in de tussenliggende afstand was weggevallen.
- Alle vissen, reptielen en zoogdieren hebben een gemeenschappelijk bouwplan voor gewervelde dieren. Alle slakken en inktvissen zijn gebaseerd op een blauwdruk voor weekdieren. De aanpassing werd eenvoudig op dit basisontwerp geplakt.
-
De tuin waar Charles nu rondstruinde en oom Jos hem een stuk in onbruik
geraakte grond liet zien waar de kalk en sintels die daar jaren terug
waren uitgestrooid in de aarde waren verdwenen en een laag leem hadden
achtergelaten. Jos dacht dat dit het werk van wormen was, hoewel hij
deze triviale tuinfeiten van weinig belang achtte voor een jongeman die
op continentale schaal werkte. Charles was een andere mening toegedaan,
en feitelijk was dit het onopvallende begin van een levenslange
belangstelling voor de bescheiden aardworm - dat kleine
ondergewaardeerde schepsel dat in miljoenvoud het land transformeerde
zoals de koraalpoliepen dat met de tropische zee deden.
- Rond deze tijd verzon hij een nieuw woord voor de ontwikkeling door middel van transmutatie. Hij noemde het descent: "afstamming", en de afstamming van de mens was als onderwerp even legitiem als die van katten en koeien.
- De evolutie, zo was Darwins gedachte, verklaarde elke psychische eigenaardigheid, elk lichamelijk facet: niet alleen de ruggegraat en de milt, maar ook de gewoonten, instincten, gedachten, gevoelens, het geweten en de moraliteit van de mens. "De mens - de magnifieke mens" moest in de heksenketel van de natuur vallen.
-
"Wij arme vrijgezellen zijn niet meer dan halve mannen, wij kruipen als
rupsen door de wereld zonder ooit onze bestemming te bereiken," grapte
Darwin toen zijn Cambridge-maatje Charles Whitley trouwde.
-
Darwin klonk nu als een dissident. "De mens denkt in al zijn
hooghartigheid dat hij een schitterend stuk werk is, de bemiddeling van
een godheid waardig - bescheidener en volgens mij correcter [is het] om
te stellen dat mensen voortkomen uit dieren."
-
Op een blauw velletje maakte Darwin een egocentrische afweging door
twee kolommen, één voor en één tegen, te vullen met enkele
onsamenhangende opmerkingen: (leest u vooral bladzijde 318 waar deze
opmerkingen staan genoteerd) ... De balans sloeg door in het voordeel
van het huwelijk - wis en waarachtig.
Wat
de gefrustreerde "geslachtsloze bij" nodig had was een zachte vrouw die
niet van gezelligheid hield en die een bruidsschat zou inbrengen, zodat
hij ongestoord kon blijven werken. Zonder vrouw zou hij niet kunnen
voortleven via kinderen, "geen tweede leven" hebben, zoals hij het
noemde. ...
Hij
zou dus trouwen, kiezen voor een vrouw in plaats van een hond. Op de
voor de hand liggende vraag "Wanneer?" antwoordde zijn vader: "Spoedig,"
waar hij mee instemde. Emma was de ideale keus, zij was reeds een
toonbeeld van huiselijkheid. Zij kon een verzorgster zijn, een
huisvrouw, een beschermster, ze kon zorgen voor het comfort en de
afzondering die hij binnen vier muren wenste te genieten. Aangezien hij
zichzelf "afstotelijk alledaags" vond, dacht hij dat ze hem zou
afwijzen, maar, zo zei hij, "Ik ben vastbesloten [...] een poging te
wagen."
- De bevolkingsgroei werd geremd door de strijd om de bestaansmiddelen en door de afschuwelijke repetitieve reeks die bestaat uit dood, ziekten, oorlogen en hongersnood. Darwin besefte dat zich in de hele natuur een soortgelijke strijd voordeed, die in potentie een waarlijk creatieve kracht was.
Darwin had altijd gedacht dat er precies genoeg individuen werden geboren om een soort in stand te houden. Maar nu zag hij in dat populaties in het wild ook groter werden dan hun middelen toestonden.
- ... , want mannelijke tepels konden nauwelijks een functionele aanpassing worden genoemd. De selectie kon het bestaande model slechts grof vormgeven, het basisontwerp maken, en zelfs dan hadden dieren nog altijd nutteloze overblijfsels, zoals de stuit (of het staartbeen) van de mens.
- Maar nu kwam Darwin met een totaal ander beeld, namelijk dat de incidentele varianten producten van het toeval zijn. Misschien dat zelfs instincten willekeurig ontstaan, dat de selectie ervoor zorgt dat alleen de bruikbare overblijven.
- Het was het begin van een pact - Emma die bereid was een gebrekkige moeder in te ruilen voor een echtgenoot met een slechte spijsvertering. Zij wilde geen "zorgeloze echtgenoot" die zich altijd groothield. Zij verwachtte dat haar verzorgende taak een vervolg kreeg en vond het geen bezwaar die te vervullen.
-
Emma zou het "beest" menselijk maken, het verzorgen, de bank zou haar
domein zijn. Haar rol stond van meet af aan vast - het eenzame beest was
niet op zoek naar een intellectuele zielsverwant. Zij probeerde Lyells Elements of Geology te lezen, om vervolgens te horen dat ze zich daar niet druk om hoefde te maken.
-
Darwin begon een notitieboek met "Vragen en Experimenten", dat hij
volpropte met vraagstukken en plannen: madeliefjes kweken in rijke
grond, zaden zaaien onder gekleurd glas, koolsoorten hybridiseren,
honden kruisen, een eend skeletteren, bloedcellen vergelijken - allemaal
ingenieuze benaderingen van het raadsel van de variatie.
- In juni sloeg Darwin zijn laatste grote notitieboek dicht en vervolgde zijn werk aan Coral Reefs met de gedachte "het is erg prettig en eenvoudig om het raamwerk van een geologische theorie in elkaar te zetten, maar het is allesbehalve makkelijk om de harde, onomstotelijke feiten te verzamelen en te vergelijken". Zoals de recensenten ook zagen, was Darwin een theoreticus in een tijdperk waarin het detail van wezenlijk belang was.
-
Darwin greep de rust aan om eindelijk een 35 bladzijden tellende
potloodschets van zijn evolutietheorie uit te schrijven. Hij vermeed
elke verwijzing naar de oorsprong van geweten en moraliteit, maar wat
overbleef was allesbehalve slappe kost. Het zag er goed uit op papier,
nu alle losse onderdelen voor het eerst waren samengevoegd.
Hij
beschreef eerst hoe boeren al selecterend naar behoefte ren- of
sleperspaarden, slacht- of mestkoeien fokten en vervolgens en vervolgens
hoe we de natuur konden zien als een met deze fokkers vergelijkbare
superselecteur. Hij wist nu precies hoe het zat: overbevolking en
concurrentiestrijd leidden tot een natuurlijke selectie, want de
"oorlog der natuur" leverde winnaars op. Dit was het mechanisme van de
afstamming. In de wereld van nu was alles met elkaar verbonden. Maar
dieren klommen niet gestaag, keurig achter elkaar en in elkaar
overvloeiend een lamarckiaanse ladder op. Het leven vormde een stamboom:
de verwantschap tussen de zoogdieren - bijvoorbeeld een "paard, muis,
tapir, olifant" - werd zichtbaar als je in de genealogie terugbladerde
naar de "gemeenschappelijke voorouder".
Lees verder in deel 5.
Reacties op dit blog zijn meer dan welkom.
